Burgerlijk Wetboek Art. 2:175 BW – boek 3

netherlands-coat-arms previous companies act next companies act

Vermogensrecht

Titel
1. Algemene bepalingen

Afdeling
1. Begripsbepalingen

Artikel 3:1

Goederen
zijn alle zaken en alle vermogensrechten.

Artikel 3:2

Zaken
zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten.

Artikel 3:3

1.
Onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de
grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die
duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door
vereniging met andere gebouwen of werken.

2.
Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn.

Artikel 3:4

1. Al
hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is
bestanddeel van die zaak.

2.
Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij
daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van
betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van
de hoofdzaak.

Artikel 3:5

Inboedel
is het geheel van tot huisraad en tot stoffering en meubilering van
een woning dienende roerende zaken, met uitzondering van boekerijen
en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of
geschiedkundige aard.

Artikel 3:6

Rechten
die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander
recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende
stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor
verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn
vermogensrechten.

Artikel 3:7

Een
afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig
verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan.

Artikel 3:8

Een
beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend
recht, hetwelk met het beperkte recht is bezwaard.

Artikel 3:9

1.
Natuurlijke vruchten zijn zaken die volgens verkeersopvatting als
vruchten van andere zaken worden aangemerkt.

2.
Burgerlijke vruchten zijn rechten die volgens verkeersopvatting als
vruchten van goederen worden aangemerkt.

3. De
afzonderlijke termijnen van een lijfrente gelden als vruchten van het
recht op de lijfrente.

4.
Een natuurlijke vrucht wordt een zelfstandige zaak door haar
afscheiding, een burgerlijke vrucht een zelfstandig recht door haar
opeisbaar worden.

Artikel 3:10

Registergoederen
zijn goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in
daartoe bestemde openbare registers noodzakelijk is.

Artikel 3:11

Goede
trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, ontbreekt niet
alleen, indien hij de feiten of het recht, waarop zijn goede trouw
betrekking moet hebben, kende, maar ook indien hij ze in de gegeven
omstandigheden behoorde te kennen. Onmogelijkheid van onderzoek belet
niet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als
iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen.

Artikel 3:12

Bij
de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet
rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met
de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de
maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval
zijn betrokken.

Artikel 3:13

1.
Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor
zover hij haar misbruikt.

2.
Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te
oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander
doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking
nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en
het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot
die uitoefening had kunnen komen.

3.
Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan
worden misbruikt.

Artikel 3:14

Een
bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, mag
niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven
regels van publiekrecht.

Artikel 3:15

De
artikelen 11-14 vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor
zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

Afdeling
1A. Elektronisch vermogensrechtelijk rechtsverkeer

Artikel 3:15a

1.
Een elektronische handtekening heeft dezelfde rechtsgevolgen als een
handgeschreven handtekening, indien de methode die daarbij is
gebruikt voor authentificatie voldoende betrouwbaar is, gelet op het
doel waarvoor de elektronische gegevens werden gebruikt en op alle
overige omstandigheden van het geval.

2.
Een in lid 1 bedoelde methode wordt vermoed voldoende betrouwbaar te
zijn, indien een elektronische handtekening voldoet aan de volgende
eisen:

a.
zij is op unieke wijze aan de ondertekenaar verbonden;

b.
zij maakt het mogelijk de ondertekenaar te identificeren;

c.
zij komt tot stand met middelen die de ondertekenaar onder zijn
uitsluitende controle kan houden; en

d.
zij is op zodanige wijze aan het elektronisch bestand waarop zij
betrekking heeft verbonden, dat elke wijziging achteraf van de
gegevens kan worden opgespoord;

e.
zij is gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat als bedoeld in
artikel 1.1, onderdeel ss, van de Telecommunicatiewet; en

f.
zij is gegenereerd door een veilig middel voor het aanmaken van
elektronische handtekeningen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel
vv, van de Telecommunicatiewet.

3.
Een in lid 1 bedoelde methode kan niet als onvoldoende betrouwbaar
worden aangemerkt op de enkele grond dat deze:


niet is gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat als bedoeld in
artikel 1.1, onderdeel ss, van de Telecommunicatiewet;


niet is gebaseerd op een door een certificatiedienstverlener als
bedoeld in artikel 18.16, eerste lid, Telecommunicatiewet afgegeven
certificaat; of


niet met een veilig middel voor het aanmaken van elektronische
handtekeningen is aangemaakt als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel
vv, van de Telecommunicatiewet.

4.
Onder elektronische handtekening wordt een handtekening verstaan die
bestaat uit elektronische gegevens die zijn vastgehecht aan of
logisch geassocieerd zijn met andere elektronische gegevens en die
worden gebruikt als middel voor authentificatie.

5.
Onder ondertekenaar wordt degene verstaan die een middel voor het
aanmaken van elektronische handtekeningen als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel uu, van de Telecommunicatiewet gebruikt.

6.
Tussen partijen kan van lid 2 en 3 worden afgeweken.

Artikel 3:15b

Een
gekwalificeerd certificaat als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel ss,
van de Telecommunicatiewet, afgegeven aan het publiek door een
certificatiedienstverlener gevestigd in een derde land, heeft
dezelfde geldigheid als een gekwalificeerd certificaat afgegeven door
een in de Europese Gemeenschap dan wel een van de overige staten die
partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte gevestigde certificatiedienstverlener, indien:

a.
de certificatiedienstverlener voldoet aan de in richtlijn nr.
99/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999
betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische
handtekeningen (PbEG L 13) gestelde eisen en beschikt over een in het
kader van een in een lidstaat van de Europese Gemeenschap Gemeenschap
dan wel een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte afgegeven bewijs van
toetsing als bedoeld in artikel 18.16, eerste lid
Telecommunicatiewet, dan wel

b.
een in de Europese Gemeenschap of een van de overige staten die
partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte gevestigde certificatiedienstverlener die voldoet aan de eisen
van richtlijn nr. 99/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van
13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor
elektronische handtekeningen (PbEG L 13) voor dat certificaat
instaat, dan wel

c.
het certificaat of de certificatiedienstverlener is erkend in het
kader van een bilaterale of multilaterale overeenkomst tussen de
Europese Gemeenschap dan wel een van de overige staten die partij
zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
en derde landen of internationale organisaties.

Artikel 3:15c

Buiten
het vermogensrecht vinden de bepalingen van deze afdeling
overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling
of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

Artikel 3:15d

1.
Degene die een dienst van de informatiemaatschappij verleent, maakt
de volgende gegevens gemakkelijk, rechtstreeks en permanent
toegankelijk voor degenen die gebruik maken van deze dienst, in het
bijzonder om informatie te verkrijgen of toegankelijk te maken:

a.
zijn identiteit en adres van vestiging;

b.
gegevens die een snel contact en een rechtstreekse en effectieve
communicatie met hem mogelijk maken, met inbegrip van zijn
elektronische postadres;

c.
voor zover hij in een handelsregister of een vergelijkbaar openbaar
register is ingeschreven: het register waar hij is ingeschreven en
zijn inschrijvingsnummer, of een vergelijkbaar middel ter
identificatie in dat register;

d.
voor zover een activiteit aan een vergunningsstelsel is onderworpen:
de gegevens over de bevoegde toezichthoudende autoriteit;

e.
voor zover hij een gereglementeerd beroep uitoefent:

– de
beroepsvereniging of -organisatie waarbij hij is ingeschreven,

– de
beroepstitel en de lidstaat van de Europese Unie of andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte waar die is toegekend,

– een
verwijzing naar de beroepsregels die in Nederland van toepassing zijn
en de wijze van toegang daartoe;

f.
voor zover hij een aan de BTW onderworpen activiteit uitoefent: het
btw-identificatienummer zoals bedoeld in artikel 2a, eerste lid,
onder g, van de Wet op de Omzetbelasting 1968.

2. De
dienstverlener geeft aanduidingen van prijzen in een dienst van de
informatiemaatschappij duidelijk en ondubbelzinnig aan, met de
uitdrukkelijke vermelding of, en zo mogelijk welke, belasting en
leveringskosten daarbij inbegrepen zijn.

3.
Onder dienst van de informatiemaatschappij wordt verstaan elke dienst
die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand
en op individueel verzoek van de afnemer van de dienst wordt verricht
zonder dat partijen gelijktijdig op dezelfde plaats aanwezig zijn.
Een dienst wordt langs elektronische weg verricht indien deze geheel
per draad, per radio, of door middel van optische of andere
elektromagnetische middelen wordt verzonden, doorgeleid en ontvangen
met behulp van elektronische apparatuur voor de verwerking, met
inbegrip van digitale compressie, en de opslag van gegevens.

Artikel 3:15e

1.
Indien commerciële communicatie deel uitmaakt van een dienst van
de informatiemaatschappij of een dergelijke dienst vormt, zorgt
degene in wiens opdracht de commerciële communicatie
geschiedt dat:

a. de
commerciële communicatie duidelijk als zodanig herkenbaar is;

b. de
commerciële communicatie zijn identiteit vermeldt;

c. de
commerciële communicatie, indien deze verkoopbevorderende
aanbiedingen, wedstrijden of spelen omvat, een duidelijke en
ondubbelzinnige vermelding bevat van de aard en de voorwaarden van de
aanbieding of de deelneming;

d.
ongevraagde commerciële communicatie door middel van
elektronische post reeds bij de ontvangst duidelijk en ondubbelzinnig
als zodanig herkenbaar is.

2.
vervallen.

3.
Onder commerciële communicatie als bedoeld in dit artikel wordt
verstaan elke vorm van communicatie bestemd voor het aanprijzen van
de goederen, diensten of het imago van een onderneming, instelling of
persoon die een commerciële, industriële of ambachtelijke
activiteit of een gereglementeerd beroep uitoefent, met uitzondering
van informatie die rechtstreeks toegang geeft tot de activiteit van
de onderneming, instelling of persoon, in het bijzonder een
domeinnaam of een elektronisch postadres. Mededelingen over goederen
of diensten of het imago van een onderneming, instelling of persoon
die onafhankelijk van deze en in het bijzonder zonder financiële
tegenprestatie zijn samengesteld, zijn geen commerciële
communicatie.

Artikel 3:15f

1.
Degenen die diensten van de informatiemaatschappij verlenen of
gebruiken kunnen zich richten tot een door Onze Minister van Justitie
in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken aan te
wijzen rechtspersoon teneinde:

a.
algemene informatie te verkrijgen over hun contractuele rechten en
plichten alsmede over klachtenprocedures en rechtsmiddelen in het
geval van een geschil;

b.
nadere gegevens te verkrijgen over de autoriteiten of organisaties
waar zij nadere informatie of praktische bijstand kunnen krijgen.

2. De
rechtspersoon, bedoeld in lid 1, werkt bij de uitoefening van zijn
taken samen met de overeenkomstige organisaties in andere lidstaten
van de Europese Unie en de overige staten die partij zijn bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

3. De
controleurs van de Belastingdienst/Fiscale Inlichtingen- en
Opsporingsdienst – Economische Controle Dienst
(Belastingdienst/FIOD-ECD) worden aangewezen als ambtenaren, belast
met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gesteld bij
de artikelen 15d en 15e lid 1.

Afdeling
1B. Het voeren van een administratie

Artikel 3:15i

1.
Een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, is
verplicht van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn
bedrijf of beroep, naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op
zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende
boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te
bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen
worden gekend.

2. De
leden 2 tot en met 4 van artikel 10 van Boek 2 zijn van
overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:15j

Openlegging
van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere
gegevensdragers kunnen, voorzover zij daarbij een rechtstreeks en
voldoende belang hebben, vorderen:

a.
erfgenamen, ten aanzien van de boekhouding van de erflater;

b.
deelgenoten in een gemeenschap, ten aanzien van de boekhouding
betreffende de gemeenschap;

c.
vennoten, ten aanzien van de boekhouding van de vennootschap;

d.
schuldeisers in het geval van faillissement of toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, ten aanzien van de
boekhouding van de failliet onderscheidenlijk degene ten aanzien van
wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is.

Afdeling
2. Inschrijvingen betreffende registergoederen

Artikel 3:16

1. Er
worden openbare registers gehouden, waarin feiten die voor de
rechtstoestand van registergoederen van belang zijn, worden
ingeschreven.

2.
Welke deze openbare registers zijn, waar en op welke wijze een
inschrijving in de registers kan worden verkregen, welke stukken
daartoe aan de bewaarder moeten worden aangeboden, wat deze stukken
moeten inhouden, hoe de registers worden ingericht, hoe de
inschrijvingen daarin geschieden, en hoe de registers kunnen worden
geraadpleegd, wordt geregeld bij de wet.

Artikel 3:17

1.
Behalve die feiten waarvan inschrijving krachtens andere
wetsbepalingen mogelijk is, kunnen in deze registers de volgende
feiten worden ingeschreven:

a.
rechtshandelingen die een verandering in de rechtstoestand van
registergoederen brengen of in enig ander opzicht voor die
rechtstoestand van belang zijn;

b.
erfopvolgingen die registergoederen betreffen, daaronder begrepen de
opvolging door de Staat krachtens de artikelen 189 en 226 lid 4 van
Boek 4, en de afgifte van registergoederen aan de Staat krachtens
artikel 226 leden 1 en 2 van Boek 4;

c.
vervulling van de voorwaarde, gesteld in een ingeschreven
voorwaardelijke rechtshandeling, en de verschijning van een onzeker
tijdstip, aangeduid in de aan een ingeschreven rechtshandeling
verbonden tijdsbepaling, alsmede de dood van een vruchtgebruiker van
een registergoed;

d.
reglementen en andere regelingen die tussen medegerechtigden in
registergoederen zijn vastgesteld;

e.
rechterlijke uitspraken die de rechtstoestand van registergoederen of
de bevoegdheid daarover te beschikken betreffen, mits zij uitvoerbaar
bij voorraad zijn of een verklaring van de griffier wordt overgelegd,
dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat of dat hem drie
maanden na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon
rechtsmiddel is gebleken, benevens de tegen de bovenbedoelde
uitspraken ingestelde rechtsmiddelen;

f.
instelling van rechtsvorderingen en indiening van verzoekschriften
ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak die de rechtstoestand
van een registergoed betreft;

g.
executoriale en conservatoire beslagen op registergoederen;

h.
naamsveranderingen die tot registergoederen gerechtigde personen
betreffen;

i.
verjaring die leidt tot verkrijging van een registergoed of
tenietgaan van een beperkt recht dat een registergoed is;

j.
beschikkingen en uitspraken, waarbij een krachtens een bijzondere
wetsbepaling ingeschreven beschikking wordt vernietigd, ingetrokken
of gewijzigd.

2.
Huur- en pachtovereenkomsten en andere feiten die alleen persoonlijke
rechten geven of opheffen, kunnen slechts worden ingeschreven, indien
een bijzondere wetsbepaling dit toestaat.

Artikel 3:18

Worden
de bewaarder der registers stukken ter inschrijving aangeboden, dan
verstrekt hij de aanbieder een bewijs van ontvangst, vermeldende de
aard dier stukken alsmede dag, uur en minuut van de aanbieding.

Artikel 3:19

1.
Indien de voor een inschrijving nodige stukken worden aangeboden, de
aangeboden stukken aan de wettelijke eisen voldoen en andere
wettelijke vereisten voor inschrijving zijn vervuld, dan geschiedt de
inschrijving terstond na de aanbieding.

2.
Als tijdstip van inschrijving geldt het tijdstip van aanbieding van
de voor de inschrijving vereiste stukken.

3. Op
verlangen van de aanbieder tekent de bewaarder de verrichte
inschrijving op het ontvangstbewijs aan of doet hij in de gevallen en
op een wijze bij of krachtens de wet, bedoeld in artikel 16, tweede
lid, vast te stellen, daarvan mededeling aan de aanbieder.

4.
Indien de bewaarder vermoedt dat de in de aangeboden stukken vermelde
kenmerken niet overeenstemmen met die welke met betrekking tot het
registergoed behoren te worden vermeld, of dat de in te schrijven
rechtshandeling door een onbevoegde is verricht of onverenigbaar is
met een andere rechtshandeling, ter inschrijving waarvan hem de
nodige stukken zijn aangeboden, is hij bevoegd de aanbieder en andere
belanghebbenden daarop opmerkzaam te maken.

Artikel 3:20

1. De
bewaarder der registers weigert een inschrijving te doen, indien niet
is voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 19, eerste lid. Hij boekt
de aanbieding in het register van voorlopige aantekeningen met
vermelding van de gerezen bedenkingen.

2.
Wanneer de weigering ten onrechte is geschied, beveelt de
voorzieningenrechter van de rechtbank, rechtdoende in kort geding, op
vordering van de belanghebbende de bewaarder de inschrijving alsnog
te verrichten, zulks onverminderd de bevoegdheid van de gewone
rechter. De voorzieningenrechter kan de oproeping van door hem aan te
wijzen andere belanghebbenden gelasten. Het bevel van de
voorzieningenrechter is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

3.
Wordt de geweigerde inschrijving alsnog bevolen, dan verricht de
bewaarder haar terstond nadat de eiser haar opnieuw heeft verzocht.

4.
Indien de belanghebbende binnen twee weken na de oorspronkelijke
aanbieding aan de bewaarder een dagvaarding in kort geding ter
verkrijging van het in lid 2 bedoelde bevel heeft doen uitbrengen en
de aanvankelijk geweigerde inschrijving alsnog is verricht op een
hernieuwde aanbieding van dezelfde stukken, gedaan binnen een week na
een in eerste aanleg gegeven bevel, wordt de inschrijving geacht te
zijn geschied op het tijdstip waarop de oorspronkelijke aanbieding
plaatsvond. Hetzelfde geldt, indien de bewaarder op een hernieuwde
aanbieding alsnog overgaat tot inschrijving binnen twee weken hetzij
na de oorspronkelijke aanbieding, hetzij na een hem tijdig
uitgebrachte dagvaarding hangende het geding in eerste aanleg.

5.
Een feit waarvan slechts blijkt uit een overeenkomstig lid 1, tweede
zin, geboekt stuk wordt geacht niet door raadpleging van de registers
kenbaar te zijn, tenzij het krachtens het vorige lid geacht moet
worden reeds ten tijde van de raadpleging ingeschreven te zijn
geweest.

6.
Een voorlopige aantekening wordt door de bewaarder doorgehaald, zodra
hem is gebleken dat de voorwaarden voor toepassing van het vierde lid
niet meer kunnen worden vervuld, of de inschrijving met inachtneming
van het tijdstip van oorspronkelijke aanbieding alsnog heeft
plaatsgevonden.

Artikel 3:21

1. De
rangorde van inschrijvingen die op een zelfde registergoed betrekking
hebben, wordt bepaald door de volgorde der tijdstippen van
inschrijving, tenzij uit de wet een andere rangorde voortvloeit.

2.
Vinden twee inschrijvingen op één zelfde tijdstip
plaats en zouden deze leiden tot onderling onverenigbare rechten van
verschillende personen op dat goed, dan wordt de rangorde bepaald:

a.
ingeval de ter inschrijving aangeboden akten op verschillende dagen
zijn opgemaakt: door de volgorde van die dagen;

b.
ingeval beide akten op dezelfde dag zijn opgemaakt en het notariële
akten, daaronder begrepen notariële verklaringen, betreft: door
de volgorde van de tijdstippen waarop ieder van die akten of
verklaringen is opgemaakt.

Artikel 3:22

Wanneer
een feit in de registers is ingeschreven, kan daarna de geldigheid
van de inschrijving niet meer worden betwist op grond dat de
formaliteiten die voor de inschrijving worden vereist, niet zijn in
acht genomen.

Artikel 3:23

Het
beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw wordt
niet aanvaard, wanneer dit beroep insluit een beroep op onbekendheid
met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend.

Artikel 3:24

1.
Indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling tot verkrijging van
een recht op een registergoed onder bijzondere titel in de registers
wordt ingeschreven, een eveneens voor inschrijving in de registers
vatbaar feit niet met betrekking tot dat registergoed ingeschreven
was, kan dit feit aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij
hij het kende.

2.
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:

a.
feiten die naar hun aard vatbaar zijn voor inschrijving in een
register van de burgerlijke stand, een huwelijksgoederenregister of
een boedelregister, ook indien het feit in een gegeven geval daarin
niet kan worden ingeschreven, omdat daarop de Nederlandse wet niet
van toepassing is;

b. in
het curateleregister ingeschreven ondercuratelestelling en opheffing
van curatele;

c. in
het faillissementsregister, het surséanceregister en het
register schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ingeschreven
rechterlijke uitspraken;

d.
aanvaarding en verwerping van een nalatenschap;

e.
verjaring.

3.
Het eerste lid is evenmin van toepassing ten aanzien van
erfopvolgingen en uiterste wilsbeschikkingen die op het tijdstip van
de inschrijving van de rechtshandeling nog niet ingeschreven waren,
doch daarna, mits binnen drie maanden na de dood van de erflater,
alsnog in de registers zijn ingeschreven.

Artikel 3:25

Indien
op het tijdstip waarop een rechtshandeling ter verkrijging van een
recht op een registergoed onder bijzondere titel wordt ingeschreven,
een feit met betrekking tot dat registergoed in de registers was
ingeschreven krachtens een authentieke akte waarin het feit door een
ambtenaar met kracht van authenticiteit werd vastgesteld, kan de
onjuistheid van dit feit aan de verkrijger niet worden tegengeworpen,
tenzij hij deze onjuistheid kende of door raadpleging van de
registers de mogelijkheid daarvan had kunnen kennen.

Artikel 3:26

Indien
op het tijdstip waarop een rechtshandeling ter verkrijging van een
recht op een registergoed onder bijzondere titel wordt ingeschreven,
met betrekking tot dat registergoed een onjuist feit in de registers
ingeschreven was, kan de onjuistheid van dit feit door hem die
redelijkerwijze voor overeenstemming van de registers met de
werkelijkheid had kunnen zorgdragen, aan de verkrijger niet worden
tegengeworpen, tenzij deze de onjuistheid kende of door raadpleging
van de registers de mogelijkheid daarvan had kunnen kennen.

Artikel 3:27

1.
Hij die beweert enig recht op een registergoed te hebben, kan alle
belanghebbenden bij openbare oproeping, en daarnaast hen die als
rechthebbende of beslaglegger op dat goed ingeschreven
staan, ieder bij name dagvaarden om te horen verklaren dat hem het
recht waarop hij aanspraak maakt, toekomt. Alvorens een zodanige eis
toe te wijzen, kan de rechter de maatregelen bevelen en de
bewijsopdrachten doen, welke hij in het belang van mogelijke
niet-verschenen rechthebbenden nuttig oordeelt. Een krachtens dit
artikel verkregen verklaring wordt niet in de registers ingeschreven,
voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

2.
Tegen het vonnis is geen verzet toegelaten. Hoger
beroep en cassatie staan volgens de gewone regels open, behoudens de
volgende uitzonderingen. Artikel
335 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van
toepassing. De dagvaarding waarbij het rechtsmiddel wordt ingesteld,
moet op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen worden
ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. De termijn voor hoger beroep begint
voor niet-verschenen belanghebbenden te lopen vanaf de betekening van
de uitspraak aan hen bij name, voor zover zij ingeschreven waren, of
bij openbaar exploit, zo zij niet ingeschreven waren. Cassatie staat
alleen open voor verschenen belanghebbenden.

3. De
krachtens lid 1 ingeschreven verklaring wordt ten aanzien van
niet-verschenen belanghebbenden die niet bij name zijn gedagvaard,
vermoed juist te zijn, zolang het tegendeel niet bewezen is.

Op de
onjuistheid kan echter geen beroep worden gedaan ten nadele van hen
die, daarmee onbekend, de verkrijger van het vonnis onder bijzondere
titel zijn opgevolgd.

4.
Een openbare oproeping als bedoeld in lid 1 geschiedt overeenkomstig
artikel 54, tweede en derde lid van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering. Een openbaar exploit als bedoeld in lid 2 geschiedt
op dezelfde wijze, tenzij de rechter nadere maatregelen voorschrijft
als bedoeld in lid 1. De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen bestaan
in het voorschrijven van al of niet herhaalde aankondigingen van een
door de rechter vast te stellen inhoud in één of meer
binnen- of buitenlandse dagbladen.

Artikel 3:28

1. Is
een inschrijving waardeloos, dan zijn degenen te wier behoeve zij
anders zou hebben gestrekt, verplicht van deze waardeloosheid aan hem
die daarbij een onmiddellijk belang heeft, op diens verzoek een
schriftelijke verklaring af te geven. De verklaringen vermelden de
feiten waarop de waardeloosheid berust, tenzij de inschrijving een
hypotheek of een beslag betreft.

2.
Verklaringen als in lid 1 bedoeld kunnen in de registers worden
ingeschreven. Indien de inschrijving een hypotheek of een beslag
betreft, machtigen deze verklaringen na inschrijving gezamenlijk de
bewaarder tot doorhaling daarvan.

Artikel 3:29

1.
Worden de vereiste verklaringen niet afgegeven, dan verklaart de
rechtbank de inschrijving waardeloos op vordering van de onmiddellijk
belanghebbende. Wordt ter verkrijging van dit bevel iemand die in de
registers staat ingeschreven gedagvaard, dan worden daarmee tevens
gedagvaard al zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving
hebben genomen.

2.
Alvorens een zodanige verklaring uit te spreken kan de rechter de
maatregelen bevelen en de bewijsopdrachten doen, welke hij in het
belang van mogelijk niet-verschenen rechthebbenden nuttig oordeelt.

3.
Verzet, hoger beroep en cassatie moeten op straffe van niet-
ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het
rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers, bedoeld in artikel
433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zo voor een
ingeschreven gedaagde geen verzet, maar hoger beroep openstaat, geldt
hetzelfde voor zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving
hebben genomen. In afwijking van artikel 143 van dat wetboek begint
de termijn van verzet in elk geval te lopen vanaf de betekening van
het vonnis aan de ingeschreven gedaagde, ook als de betekening niet
aan hem in persoon geschiedt, zulks mede ten opzichte van zijn
rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen,
tenzij de rechter hiertoe nadere maatregelen heeft bevolen en aan dat
bevel niet is voldaan. Cassatie staat alleen open voor verschenen
belanghebbenden.

4.
Het vonnis dat de verklaring bevat, kan niet worden ingeschreven,
voordat het in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de waardeloze
inschrijving een hypotheek of beslag betreft, machtigt het vonnis na
inschrijving de bewaarder tot doorhaling daarvan.

Artikel 3:30

Onverminderd
de aansprakelijkheden van de Dienst voor het kadaster en de openbare
registers, bedoeld in artikel 117, eerste en tweede lid, van de
Kadasterwet, is de Staat aansprakelijk, wanneer iemand ten gevolge
van omstandigheden die naar redelijkheid en billijkheid niet voor
zijn rekening komen, door toepassing van een der artikelen 24, 25 of
27 zijn recht verliest.

Artikel 3:31

Waar
een wetsbepaling die betrekking heeft op registergoederen, een
notariële akte of een notariële verklaring voorschrijft, is
een akte of verklaring van een Nederlandse notaris vereist.

Titel
2. Rechtshandelingen

Artikel 3:32

1.
Iedere natuurlijke persoon is bekwaam tot het verrichten van
rechtshandelingen, voor zover de wet niet anders bepaalt.

2.
Een rechtshandeling van een onbekwame is vernietigbaar. Een
eenzijdige rechtshandeling van een onbekwame, die niet tot een of
meer bepaalde personen gericht was, is echter nietig.

Artikel 3:33

Een
rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich
door een verklaring heeft geopenbaard.

Artikel 3:34

1.
Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn
gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring
overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een
redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette,
of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Een
verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn
gedaan, indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde
nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling
redelijkerwijze niet was te voorzien.

2.
Een zodanig ontbreken van wil maakt een rechtshandeling
vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of
meer bepaalde personen gericht was, wordt door het ontbreken van wil
echter nietig.

Artikel 3:35

Tegen
hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin
die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht
toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte
verklaring van een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan
op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.

Artikel 3:36

Tegen
hem die als derde op grond van een verklaring of gedraging,
overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden
redelijkerwijze mocht toekennen, het ontstaan, bestaan of tenietgaan
van een bepaalde rechtsbetrekking
heeft aangenomen en in redelijk vertrouwen op de juistheid van die
veronderstelling heeft gehandeld, kan door degene om wiens verklaring
of gedraging het gaat, met betrekking tot deze handeling op de
onjuistheid van die veronderstelling geen beroep worden gedaan.

Artikel 3:37

1.
Tenzij anders is bepaald, kunnen verklaringen, met inbegrip van
mededelingen, in iedere vorm geschieden, en kunnen zij in een of meer
gedragingen besloten liggen.

2.
Indien bepaald is dat een verklaring schriftelijk moet worden gedaan,
kan zij, voor zover uit de strekking van die bepaling niet anders
volgt, ook bij exploit geschieden.

3.
Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar
werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Nochtans heeft ook een
verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft
bereikt, haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken het
gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen
voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn
persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.

4.
Wanneer een door de afzender daartoe aangewezen persoon of middel een
tot een ander gerichte verklaring onjuist heeft overgebracht, geldt
het ter kennis van de ontvanger gekomene als de verklaring van de
afzender, tenzij de gevolgde wijze van overbrenging door de ontvanger
was bepaald.

5.
Intrekking van een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet,
om haar werking te hebben, die persoon eerder dan of gelijktijdig met
de ingetrokken verklaring bereiken.

Artikel 3:38

1.
Tenzij uit de wet of uit de aard van de rechtshandeling anders
voortvloeit, kan een rechtshandeling onder een tijdsbepaling of een
voorwaarde worden verricht.

2. De
vervulling van een voorwaarde heeft geen terugwerkende kracht.

Artikel 3:39

Tenzij
uit de wet anders voortvloeit, zijn rechtshandelingen die niet in de
voorgeschreven vorm zijn verricht, nietig.

Artikel 3:40

1.
Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de
goede zeden of de openbare orde, is nietig.

2.
Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid van de
rechtshandeling, doch, indien de bepaling uitsluitend strekt ter
bescherming van één der partijen bij een meerzijdige
rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid, een en ander voor
zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit.

3.
Het vorige lid heeft geen betrekking op wetsbepalingen die niet de
strekking hebben de geldigheid van daarmede strijdige
rechtshandelingen aan te tasten.

Artikel 3:41

Betreft
een grond van nietigheid slechts een deel van een rechtshandeling,
dan blijft deze voor het overige in stand, voor zover dit, gelet op
inhoud en strekking van de handeling, niet in onverbrekelijk verband
met het nietige deel staat.

Artikel 3:42

Beantwoordt
de strekking van een nietige rechtshandeling in een zodanige mate aan
die van een andere, als geldig aan te merken rechtshandeling, dat
aangenomen moet worden dat die andere rechtshandeling zou zijn
verricht, indien van de eerstgenoemde wegens haar ongeldigheid was
afgezien, dan komt haar de werking van die andere rechtshandeling
toe, tenzij
dit onredelijk zou zijn jegens een belanghebbende die niet tot de
rechtshandeling als partij heeft medegewerkt.

Artikel 3:43

1.
Rechtshandelingen die, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomende
personen, strekken tot verkrijging door:

a.
rechters, leden van het openbaar ministerie, gerechtsauditeurs,
griffiers, advocaten, procureurs, deurwaarders en notarissen van
goederen waarover een geding aanhangig is voor het gerecht, onder
welks rechtsgebied zij hun bediening uitoefenen;

b.
ambtenaren, van goederen die door hen of te hunnen overstaan worden
verkocht, of

c.
personen met openbaar gezag bekleed, van goederen die toebehoren aan
het Rijk, provincies, gemeenten of andere openbare instellingen en
aan hun beheer zijn toevertrouwd,

zijn
nietig en verplichten de verkrijgers tot schadevergoeding.

2.
Lid 1 onder a heeft geen betrekking op uiterste wilsbeschikkingen,
door een erflater ten voordele van zijn wettelijke erfgenamen
gemaakt, noch op rechtshandelingen krachtens welke deze erfgenamen
goederen der nalatenschap verkrijgen.

3. In
het geval bedoeld in het eerste lid onder c is de rechtshandeling
geldig, indien zij met Onze goedkeuring is geschied of het een
verkoop in het openbaar betreft. Indien de rechtshandeling strekt tot
verkrijging door een lid van de gemeenteraad of een wethouder,
onderscheidenlijk de burgemeester komt de in de vorige zin bedoelde
bevoegdheid tot goedkeuring toe aan gedeputeerde staten,
onderscheidenlijk de Commissaris van de Koningin.

Artikel 3:44

1.
Een rechtshandeling is vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging,
door bedrog of door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.

2.
Bedreiging is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten
van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of
een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. De
bedreiging moet zodanig zijn, dat een redelijk oordelend mens
daardoor kan worden beïnvloed.

3.
Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van
een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe
gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen
van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door
een andere kunstgreep. Aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook al
zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op.

4.
Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of
moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals
noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale
geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten
van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling
bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan
zou behoren te weerhouden.

5.
Indien een verklaring is tot stand gekomen door bedreiging, bedrog of
misbruik van omstandigheden van de zijde van iemand die geen partij
bij de rechtshandeling is, kan op dit gebrek geen beroep worden
gedaan jegens een wederpartij die geen reden had het bestaan ervan te
veronderstellen.

Artikel 3:45

1.
Indien een schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte
rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van
een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou
zijn, is de rechtshandeling vernietigbaar en kan de
vernietigingsgrond worden ingeroepen door iedere door de
rechtshandeling in zijn verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeiser,
onverschillig of zijn vordering vóór of na de handeling
is ontstaan.

2.
Een rechtshandeling anders dan om niet, die hetzij meerzijdig is,
hetzij eenzijdig en tot een of meer bepaalde personen gericht, kan
wegens benadeling slechts worden vernietigd, indien ook degenen met
of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of
behoorden te weten dat daarvan benadeling van een of meer
schuldeisers het gevolg zou zijn.

3.
Wordt een rechtshandeling om niet wegens benadeling vernietigd, dan
heeft de vernietiging ten aanzien van de bevoordeelde die wist noch
behoorde te weten dat van de rechtshandeling benadeling van een of
meer schuldeisers het gevolg zou zijn, geen werking, voor zover hij
aantoont dat hij ten tijde van de verklaring of het instellen van de
vordering tot vernietiging niet ten gevolge van de rechtshandeling
gebaat was.

4.
Een schuldeiser die wegens benadeling tegen een rechtshandeling
opkomt, vernietigt deze slechts te zijnen behoeve en niet verder dan
nodig is ter opheffing van de door hem ondervonden benadeling.

5.
Rechten, door derden te goeder trouw anders dan om niet verkregen op
goederen die het voorwerp waren van de vernietigde rechtshandeling,
worden geëerbiedigd. Ten aanzien van de derde te goeder trouw
die om niet heeft verkregen, heeft de vernietiging geen werking voor
zover hij aantoont dat hij op het ogenblik dat het goed van hem wordt
opgeëist, niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat is.

Artikel 3:46

1.
Indien de rechtshandeling waardoor een of meer schuldeisers zijn
benadeeld, is verricht binnen één jaar voor het
inroepen van de vernietigingsgrond en de schuldenaar zich niet reeds
voor de aanvang van die termijn tot die rechtshandeling had
verplicht, wordt vermoed dat men aan beide zijden wist of behoorde te
weten dat een zodanige benadeling het gevolg van de rechtshandeling
zou zijn:

1°.
bij overeenkomsten, waarbij de waarde der verbintenis aan de zijde
van de schuldenaar aanmerkelijk die der verbintenis aan de andere
zijde overtreft;

2°.
bij rechtshandelingen ter voldoening van of zekerheidstelling voor
een niet opeisbare schuld;

3°.
bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die een natuurlijk persoon
is, verricht met of jegens:

a.
zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de
derde graad;

b.
een rechtspersoon waarin hij, zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een
bloed- of aanverwant tot in de derde graad bestuurder of commissaris
is, dan wel waarin deze personen, afzonderlijk of tezamen, als
aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van
het geplaatste kapitaal deelnemen;

4°.
bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is,
verricht met of jegens een natuurlijk persoon:

a.
die bestuurder of commissaris van de rechtspersoon is, dan wel met of
jegens diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de
derde graad;

b.
die al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en
zijn bloed- of aanverwanten tot in de derde graad, als aandeelhouder
rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het
geplaatste kapitaal deelneemt;

c.
wiens echtgenoot, pleegkinderen of bloed- of aanverwanten tot in de
derde graad, afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks
of middellijk voor tenminste de helft van het geplaatste kapitaal
deelnemen;

5°.
bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is,
verricht met of jegens een andere rechtspersoon, indien

a.
een van deze rechtspersonen bestuurder is van de andere;

b.
een bestuurder, natuurlijk persoon, van een van deze rechtspersonen,
of diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de
derde graad, bestuurder is van de andere;

c.
een bestuurder, natuurlijk persoon, of een commissaris van een van
deze rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of
aanverwant tot in de derde graad, afzonderlijk of tezamen, als
aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van
het geplaatste kapitaal deelneemt in de andere;

d.
in beide rechtspersonen voor ten minste de helft van het geplaatste
kapitaal rechtstreeks of middellijk wordt deelgenomen door dezelfde
rechtspersoon, dan wel dezelfde natuurlijke persoon, al dan niet
tezamen met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed- of
aanverwanten tot in de derde graad;

6°.
bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is,
verricht met of jegens een groepsmaatschappij.

2.
Met een echtgenoot wordt een geregistreerde partner of een andere
levensgezel gelijkgesteld.

3.
Onder pleegkind wordt verstaan hij die duurzaam als eigen kind is
verzorgd en opgevoed.

4.
Onder bestuurder, commissaris of aandeelhouder wordt mede verstaan
hij die minder dan een jaar vóór de rechtshandeling
bestuurder, commissaris of aandeelhouder is geweest.

5.
Indien de bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder zelf een
rechtspersoon is, wordt deze rechtspersoon met de
rechtspersoon-bestuurder gelijkgesteld.

Artikel 3:47

In
geval van benadeling door een rechtshandeling om niet, die de
schuldenaar heeft verricht binnen één jaar vóór
het inroepen van de vernietigingsgrond, wordt vermoed dat hij wist of
behoorde te weten dat benadeling van een of meer schuldeisers het
gevolg van de rechtshandeling zou zijn.

Artikel 3:48

Onder
schuldenaar in de zin van de drie vorige artikelen is begrepen hij op
wiens goed voor de schuld van een ander verhaal kan worden genomen.

Artikel 3:49

Een
vernietigbare rechtshandeling wordt vernietigd hetzij door een
buitengerechtelijke verklaring, hetzij door een rechterlijke
uitspraak.

Artikel 3:50

1.
Een buitengerechtelijke verklaring die een rechtshandeling
vernietigt, wordt door hem in wiens belang de vernietigingsgrond
bestaat, gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling zijn.

2.
Een buitengerechtelijke verklaring kan een rechtshandeling met
betrekking tot een registergoed die heeft geleid tot een inschrijving
in de openbare registers of tot een tot levering van een
registergoed, bestemde akte, slechts vernietigen indien alle partijen
in de vernietiging berusten.

Artikel 3:51

1.
Een rechterlijke uitspraak vernietigt een rechtshandeling, doordat
zij een beroep in rechte op een vernietigingsgrond aanvaardt.

2.
Een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling wordt
ingesteld tegen hen die partij bij de rechtshandeling zijn.

3.
Een beroep in rechte op een vernietigingsgrond kan te allen tijde
worden gedaan ter afwering van een op de rechtshandeling steunende
vordering of andere rechtsmaatregel. Hij die dit beroep doet, is
verplicht om zo spoedig mogelijk daarvan mededeling te doen aan de
partijen bij de rechtshandeling die niet in het geding zijn
verschenen.

Artikel 3:52

1.
Rechtsvorderingen tot vernietiging van een rechtshandeling verjaren:

a. in
geval van onbekwaamheid: drie jaren nadat de onbekwaamheid is
geëindigd, of, indien de onbekwame een wettelijke
vertegenwoordiger heeft, drie jaren nadat de handeling ter kennis van
de wettelijke vertegenwoordiger is gekomen;

b. in
geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden: drie jaren nadat
deze invloed heeft opgehouden te werken;

c. in
geval van bedrog, dwaling of benadeling: drie jaren nadat het bedrog,
de dwaling of de benadeling is ontdekt;

d. in
geval van een andere vernietigingsgrond: drie jaren nadat de
bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan
wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan.

2. Na
de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de
rechtshandeling kan deze niet meer op dezelfde vernietigingsgrond
door een buitengerechtelijke verklaring worden vernietigd.

Artikel 3:53

1. De
vernietiging werkt terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling
is verricht.

2.
Indien de reeds ingetreden gevolgen van een rechtshandeling
bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, kan de rechter
desgevraagd aan een vernietiging geheel of ten dele haar werking
ontzeggen. Hij kan aan een partij die daardoor onbillijk wordt
bevoordeeld, de verplichting opleggen tot een uitkering in geld aan
de partij die benadeeld wordt.

Artikel 3:54

1. De
bevoegdheid om ter vernietiging van een meerzijdige rechtshandeling
een beroep te doen op misbruik van omstandigheden vervalt, wanneer de
wederpartij tijdig een wijziging van de gevolgen van de
rechtshandeling voorstelt, die het nadeel op afdoende wijze opheft.

2.
Bovendien kan de rechter op verlangen van een der partijen, in plaats
van een vernietiging wegens misbruik van omstandigheden uit te
spreken, ter opheffing van dit nadeel de gevolgen van de
rechtshandeling wijzigen.

Artikel 3:55

1. De
bevoegdheid om ter vernietiging van een rechtshandeling een beroep op
een vernietigingsgrond te doen vervalt, wanneer hij aan wie deze
bevoegdheid toekomt, de rechtshandeling heeft bevestigd, nadat de
verjaringstermijn ter zake van de rechtsvordering tot vernietiging op
die grond een aanvang heeft genomen.

2.
Eveneens vervalt de bevoegdheid om een beroep op een
vernietigingsgrond te doen, wanneer een onmiddellijk belanghebbende
na de aanvang van de verjaringstermijn aan hem aan wie deze
bevoegdheid toekomt een redelijke termijn heeft gesteld om te kiezen
tussen bevestiging en vernietiging en deze binnen deze termijn geen
keuze heeft gedaan.

Artikel 3:56

Voor
de toepassing van de artikelen 50-55 gelden mede als partij:

a. in
geval van eenzijdige tot een of meer bepaalde personen gerichte
rechtshandeling: die personen;

b. in
geval van andere eenzijdige rechtshandelingen: zij die onmiddellijk
belanghebbenden zijn bij de instandhouding van die handeling.

Artikel 3:57

Behoeft
een rechtshandeling om het beoogde gevolg te hebben goedkeuring,
machtiging, vergunning of enige andere vorm van toestemming van een
overheidsorgaan of van een andere persoon, die geen partij bij de
rechtshandeling is, dan kan iedere onmiddellijk belanghebbende aan
hen die partij bij de rechtshandeling zijn geweest, aanzeggen dat,
indien niet binnen een redelijke, bij die aanzegging gestelde termijn
die toestemming wordt verkregen, de handeling te zijnen aanzien
zonder gevolg zal blijven.

Artikel 3:58

1.
Wanneer eerst na het verrichten van een rechtshandeling een voor haar
geldigheid gesteld wettelijk vereiste wordt vervuld, maar alle
onmiddellijk belanghebbenden die zich op dit gebrek hadden kunnen
beroepen, in de tussen de handeling en de vervulling van het vereiste
liggende tijdsruimte de handeling als geldig hebben aangemerkt, is
daarmede de rechtshandeling bekrachtigd.

2.
Het vorige lid is niet van toepassing op het geval dat een
rechtshandeling nietig is als gevolg van handelingsonbekwaamheid van
degene die haar heeft verricht en deze vervolgens handelingsbekwaam
wordt.

3.
Inmiddels verkregen rechten van derden behoeven aan bekrachtiging
niet in de weg te staan, mits zij worden geëerbiedigd.

Artikel 3:59

Buiten
het vermogensrecht vinden de bepalingen van deze titel
overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling
of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

Titel
3. Volmacht

Artikel 3:60

1.
Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een
ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te
verrichten.

2.
Waar in deze titel van rechtshandeling wordt gesproken, is daaronder
het in ontvangst nemen van een verklaring begrepen.

Artikel 3:61

1.
Een volmacht kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden verleend.

2. Is
een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan tegen de
wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van
die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden
redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was
verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep
worden gedaan.

3.
Indien een volgens wet of gebruik openbaar gemaakte volmacht
beperkingen bevat, die zo ongebruikelijk zijn dat de wederpartij ze
daarin niet behoefde te verwachten, kunnen deze haar niet worden
tegengeworpen, tenzij zij ze kende.

Artikel 3:62

1.
Een algemene volmacht strekt zich slechts uit tot daden van
beschikking, indien schriftelijk en ondubbelzinnig is bepaald dat zij
zich ook tot die daden uitstrekt. Onder algemene volmacht wordt
verstaan de volmacht die alle zaken van de volmachtgever en alle
rechtshandelingen omvat, met uitzondering van hetgeen ondubbelzinnig
is uitgesloten.

2.
Een bijzondere volmacht die in algemene bewoordingen is verleend,
strekt zich slechts uit tot daden van beschikking indien dit
ondubbelzinnig is bepaald. Niettemin strekt een volmacht die voor een
bepaald doel is verleend, zich uit tot alle daden van beheer en van
beschikking die dienstig kunnen zijn tot het bereiken van dit doel.

Artikel 3:63

1. De
omstandigheid dat iemand onbekwaam is tot het verrichten van
rechtshandelingen voor zichzelf, maakt hem niet onbekwaam tot het
optreden als gevolmachtigde.

2.
Wanneer een volmacht door een onbekwaam persoon is verleend, is een
krachtens die volmacht door de gevolmachtigde verrichte
rechtshandeling op gelijke wijze geldig, nietig of vernietigbaar, als
wanneer zij door de onbekwame zelf zou zijn verricht.

Artikel 3:64

Tenzij
anders is bepaald, is een gevolmachtigde slechts in de navolgende
gevallen bevoegd de hem verleende volmacht aan een ander te verlenen:

a.
voor zover de bevoegdheid hiertoe uit de aard der te verrichten
rechtshandelingen noodzakelijk voortvloeit of in overeenstemming is
met het gebruik;

b.
voor zover de verlening van de volmacht aan een andere persoon in het
belang van de volmachtgever noodzakelijk is en deze zelf niet in
staat is een voorziening te treffen;

c.
voor zover de volmacht goederen betreft, die gelegen zijn buiten het
land waarin de gevolmachtigde zijn woonplaats heeft.

Artikel 3:65

Is
een volmacht aan twee of meer personen tezamen verleend, dan is ieder
van hen bevoegd zelfstandig te handelen, tenzij anders is bepaald.

Artikel 3:66

1.
Een door de gevolmachtigde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid in
naam van de volmachtgever verrichte rechtshandeling treft in haar
gevolgen de volmachtgever.

2.
Voor zover het al of niet aanwezig zijn van een wil of van
wilsgebreken, alsmede bekendheid of onbekendheid met feiten van
belang zijn voor de geldigheid of de gevolgen van een
rechtshandeling, komen ter beoordeling daarvan de volmachtgever of de
gevolmachtigde of beiden in aanmerking, al naar gelang het aandeel
dat ieder van hen heeft gehad in de totstandkoming van de
rechtshandeling en in de bepaling van haar inhoud.

Artikel 3:67

1.
Hij die een overeenkomst aangaat in naam van een nader te noemen
volmachtgever, moet diens naam noemen binnen de door de wet, de
overeenkomst of het gebruik bepaalde termijn of, bij gebreke hiervan,
binnen een redelijke termijn.

2.
Wanneer hij de naam van de volmachtgever niet tijdig noemt, wordt hij
geacht de overeenkomst voor zichzelf te hebben aangegaan, tenzij uit
de overeenkomst anders voortvloeit.

Artikel 3:68

Tenzij
anders is bepaald, kan een gevolmachtigde slechts dan als wederpartij
van de volmachtgever optreden, wanneer de inhoud van de te verrichten
rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen beider
belangen uitgesloten is.

Artikel 3:69

1.
Wanneer iemand zonder daartoe bevoegd te zijn als gevolmachtigde in
naam van een ander heeft gehandeld, kan laatstgenoemde de
rechtshandeling bekrachtigen en haar daardoor hetzelfde gevolg
verschaffen, als zou zijn ingetreden wanneer zij krachtens een
volmacht was verricht.

2. Is
voor het verlenen van een volmacht tot de rechtshandeling een
bepaalde vorm vereist, dan geldt voor de bekrachtiging hetzelfde
vereiste.

3.
Een bekrachtiging heeft geen gevolg, indien op het tijdstip waarop
zij geschiedt, de wederpartij reeds heeft te kennen gegeven dat zij
de handeling wegens het ontbreken van een volmacht als ongeldig
beschouwt, tenzij de wederpartij op het tijdstip dat zij handelde
heeft begrepen of onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs
heeft moeten begrijpen dat geen toereikende volmacht was verleend.

4.
Een onmiddellijk belanghebbende kan degene in wiens naam gehandeld
is, een redelijke termijn voor de bekrachtiging stellen. Hij behoeft
niet met een gedeeltelijke of voorwaardelijke bekrachtiging genoegen
te nemen.

5.
Rechten door de volmachtgever vóór de bekrachtiging aan
derden verleend, blijven gehandhaafd.

Artikel 3:70

Hij
die als gevolmachtigde handelt, staat jegens de wederpartij in voor
het bestaan en de omvang van de volmacht, tenzij de wederpartij weet
of behoort te begrijpen dat een toereikende volmacht ontbreekt of de
gevolmachtigde de inhoud van de volmacht volledig aan de wederpartij
heeft medegedeeld.

Artikel 3:71

1.
Verklaringen, door een gevolmachtigde afgelegd, kunnen door de
wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de
gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en
haar niet onverwijld hetzij een geschrift waaruit de volmacht volgt
is overgelegd, hetzij de volmacht door de volmachtgever is bevestigd.

2.
Bewijs van volmacht kan niet worden verlangd, indien de volmacht door
de volmachtgever ter kennis van de wederpartij was gebracht, indien
zij op een door wet of gebruik bepaalde wijze was bekendgemaakt, of
indien zij voortvloeit uit een aanstelling waarmede de wederpartij
bekend is.

Artikel 3:72

Een
volmacht eindigt:

a.
door de dood, de ondercuratelestelling, het faillissement van de
volmachtgever of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van
de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen;

b.
door de dood, de ondercuratelestelling, het faillissement van de
gevolmachtigde of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren
van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tenzij anders is
bepaald;

c.
door herroeping door de volmachtgever;

d.
door opzegging door de gevolmachtigde.

Artikel 3:73

1.
Niettegenstaande de dood of de ondercuratelestelling van de
volmachtgever blijft de gevolmachtigde bevoegd de rechtshandelingen
te verrichten, die nodig zijn voor het beheer van een onderneming.

2.
Niettegenstaande de dood of de ondercuratelestelling van de
volmachtgever blijft de gevolmachtigde bevoegd rechtshandelingen te
verrichten, die niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld.
Hetzelfde geldt indien de gevolmachtigde de volmacht heeft opgezegd.

3. De
in de vorige leden vermelde bevoegdheid eindigt een jaar na het
overlijden, de ondercuratelestelling of de opzegging.

Artikel 3:74

1.
Voor zover een volmacht strekt tot het verrichten van een
rechtshandeling in het belang van de gevolmachtigde of van een derde,
kan worden bepaald dat zij onherroepelijk is, of dat zij niet eindigt
door de dood of ondercuratelestelling van de volmachtgever.
Eerstgenoemde bepaling sluit, tenzij anders blijkt, de tweede in.

2.
Bevat de volmacht een bepaling als in het vorige lid bedoeld, dan mag
de wederpartij aannemen dat het aldaar voor de geldigheid van die
bepaling gestelde vereiste vervuld is, tenzij het tegendeel voor haar
duidelijk kenbaar is.

3.
Tenzij anders is bepaald, kan de gevolmachtigde een overeenkomstig
het eerste lid onherroepelijk verleende volmacht ook buiten de in
artikel 64 genoemde gevallen aan een ander verlenen.

4. De
rechtbank kan op verzoek van de volmachtgever, of van een erfgenaam
of de curator van de volmachtgever, een bepaling als in het eerste
lid bedoeld wegens gewichtige redenen wijzigen of buiten werking
stellen.

Artikel 3:75

1. Na
het einde van de volmacht moet de gevolmachtigde desgevorderd
geschriften waaruit de volmacht blijkt, teruggeven of toestaan dat de
volmachtgever daarop aantekent dat de volmacht is geëindigd. In
geval van een bij notariële akte verleende volmacht tekent de
notaris die de minuut onder zijn berusting heeft, op verzoek van de
volmachtgever het einde van de volmacht daarop aan.

2.
Wanneer te vrezen is dat een gevolmachtigde van een volmacht ondanks
haar einde gebruik zal maken, kan de volmachtgever zich wenden tot de
voorzieningenrechter van de rechtbank met verzoek de wijze van
bekendmaking van het einde van de volmacht te bepalen, die ten
gevolge zal hebben dat het tegen een ieder kan worden ingeroepen.
Tegen een toewijzende beschikking krachtens dit lid is geen hogere
voorziening toegelaten.

Artikel 3:76

1.
Een oorzaak die de volmacht heeft doen eindigen, kan tegenover een
wederpartij die noch van het einde van de volmacht, noch van die
oorzaak kennis droeg, slechts worden ingeroepen:

a.
indien het einde van de volmacht of de oorzaak die haar heeft doen
eindigen aan de wederpartij was medegedeeld of was bekend gemaakt op
een wijze die krachtens wet of verkeersopvattingen meebrengt dat de
volmachtgever het einde van de volmacht aan de wederpartij kan
tegenwerpen;

b.
indien de dood van de volmachtgever van algemene bekendheid was;

c.
indien de aanstelling of tewerkstelling, waaruit de volmacht
voortvloeide, op een voor derden kenbare wijze was beëindigd;

d.
indien de wederpartij van de volmacht op geen andere wijze had kennis
gekregen dan door een verklaring van de gevolmachtigde.

2. In
de gevallen van het vorige lid is de gevolmachtigde die voortgaat op
naam van de volmachtgever te handelen, tot schadevergoeding gehouden
jegens de wederpartij die van het einde van de volmacht geen kennis
droeg. Hij is niet aansprakelijk indien hij wist noch behoorde te
weten dat de volmacht was geëindigd.

Artikel 3:77

Wordt
ondanks de dood van de volmachtgever krachtens de volmacht een
geldige rechtshandeling verricht, dan worden de erfgenamen van de
volmachtgev

Close Menu
×
×

Basket