Burgerlijk Wetboek Art. 2:175 BW – boek 3:126

netherlands-coat-arms previous companies act next companies act

Titel
6. Bewind

Artikel 3:126

Gereserveerd.

Titel
7. Gemeenschap

Afdeling
1. Algemene bepalingen

Artikel 3:166

1.
Gemeenschap is aanwezig, wanneer een of meer goederen toebehoren aan
twee of meer deelgenoten gezamenlijk.

2. De
aandelen van de deelgenoten zijn gelijk, tenzij uit hun
rechtsverhouding anders voortvloeit.

3. Op
de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten is artikel 2 van Boek 6
van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:167

Goederen
die geacht moeten worden in de plaats van een gemeenschappelijk goed
te treden behoren tot de gemeenschap.

Artikel 3:168

1. De
deelgenoten kunnen het genot, het gebruik en het beheer van
gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst regelen.

2.
Voor zover een overeenkomst ontbreekt, kan de kantonrechter op
verzoek van de meest gerede partij een zodanige regeling treffen, zo
nodig met onderbewindstelling van de goederen. Hij houdt daarbij naar
billijkheid rekening zowel met de belangen van partijen als met het
algemeen belang.

3.
Een bestaande regeling kan op verzoek van de meest gerede partij door
de kantonrechter wegens onvoorziene omstandigheden gewijzigd of
buiten werking gesteld worden.

4.
Een regeling is ook bindend voor de rechtverkrijgenden van een
deelgenoot.

5. Op
een overeenkomstig lid 2 ingesteld bewind zijn, voor zover de
kantonrechter niet anders heeft bepaald, de artikelen 154, 157 tot en
met 166, 168, 172, 173 en 174 van Boek 4, van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de kantonrechter de in artikel 159
van Boek 4 bedoelde beloning ook op grond van bijzondere
omstandigheden anders kan regelen, alsmede dat hij de in artikel 160
van Boek 4 bedoelde zekerheidstelling te allen tijde kan bevelen. Het
kan door een gezamenlijk besluit van de deelgenoten of op verzoek van
een hunner door de kantonrechter worden opgeheven.

Artikel 3:169

Tenzij
een regeling anders bepaalt, is iedere deelgenoot bevoegd tot het
gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het
recht van de overige deelgenoten te verenigen is.

Artikel 3:170

1.
Handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een
gemeenschappelijk goed, en in het algemeen handelingen die geen
uitstel kunnen lijden, kunnen door ieder der deelgenoten zo nodig
zelfstandig worden verricht. Ieder van hen is bevoegd ten behoeve van
de gemeenschap verjaring te sluiten.

2.
Voor het overige geschiedt het beheer door de deelgenoten tezamen,
tenzij een regeling anders bepaalt. Onder beheer zijn begrepen alle
handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig
kunnen zijn, alsook het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde
prestaties.

3.
Tot andere handelingen betreffende een gemeenschappelijk goed dan in
de vorige leden vermeld, zijn uitsluitend de deelgenoten tezamen
bevoegd.

Artikel 3:171

Tenzij
een regeling anders bepaalt, is iedere deelgenoot bevoegd tot het
instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften
ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de
gemeenschap. Een regeling die het beheer toekent aan een of meer der
deelgenoten, sluit, tenzij zij anders bepaalt, deze bevoegdheid voor
de anderen uit.

Artikel 3:172

Tenzij
een regeling anders bepaalt, delen de deelgenoten naar evenredigheid
van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het
gemeenschappelijke goed oplevert, en moeten zij in dezelfde
evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit
handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn
verricht.

Artikel 3:173

Ieder
der deelgenoten kan van degene onder hen die voor de overigen beheer
heeft gevoerd, jaarlijks en in ieder geval bij het einde van het
beheer rekening en verantwoording vorderen.

Artikel 3:174

1. De
rechter die ter zake van een vordering tot verdeling bevoegd zou zijn
of voor wie een zodanige vordering reeds aanhangig is kan een
deelgenoot op diens verzoek ten behoeve van de voldoening van een
voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere
gewichtige redenen machtigen tot het te gelde maken van een
gemeenschappelijk goed. Indien een deelgenoot voor wie een te
verkopen goed een bijzondere waarde heeft, bereid is het goed tegen
vergoeding van de geschatte waarde over te nemen, kan de voormelde
rechter deze overneming bevelen.

2. De
in lid 1 bedoelde rechter kan een deelgenoot op diens verzoek
machtigen een gemeenschappelijk goed te bezwaren met een recht van
pand of hypotheek tot zekerheid voor de voldoening van een voor
rekening van de gemeenschap komende schuld die reeds bestaat of
waarvan het aangaan geboden is voor het behoud van een goed der
gemeenschap.

Artikel 3:175

1.
Tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders
voortvloeit, kan ieder van hen over zijn aandeel in een
gemeenschappelijk goed beschikken.

2.
Indien uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten voortvloeit dat
zij niet, tenzij met aller toestemming, bevoegd zijn over hun aandeel
te beschikken, zijn de leden 3 en 4 van artikel 168 van
overeenkomstige toepassing.

3. De
schuldeisers van een deelgenoot kunnen zijn aandeel in een
gemeenschappelijk goed uitwinnen. Na de uitwinning van een aandeel
kunnen beperkingen van de bevoegdheid om over de aandelen te
beschikken niet worden ingeroepen tussen de verkrijger van dat
aandeel en de overige deelgenoten.

Artikel 3:176

1. De
verkrijger van een aandeel of een beperkt recht daarop moet van de
verkrijger onverwijld mededeling doen aan de overige deelgenoten of
aan degene die door de deelgenoten of de rechter met het beheer over
het goed is belast.

2.
Een overgedragen aandeel wordt verkregen onder de last aan de
gemeenschap te vergoeden hetgeen de vervreemder haar schuldig was.
Vervreemder en verkrijger zijn hoofdelijk voor deze vergoeding
aansprakelijk. De verkrijger kan zich aan deze verplichting
onttrekken door zijn aandeel op zijn kosten aan de overige
deelgenoten over te dragen; dezen zijn verplicht aan een zodanige
overdracht mede te werken.

3. De
vorige leden zijn niet van toepassing bij uitwinning van de
gezamenlijke aandelen in een gemeenschappelijk goed.

Artikel 3:177

1.
Wordt een gemeenschappelijk goed verdeeld of overgedragen, terwijl op
het aandeel van een deelgenoot een beperkt recht rust, dan komt dat
recht te rusten op het goed voor zover dit door die deelgenoot wordt
verkregen, en wordt het goed voor het overige van dat recht bevrijd,
onverminderd hetgeen de beperkt gerechtigde of de deelgenoot op wiens
aandeel zijn recht rust, krachtens hun onderlinge verhouding van de
onder wegens een door deze aldus ontvangen overwaarde heeft te
vorderen.

2.
Een verdeling, alsmede een overdracht waartoe de deelgenoten zich na
bezwaring met het beperkte recht hebben verplicht, behoeft de
medewerking van de beperkt gerechtigde.

3.
Een bij toedeling van het goed aan de in het eerste lid genoemde
deelgenoot bedongen recht van pand of hypotheek tot waarborg van
hetgeen hij aan een of meer der deelgenoten ten gevolge van de
verdeling schuldig is of mocht worden, heeft, mits het gelijktijdig
met de levering van het hem toegedeelde daarop wordt gevestigd,
voorrang boven een beperkt recht dat een deelgenoot tevoren op zijn
aandeel had gevestigd.

Artikel 3:178

1.
Ieder der deelgenoten, alsmede hij die een beperkt recht op een
aandeel heeft, kan te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk
goed vorderen, tenzij uit de aard van de gemeenschap of uit het in de
volgende leden bepaalde anders voortvloeit.

2. Op
verlangen van een deelgenoot kan de rechter voor wie een vordering
tot verdeling aanhangig is, bepalen dat alle of sommige opeisbare
schulden die voor rekening van de gemeenschap komen, moeten worden
voldaan alvorens tot de verdeling wordt overgegaan.

3.
Indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een
of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door
de verdeling worden gediend, kan de rechter voor wie een vordering
tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of
meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot
verdeling uitsluiten.

4.
Indien geen vordering tot verdeling aanhangig is, kan een beslissing
als bedoeld in de leden 2 en 3 op verzoek van ieder van de
deelgenoten worden gegeven door de rechter die ter zake van de
vordering tot verdeling bevoegd zou zijn.

5.
Zij die bevoegd zijn verdeling te vorderen, kunnen hun bevoegdheid
daartoe een of meer malen bij overeenkomst, telkens voor ten hoogste
vijf jaren, uitsluiten. De leden 3 en 4 van artikel 168 zijn op een
zodanige overeenkomst van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:179

1.
Indien verdeling van een gemeenschappelijk goed wordt gevorderd, kan
ieder der deelgenoten verlangen dat alle tot de gemeenschap behorende
goederen en de voor rekening van de gemeenschap komende schulden in
de verdeling worden begrepen, tenzij er gewichtige redenen zijn voor
een gedeeltelijke verdeling. Van de verdeling worden die goederen
uitgezonderd, die wegens een der in artikel 178 genoemde gronden
onverdeeld moeten blijven.

2. De
omstandigheid dat bij een verdeling een of meer goederen zijn
overgeslagen, heeft alleen ten gevolge dat daarvan een nadere
verdeling kan worden gevorderd.

3. Op
de toedeling van een schuld is afdeling 3 van titel 2 van Boek 6 van
toepassing.

Artikel 3:180

1.
Een schuldeiser die een opeisbare vordering op een deelgenoot
heeft, kan verdeling van de gemeenschap vorderen, doch niet verder
dan nodig is voor het verhaal van zijn vordering. Artikel 178 lid 3
is van toepassing.

2.
Heeft een schuldeiser een bevel tot verdeling van de gemeenschap
verkregen dan behoeft de verdeling zijn medewerking.

Artikel 3:181

1.
Voor het geval dat deelgenoten of zij wier medewerking vereist is,
niet medewerken tot een verdeling nadat deze bij rechterlijke
uitspraak is bevolen, benoemt de rechter die in eerste aanleg van de
vordering tot verdeling heeft kennis genomen, indien deze benoeming
niet reeds bij die uitspraak heeft plaatsgehad, op verzoek van de
meest gerede partij een onzijdig persoon die hen bij de verdeling
vertegenwoordigt en daarbij hun belangen naar eigen beste inzicht
behartigt. Hebben degenen die niet medewerken tegenstrijdige
belangen, dan wordt voor ieder van hen een onzijdig persoon benoemd.

2.
Een onzijdig persoon is verplicht hetgeen aan de door hem
vertegenwoordigde persoon ingevolge de verdeling toekomt, voor deze
in ontvangst te nemen en daarover tot de afgifte aan de rechthebbende
op de voet van artikel 410 van Boek 1 het bewind te voeren.

3. De
beloning die de onzijdige persoon ten laste van de rechthebbende
toekomt, wordt op zijn verzoek vastgesteld door de rechter die hem
benoemde.

Artikel 3:182

Als
een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle
deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken
en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der
gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De
handeling is niet een verdeling, indien zij strekt tot nakoming van
een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer
deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld
in de vorige zin.

Artikel 3:183

1. De
verdeling kan geschieden op de wijze en in de vorm die partijen
goeddunkt, mits de deelgenoten en zij wier medewerking vereist is,
allen het vrije beheer over hun goederen hebben en in persoon of bij
een door hen aangewezen vertegenwoordiger medewerken, dan wel in
geval van bewind over hun recht, worden vertegenwoordigd door de
bewindvoerder, voorzien van de daartoe vereiste toestemming of
machtiging.

2. In
andere gevallen moet, tenzij de rechter anders bepaalt, de verdeling
geschieden bij notariële akte en worden goedgekeurd door de
kantonrechter die bevoegd is de wettelijke vertegenwoordiger van
degene die het vrije beheer over zijn goederen mist, tot
beschikkingshandelingen te machtigen.

Artikel 3:184

1.
Ieder der deelgenoten kan bij een verdeling verlangen dat op het
aandeel van een andere deelgenoot wordt toegerekend hetgeen deze aan
de gemeenschap schuldig is. De toerekening geschiedt ongeacht de
gegoedheid van de schuldenaar. Is het een schuld onder tijdsbepaling,
dan wordt zij voor haar contante waarde op het tijdstip der verdeling
toegerekend.

2.
Het vorige lid is niet van toepassing op schulden onder een
opschortende voorwaarde die nog niet vervuld is.

Artikel 3:185

1.
Voor zover de deelgenoten en zij wier medewerking vereist is, over
een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, gelast op
vordering van de meest gerede partij de rechter de wijze van
verdeling of stelt hij zelf de verdeling vast, rekening houdende naar
billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen
belang.

2.
Als wijzen van verdeling komen daarbij in aanmerking:

a.
toedeling van een gedeelte van het goed aan ieder der deelgenoten;

b.
overbedeling van een of meer deelgenoten tegen vergoeding van de
overwaarde;

c.
verdeling van de netto-opbrengst van het goed of een gedeelte
daarvan, nadat dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn
verkocht.

3. Zo
nodig kan de rechter bepalen dat degene die overbedeeld wordt, de
overwaarde geheel of ten dele in termijnen mag voldoen. Hij kan
daaraan de voorwaarde verbinden dat zekerheid tot een door hem
bepaald bedrag en van een door hem bepaalde aard wordt gesteld.

Artikel 3:186

1.
Voor de overgang van het aan ieder der deelgenoten toegedeelde is een
levering vereist op dezelfde wijze als voor overdracht is
voorgeschreven.

2.
Hetgeen een deelgenoot verkrijgt, houdt hij onder dezelfde titel als
waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling
hielden.

Artikel 3:187

1. De
papieren en bewijzen van eigendom, tot de toegedeelde goederen
behorende, worden overgegeven aan hem, aan wie de goederen zijn
toegedeeld.

2.
Algemene boedelpapieren en stukken als bedoeld in lid 1, die
betrekking hebben op aan meer deelgenoten toegedeelde goederen,
verblijven bij hem die de meerderheid der betrokken deelgenoten
daartoe heeft benoemd, onder verplichting aan de overige deelgenoten
inzage, en zo iemand dit verlangt, afschriften of uittreksels op
diens kosten af te geven.

3.
Bij gebreke van een meerderheid als bedoeld in het vorige lid
geschiedt de daar bedoelde benoeming op verlangen van een deelgenoot
door de rechter die de verdeling vaststelt, of in andere gevallen op
verzoek van een deelgenoot door de kantonrechter. Tegen een
beslissing krachtens dit lid is geen hogere voorziening toegelaten.

Artikel 3:188

1.
Tenzij anders is overeengekomen, zijn deelgenoten verplicht in
evenredigheid van hun aandelen elkander de schade te vergoeden die
het gevolg is van een uitwinning of stoornis, voortgekomen uit een
vóór de verdeling ontstane oorzaak, alsmede, wanneer
een vordering voor het volle bedrag is toegedeeld, de schade die
voortvloeit uit onvoldoende gegoedheid van de schuldenaar op het
ogenblik van de verdeling.

2.
Wordt een deelgenoot door zijn eigen schuld uitgewonnen of gestoord,
dan zijn de overige deelgenoten niet verplicht tot vergoeding van
zijn schade.

3.
Een verplichting tot vergoeding van schade die voortvloeit uit
onvoldoende gegoedheid van de schuldenaar vervalt door verloop van
drie jaren na de verdeling en na het opeisbaar worden van de
toegedeelde vordering.

4.
Indien verhaal op een deelgenoot voor zijn aandeel in een krachtens
het eerste lid verschuldigde schadevergoeding onmogelijk blijkt,
wordt het aandeel van ieder der andere deelgenoten naar evenredigheid
verhoogd.

Afdeling
2. Enige bijzondere gemeenschappen

Artikel 3:189

1. De
bepalingen van deze titel gelden niet voor een huwelijksgemeenschap,
gemeenschap van een geregistreerd partnerschap, maatschap,
vennootschap of rederij, zolang zij niet ontbonden zijn, noch voor de
gemeenschap van een in appartementsrechten gesplitst gebouw, zolang
de splitsing niet is opgeheven.

2.
Voor de gemeenschap van een nalatenschap, voor een ontbonden
huwelijksgemeenschap, ontbonden gemeenschap van een geregistreerd
partnerschap, maatschap, vennootschap of rederij en voor de
gemeenschap van een gebouw waarvan de splitsing in
appartementsrechten is opgeheven, gelden de volgende bepalingen van
deze afdeling, alsmede die van de eerste afdeling, voor zover daarvan
in deze afdeling niet wordt afgeweken.

Artikel 3:190

1.
Een deelgenoot kan niet beschikken over zijn aandeel in een tot de
gemeenschap behorend goed afzonderlijk, en zijn schuldeisers kunnen
een zodanig aandeel niet uitwinnen, zonder toestemming van de overige
deelgenoten.

2.
Nochtans kan een deelgenoot op een zodanig aandeel ook zonder
toestemming van de andere deelgenoten een recht van pand of hypotheek
vestigen. Zolang het goed tot de gemeenschap behoort, kan de pand- of
hypotheekhouder niet tot verkoop overgaan, tenzij de overige
deelgenoten hierin toestemmen.

Artikel 3:191

1.
Tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders
voortvloeit, kan ieder der deelgenoten over zijn aandeel in de gehele
gemeenschap beschikken en kunnen zijn schuldeisers een zodanig
aandeel uitwinnen.

2.
Indien uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten voortvloeit dat
zij niet, tenzij met aller toestemming bevoegd zijn over hun aandeel
te beschikken, zijn de leden 3 en 4 van artikel 168 van
overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:192

Tot
de gemeenschap behorende schulden kunnen op de goederen van de
gemeenschap worden verhaald.

Artikel 3:193

1.
Een schuldeiser wiens vordering op de goederen der gemeenschap kan
worden verhaald, kan de rechter verzoeken een vereffenaar te benoemen
wanneer tot verdeling van de gemeenschap wordt overgegaan voordat de
opeisbare schulden daarvan zijn voldaan of wanneer voor hem het
gevaar bestaat dat hij niet ten volle of niet binnen een redelijke
tijd zal worden voldaan, hetzij omdat de gemeenschap niet toereikend
is of niet behoorlijk beheerd of afgewikkeld wordt, hetzij omdat een
schuldeiser zich op de goederen van de gemeenschap gaat verhalen.
Afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 betreffende de vereffening van een
nalatenschap is van toepassing of overeenkomstige toepassing.

2.
Ook een schuldeiser van een deelgenoot kan de rechter verzoeken een
vereffenaar te benoemen, wanneer zijn belangen door een gedraging van
de deelgenoten ernstig worden geschaad.

3.
Voor de ontbonden gemeenschap van een maatschap of vennootschap zijn
de leden 1 en 2 niet van toepassing en gelden de volgende zinnen. Een
schuldeiser wiens vordering op de goederen van de gemeenschap kan
worden verhaald, is bevoegd zich tegen verdeling van de gemeenschap
te verzetten. Een verdeling die na dit verzet is tot stand gekomen,
is vernietigbaar met dien verstande dat de vernietigingsgrond slechts
kan worden ingeroepen door de schuldeiser die zich verzette en dat
hij de verdeling slechts te zijnen behoeve kan vernietigen en niet
verder dan nodig is tot opheffing van de door hem ondervonden
benadeling.

Artikel 3:194

1.
Ieder der deelgenoten kan vorderen dat een verdeling aanvangt met een
boedelbeschrijving.

2.
Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen
verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in
die goederen aan de andere deelgenoten.

Afdeling
3. Nietige en vernietigbare verdelingen

Artikel 3:195

1.
Een verdeling waaraan niet alle deelgenoten en alle andere personen
wier medewerking vereist was, hebben deelgenomen, is nietig, tenzij
zij is geschied bij een notariële akte, in welk geval zij
slechts kan worden vernietigd op vordering van degene die niet aan de
verdeling heeft deelgenomen. Deze rechtsvordering verjaart door
verloop van één jaar nadat de verdeling te zijner
kennis gekomen is.

2.
Heeft aan een verdeling iemand deelgenomen die niet tot de
gemeenschap gerechtigd was, of is een deelgenoot bij de verdeling
opgekomen voor een groter aandeel dan hem toekwam, dan kan het ten
onrechte uitgekeerde ten behoeve van de gemeenschap worden
teruggevorderd; voor het overige blijft de verdeling van kracht.

Artikel 3:196

1.
Behalve op de algemene voor vernietiging van rechtshandelingen
geldende gronden is een verdeling ook vernietigbaar, wanneer een
deelgenoot omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen
en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde
gedeelte is benadeeld.

2.
Wanneer een benadeling voor meer dan een vierde is bewezen, wordt de
benadeelde vermoed omtrent de waarde van een of meer der te verdelen
goederen en schulden te hebben gedwaald.

3. Om
te beoordelen of benadeling heeft plaatsgehad, worden de goederen en
schulden der gemeenschap geschat naar hun waarde op het tijdstip van
de verdeling. Goederen en schulden die onverdeeld zijn gelaten worden
niet meegerekend.

4.
Een verdeling is niet op grond van dwaling omtrent de waarde van een
of meer der te verdelen goederen en schulden vernietigbaar, indien de
benadeelde de toedeling te zijnen bate of schade heeft aanvaard.

Artikel 3:197

De
bevoegdheid tot vernietiging van een verdeling uit hoofde van
benadeling vervalt, wanneer de andere deelgenoten aan de benadeelde
hetzij in geld, hetzij in natura opleggen hetgeen aan diens aandeel
ontbrak.

Artikel 3:198

Wordt
een beroep in rechte op vernietigbaarheid van een verdeling gedaan,
dan kan de rechter, onverminderd het in de artikelen 53 en 54
bepaalde, op verlangen van een der partijen de verdeling wijzigen, in
plaats van de vernietiging uit te spreken.

Artikel 3:199

Op
een verdeling zijn de artikelen 228-230 van Boek 6 niet van
toepassing.

Artikel 3:200

Een
rechtsvordering tot vernietiging van een verdeling vervalt door
verloop van drie jaren na de verdeling.

Titel
8. Vruchtgebruik

Artikel 3:201

Vruchtgebruik
geeft het recht om goederen die aan een ander toebehoren, te
gebruiken en daarvan de vruchten te genieten.

Artikel 3:202

Vruchtgebruik
ontstaat door vestiging of door verjaring.

Artikel 3:203

1.
Vruchtgebruik kan worden gevestigd ten behoeve van één
persoon, ofwel ten behoeve van twee of meer personen hetzij
gezamenlijk hetzij bij opvolging. In het laatste geval moeten ook de
later geroepenen op het ogenblik van de vestiging bestaan.

2.
Vruchtgebruik kan niet worden gevestigd voor langer dan het leven van
de vruchtgebruiker. Vruchtgebruik ten behoeve van twee of meer
personen wast bij het einde van het recht van een hunner bij dat van
de anderen aan, bij ieder in evenredigheid van zijn aandeel, en
eindigt eerst door het tenietgaan van het recht van de laatst
overgeblevene, tenzij anders is bepaald.

3. Is
de vruchtgebruiker een rechtspersoon, dan eindigt het vruchtgebruik
door ontbinding van de rechtspersoon, en in ieder geval na verloop
van dertig jaren na de dag van vestiging.

Artikel 3:204
Vervallen

Artikel 3:205

1.
Tenzij een bewind reeds tot een voldoende boedelbeschrijving heeft
geleid of daartoe verplicht, moet de vruchtgebruiker in
tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de hoofdgerechtigde
een notariële beschrijving van de goederen opmaken. De
beschrijving kan ondershands worden opgemaakt, indien de
hoofdgerechtigde tegenwoordig is en hoofdgerechtigde en
vruchtgebruiker een regeling hebben getroffen omtrent haar bewaring.

2.
Zowel de vruchtgebruiker als de hoofdgerechtigde hebben het recht om
in de beschrijving alle bijzonderheden te doen opnemen, die dienstig
zijn om de toestand waarin de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken
zich bevinden, te doen kennen.

3. De
hoofdgerechtigde is bevoegd de levering en afgifte van de aan het
vruchtgebruik onderworpen goederen op te schorten, indien de
vruchtgebruiker niet terzelfder tijd zijn verplichting tot
beschrijving nakomt.

4. De
vruchtgebruiker moet jaarlijks aan de hoofdgerechtigde een
ondertekende nauwkeurige opgave zenden van de goederen die niet meer
aanwezig zijn, van de goederen die daarvoor in de plaats zijn
gekomen, en van de voordelen die de goederen hebben opgeleverd en die
geen vruchten zijn.

5. De
vruchtgebruiker kan van de verplichtingen die ingevolge de voorgaande
leden op hem rusten, niet worden vrijgesteld.

6.
Tenzij anders is bepaald, komen de kosten van de beschrijving en van
de in lid 4, bedoelde jaarlijkse opgave ten laste van de
vruchtgebruiker.

Artikel 3:206

1. De
vruchtgebruiker moet voor de nakoming van zijn verplichtingen jegens
de hoofdgerechtigde zekerheid stellen, tenzij hij hiervan is
vrijgesteld of de belangen van de hoofdgerechtigde reeds voldoende
zijn beveiligd door de instelling van een bewind.

2. Is
de vruchtgebruiker van het stellen van zekerheid vrijgesteld, dan kan
de hoofdgerechtigde jaarlijks verlangen dat hem de aan het
vruchtgebruik onderworpen zaken worden getoond. Ten aanzien van
waardepapieren en gelden kan, behoudens bijzondere omstandigheden,
met overlegging van een verklaring van een geregistreerde
krediet-instelling worden volstaan.

Artikel 3:207

1.
Een vruchtgebruiker mag de aan het vruchtgebruik onderworpen
goederen gebruiken of verbruiken overeenkomstig de bij de vestiging
van het vruchtgebruik gestelde regels of, bij gebreke van zodanige
regels, met inachtneming van de aard van de goederen en de ten
aanzien van het gebruik of verbruik bestaande plaatselijke gewoonten.

2.
Een vruchtgebruiker is voorts bevoegd tot alle handelingen die tot
een goed beheer van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen
dienstig kunnen zijn. Tot alle overige handelingen ten aanzien van
die goederen zijn de hoofdgerechtigde en de vruchtgebruiker slechts
tezamen bevoegd.

3.
Jegens de hoofdgerechtigde is de vruchtgebruiker verplicht ten
aanzien van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen en het
beheer daarover de zorg van een goed vruchtgebruiker in acht te
nemen.

Artikel 3:208

1.
Van zaken die aan het vruchtgebruik zijn onderworpen, mag de
vruchtgebruiker de bestemming die deze bij de aanvang van het
vruchtgebruik hadden, niet veranderen zonder toestemming van de
hoofdgerechtigde of machtiging van de kantonrechter.

2.
Tenzij in de akte van vestiging anders is bepaald, is de
vruchtgebruiker van een zaak, zowel tijdens de duur van zijn recht
als bij het einde daarvan, bevoegd om aan de zaak aangebrachte
veranderingen en toevoegingen weg te nemen, mits hij de zaak in de
oude toestand terugbrengt.

Artikel 3:209

1. De
vruchtgebruiker is verplicht het voorwerp van zijn vruchtgebruik ten
behoeve van de hoofdgerechtigde te verzekeren tegen die gevaren,
waartegen het gebruikelijk is een verzekering te sluiten. In ieder
geval is de vruchtgebruiker, indien een gebouw aan zijn vruchtgebruik
is onderworpen, verplicht dit tegen brand te verzekeren.

2.
Voor zover de vruchtgebruiker aan de in het eerste lid omschreven
verplichtingen niet voldoet, is de hoofdgerechtigde bevoegd zelf een
verzekering te nemen en is de vruchtgebruiker verplicht hem de kosten
daarvan te vergoeden.

Artikel 3:210

1.
Tenzij bij de vestiging anders is bepaald, is de vruchtgebruiker
bevoegd in en buiten rechte nakoming te eisen van aan het
vruchtgebruik onderworpen vorderingen en tot het in ontvangst nemen
van betalingen.

2.
Tenzij bij de vestiging anders is bepaald, is hij tot ontbinding en
opzegging van overeenkomsten slechts bevoegd, wanneer dit tot een
goed beheer dienstig kan zijn.

3. De
hoofdgerechtigde is slechts bevoegd de in de vorige leden genoemde
bevoegdheden uit te oefenen, indien hij daartoe toestemming van de
vruchtgebruiker of machtiging van de kantonrechter heeft gekregen.
Tegen de machtiging van de kantonrechter krachtens dit lid is geen
hogere voorziening toegelaten.

Artikel 3:211

1.
Ook wanneer bij de beschrijving of in een jaarlijkse opgave een of
meer goederen die aan het vruchtgebruik onderworpen zijn, slechts
naar hun soort zijn aangeduid, behoudt de hoofdgerechtigde daarop
zijn recht.

2. De
vruchtgebruiker is verplicht zodanige goederen afgescheiden van zijn
overig vermogen te houden.

Artikel 3:212

1.
Voor zover de aan een vruchtgebruik onderworpen goederen bestemd zijn
om vervreemd te worden, is de vruchtgebruiker tot vervreemding
overeenkomstig hun bestemming bevoegd.

2.
Bij de vestiging van het vruchtgebruik kan aan de vruchtgebruiker de
bevoegdheid worden gegeven ook over andere dan de in het vorige lid
genoemde goederen te beschikken. Ten aanzien van deze goederen vinden
de artikelen 208, 210 lid 2 en 217 lid 2, en 3, tweede zin, en lid 4,
geen toepassing.

3. In
andere gevallen mag een vruchtgebruiker slechts vervreemden of
bezwaren met toestemming van de hoofdgerechtigde of machtiging van de
kantonrechter. De machtiging wordt alleen gegeven, wanneer het belang
van de vruchtgebruiker of de hoofdgerechtigde door de vervreemding of
bezwaring wordt gediend en het belang van de ander daardoor niet
wordt geschaad.

Artikel 3:213

1.
Hetgeen in de plaats van aan vruchtgebruik onderworpen goederen
treedt doordat daarover bevoegdelijk wordt beschikt, behoort aan de
hoofdgerechtigde toe en is eveneens aan het vruchtgebruik
onderworpen. Hetzelfde is het geval met hetgeen door inning van aan
vruchtgebruik onderworpen vorderingen wordt ontvangen, en met
vorderingen tot vergoeding die in de plaats van aan vruchtgebruik
onderworpen goederen treden, waaronder begrepen vorderingen ter zake
van waardevermindering van die goederen.

2.
Ook zijn aan het vruchtgebruik onderworpen de voordelen die een goed
tijdens het vruchtgebruik oplevert en die geen vruchten zijn.

Artikel 3:214

1.
Tenzij bij de vestiging anders is bepaald, moeten gelden die tot het
vruchtgebruik behoren, in overleg met de hoofdgerechtigde
vruchtdragend belegd of in het belang van de overige aan het
vruchtgebruik onderworpen goederen besteed worden.

2. In
geval van geschil omtrent hetgeen ten aanzien van de in het eerste
lid bedoelde gelden dient te geschieden, beslist daaromtrent de
persoon die bij de vestiging van het vruchtgebruik daartoe is
aangewezen, of bij gebreke van een zodanige aanwijzing, de
kantonrechter. Tegen een beschikking van de kantonrechter krachtens
dit lid is geen hogere voorziening toegelaten.

Artikel 3:215

1. Is
bij de vestiging van een vruchtgebruik of daarna aan de
vruchtgebruiker de bevoegdheid gegeven tot gehele of gedeeltelijke
vervreemding en vertering van aan het vruchtgebruik onderworpen
goederen, dan kan de hoofdgerechtigde bij het einde van het
vruchtgebruik afgifte vorderen van de in vruchtgebruik gegeven
goederen of hetgeen daarvoor in de plaats getreden is, voor zover de
vruchtgebruiker of zijn rechtverkrijgenden niet bewijzen dat die
goederen verteerd of door toeval tenietgegaan zijn.

2.
Bij verlening van de bevoegdheid tot vervreemding en vertering kunnen
een of meer personen worden aangewezen, wier toestemming voor de
vervreemding en voor de vertering nodig is. Staat het vruchtgebruik
onder bewind, dan zijn de vervreemding en de vertering van de
medewerking van de bewindvoerder afhankelijk.

3. Is
aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid tot vervreemding en vertering
verleend, dan mag hij de goederen ook voor gebruikelijke kleine
geschenken bestemmen.

Artikel 3:216

De
vruchtgebruiker komen alle vruchten toe, die tijdens het
vruchtgebruik afgescheiden of opeisbaar worden. Bij de vestiging van
het vruchtgebruik kan nader worden bepaald wat met betrekking tot het
vruchtgebruik als vrucht moet worden beschouwd.

Artikel 3:217

1. De
vruchtgebruiker is bevoegd de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken
te verhuren of te verpachten, voor zover bij de vestiging van het
vruchtgebruik niet anders is bepaald.

2.
Indien bij de vestiging van het vruchtgebruik een onroerende zaak
niet verhuurd of verpacht was, kan de vruchtgebruiker niet verhuren
of verpachten zonder toestemming van de hoofdgerechtigde of
machtiging van de kantonrechter, tenzij de bevoegdheid daartoe hem
bij de vestiging van het vruchtgebruik is toegekend.

3. Na
het einde van het vruchtgebruik is de hoofdgerechtigde verplicht een
bevoegdelijk aangegane huur of verpachting gestand te doen. Hij kan
nochtans gestanddoening weigeren, voor zover zonder zijn toestemming
hetzij de overeengekomen tijdsduur van de huur langer is dan met het
plaatselijk gebruik overeenstemt of bedrijfsruimte in de zin van de
zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 is verhuurd voor een langere
tijd dan vijf jaren, hetzij de verpachting is geschied voor een
langere duur dan twaalf jaren voor hoeven en zes jaren voor los land,
hetzij de verhuring of verpachting is geschied op ongewone, voor hem
bezwarende voorwaarden.

4. De
hoofdgerechtigde verliest de bevoegdheid gestanddoening te weigeren,
wanneer de huurder of pachter hem een redelijke termijn heeft gesteld
om zich omtrent de gestanddoening te verklaren en hij zich niet
binnen deze termijn heeft uitgesproken.

5.
Indien de hoofdgerechtigde volgens de vorige leden niet verplicht is
tot gestanddoening van een door de vruchtgebruiker aangegane
verhuring van woonruimte waarin de huurder bij het eindigen van het
vruchtgebruik zijn hoofdverblijf heeft en waarop de artikelen 271 tot
en met 277 van Boek 7 van toepassing zijn, moet hij de
huurovereenkomst niettemin met de huurder voortzetten met dien
verstande dat artikel 269 lid 2 van Boek 7, van overeenkomstige
toepassing is.

Artikel 3:218

Tot
het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van
verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak die
zowel het recht van de vruchtgebruiker als dat van de
hoofdgerechtigde betreft, is ieder van hen bevoegd, mits hij zorg
draagt dat de ander tijdig in het geding wordt geroepen.

Artikel 3:219

Buiten
de gevallen, geregeld in de artikelen 88 en 197 van Boek 2, en
artikel 123 van Boek 5 blijft de uitoefening van stemrecht, verbonden
aan een goed dat aan vruchtgebruik is onderworpen, de
hoofdgerechtigde toekomen, tenzij bij de vestiging van het
vruchtgebruik anders is bepaald. Bij een vruchtgebruik als bedoeld in
de artikelen 19 en 21 van Boek 4 komt het stemrecht eveneens aan de
vruchtgebruiker toe, tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik
door partijen of door de kantonrechter op de voet van artikel 23 lid
4 van Boek 4 anders wordt bepaald.

Artikel 3:220

1.
Gewone lasten en herstellingen worden door de vruchtgebruiker
gedragen en verricht. De vruchtgebruiker is verplicht, wanneer
buitengewone herstellingen nodig zijn, aan de hoofdgerechtigde van
deze noodzakelijkheid kennis te geven en hem gelegenheid te
verschaffen tot het doen van deze herstellingen. De hoofdgerechtigde
is niet tot het doen van enige herstelling verplicht.

2.
Nochtans is een hoofdgerechtigde, aan wie tengevolge van een
beperking in het genot van de vruchtgebruiker een deel van de
vruchten toekomt, verplicht naar evenredigheid bij te dragen in de
lasten en kosten, die volgens het voorgaande lid ten laste van de
vruchtgebruiker komen.

Artikel 3:221

1.
Indien de vruchtgebruiker in ernstige mate tekortschiet in de
nakoming van zijn verplichtingen, kan de rechtbank op vordering van
de hoofdgerechtigde aan deze het beheer toekennen of het
vruchtgebruik onder bewind stellen.

2. De
rechtbank kan hangende het geding het vruchtgebruik bij voorraad
onder bewind stellen.

3.
De rechtbank kan voor het bewind of beheer zodanige voorschriften
geven als zij dienstig acht. Op het bewind zijn voor het overige de
artikelen 154, 157 tot en met 166, 168, 170, 172, 173, 174 en 177 lid
1 van Boek 4 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
de kantonrechter de in artikel 159 van Boek 4 bedoelde beloning ook
op grond van bijzondere omstandigheden anders kan regelen, alsmede
dat hij de in artikel 160 van Boek 4 bedoelde zekerheidstelling te
allen tijde kan bevelen. Het bewind kan door een gezamenlijk besluit
van de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde of op verzoek van een
hunner door de rechtbank worden opgeheven.

Artikel 3:222

1.
Wanneer een nalatenschap, onderneming of soortgelijke algemeenheid in
vruchtgebruik is gegeven, kan de hoofdgerechtigde van de
vruchtgebruiker verlangen dat de tot die algemeenheid behorende
schulden uit de tot het vruchtgebruik behorende goederen worden
voldaan of, voor zover de hoofdgerechtigde deze schulden uit eigen
middelen heeft voldaan, dat hem het betaalde, vermeerderd met rente
van de dag der betaling af, uit het vruchtgebruik wordt teruggegeven.
Voldoet de vruchtgebruiker een schuld uit eigen vermogen, dan behoeft
de hoofdgerechtigde hem het voorgeschotene eerst bij het einde van
het vruchtgebruik terug te geven.

2.
Het in het voorgaande lid bepaalde vindt overeenkomstige toepassing,
wanneer het vruchtgebruik is gevestigd op bepaalde goederen en daarop
buitengewone lasten drukken.

Artikel 3:223

Een
vruchtgebruiker kan zijn recht overdragen of bezwaren zonder dat
daardoor de duur van het recht gewijzigd wordt. Naast de verkrijger
is de oorspronkelijke vruchtgebruiker hoofdelijk voor alle uit het
vruchtgebruik voortspruitende verplichtingen jegens de
hoofdgerechtigde aansprakelijk. Is aan de oorspronkelijke
vruchtgebruiker bij de vestiging van het vruchtgebruik een grotere
bevoegdheid tot vervreemding, verbruik of vertering gegeven dan de
wet aan de vruchtgebruiker toekent, dan komt die ruimere bevoegdheid
niet aan de latere verkrijgers van het vruchtgebruik toe.

Artikel 3:224

Indien
een vruchtgebruiker uit hoofde van de aan het vruchtgebruik verbonden
lasten en verplichtingen op zijn kosten afstand van zijn recht wil
doen, is de hoofdgerechtigde gehouden hieraan mede te werken.

Artikel 3:225

Na
het eindigen van het vruchtgebruik rust op de vruchtgebruiker of zijn
rechtverkrijgenden de verplichting de goederen ter beschikking van de
hoofdgerechtigde te stellen.

Artikel 3:226

1. Op
een recht van gebruik en een recht van bewoning vinden de regels
betreffende vruchtgebruik overeenkomstige toepassing, behoudens de
navolgende bepalingen.

2.
Indien enkel het recht van gebruik is verleend, heeft de
rechthebbende de bevoegdheid de aan zijn recht onderworpen zaken te
gebruiken en er de vruchten van te genieten, die hij voor zich en
zijn gezin behoeft.

3.
Indien enkel het recht van bewoning is verleend, heeft de
rechthebbende de bevoegdheid de aan zijn recht onderworpen woning met
zijn gezin te bewonen.

4.
Hij die een der in dit artikel omschreven rechten heeft, kan zijn
recht niet vervreemden of bezwaren, noch de zaak door een ander laten
gebruiken of de woning door een ander laten bewonen.

Titel
9. Rechten van pand en hypotheek

Afdeling
1. Algemene bepalingen

Artikel 3:227

1.
Het recht van pand en het recht van hypotheek zijn beperkte rechten,
strekkende om op de daaraan onderworpen goederen een vordering tot
voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te
verhalen. Is het recht op een registergoed gevestigd, dan is het een
recht van hypotheek; is het recht op een ander goed gevestigd, dan is
het een recht van pand.

2.
Een recht van pand of hypotheek op een zaak strekt zich uit over al
hetgeen de eigendom van de zaak omvat.

Artikel 3:228

Op
alle goederen die voor overdracht vatbaar zijn, kan een recht van
pand hetzij van hypotheek worden gevestigd.

Artikel 3:229

1.
Het recht van pand of hypotheek brengt van rechtswege mee een recht
van pand op alle vorderingen tot vergoeding die in de plaats van het
verbonden goed treden, waaronder begrepen vorderingen ter zake van
waardevermindering van het goed.

2.
Dit pandrecht gaat boven ieder op de vordering gevestigd ander
pandrecht.

Artikel 3:230

Een
recht van pand of hypotheek is ondeelbaar, zelfs dan wanneer de
verbintenis waarvoor het recht is gevestigd, twee of meer
schuldeisers of schuldenaars heeft en de verbintenis tussen hen wordt
verdeeld.

Artikel 3:231

1.
Een recht van pand of hypotheek kan zowel voor een bestaande als voor
een toekomstige vordering worden gevestigd. De vordering kan op naam,
aan order of aan toonder luiden. Zij kan zowel een vordering op de
pand- of hypotheekgever zelf als een vordering op een ander zijn.

2. De
vordering waarvoor pand of hypotheek wordt gegeven, moet voldoende
bepaalbaar zijn.

Artikel 3:233

1. De
pand- of hypotheekgever die niet tevens de schuldenaar is, is
aansprakelijk voor waardevermindering van het goed, voor zover de
waarborg van de schuldeiser daardoor in gevaar wordt gebracht en
daarvan aan de pand- of hypotheekgever of aan een persoon waarvoor
deze aansprakelijk is, een verwijt kan worden gemaakt.

2.
Door hem ten behoeve van het goed anders dan tot onderhoud daarvan
gemaakte kosten kan hij van de pand- of hypotheekhouder
terugvorderen, doch slechts indien deze zich op het goed heeft
verhaald en voor zover genoemde kosten tot een hogere opbrengst van
het goed te diens bate hebben geleid.

Artikel 3:234

1.
Indien voor een zelfde vordering zowel goederen van de schuldenaar
als van een derde zijn verpand of verhypothekeerd, kan de derde,
wanneer de schuldeiser tot executie overgaat, verlangen dat die van
de schuldenaar mede in de verkoop worden begrepen en het eerst worden
verkocht.

2.
Zijn voor een zelfde vordering twee of meer goederen verpand of
verhypothekeerd en rust op een daarvan een beperkt recht dat de
schuldeiser bij de executie niet behoeft te eerbiedigen, dan heeft de
beperkt gerechtigde een overeenkomstige bevoegdheid als in het eerste
lid is vermeld.

3.
Indien de schuldeiser weigert aan een op lid 1 of lid 2 gegrond
verlangen te voldoen, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op
verzoek van de meest gerede partij of, in geval van een hypotheek,
van de notaris ten overstaan van wie de verkoop zal geschieden, op
deze weigering beslissen. Het verzoek schorst de executie. Tegen een
beschikking krachtens dit lid is geen hogere voorziening toegelaten.

Artikel 3:235

Elk
beding waarbij de pand- of hypotheekhouder de bevoegdheid wordt
gegeven zich het verbonden goed toe te eigenen, is nietig.

Afdeling
2. Pandrecht

Artikel 3:236

1.
Pandrecht op een roerende zaak, op een recht aan toonder of order, of
op het vruchtgebruik van een zodanige zaak of recht, wordt gevestigd
door de zaak of het toonder- of orderpapier te brengen in de macht
van de pandhouder of van een derde omtrent wie partijen zijn
overeengekomen. De vestiging van een pandrecht op een recht aan order
of op het vruchtgebruik daarvan vereist tevens endossement.

2. Op
andere goederen wordt pandrecht gevestigd op overeenkomstige wijze
als voor de levering van het te verpanden goed is bepaald.

Artikel 3:237

1.
Pandrecht op een roerende zaak, op een recht aan toonder, of op het
vruchtgebruik van een zodanige zaak of recht, kan ook worden
gevestigd bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder
dat de zaak of het toonderpapier wordt gebracht in de macht van de
pandhouder of van een derde.

2. De
pandgever is verplicht in de akte te verklaren dat hij tot het
verpanden van het goed bevoegd is alsmede hetzij dat op het goed geen
beperkte rechten rusten, hetzij welke rechten daarop rusten.

3.
Wanneer de pandgever of de schuldenaar in zijn verplichtingen jegens
de pandhouder tekortschiet of hem goede grond geeft te vrezen dat in
die verplichtingen zal worden tekortgeschoten, is deze bevoegd te
vorderen dat de zaak of het toonderpapier in zijn macht of in die van
een derde wordt gebracht. Rusten op het goed meer pandrechten, dan
kan iedere pandhouder jegens wie de pandgever of de schuldenaar
tekortschiet, deze bevoegdheid uitoefenen, met dien verstande dat een
andere dan de hoogst gerangschikte slechts afgifte kan vorderen aan
een tussen de gezamenlijke pandhouders overeengekomen of door de
rechter aan te wijzen pandhouder of derde.

4.
Wanneer de pandgever of de schuldenaar in zijn verplichtingen jegens
de pandhouder die een bij voorbaat gevestigd pandrecht op te velde
staande vruchten of beplantingen heeft, tekortschiet, kan de
kantonrechter de pandhouder op diens verzoek machtigen zelf de te
velde staande vruchten of beplantingen in te oogsten. Is de pandgever
eigenaar van de grond of ontleent hij zijn recht op de vruchten of
beplantingen aan een beperkt recht op de grond, dan kan de
beschikking waarbij het verzoek wordt toegewezen, worden ingeschreven
in de openbare registers.

5.
Tegen een beschikking krachtens het vorige lid is geen hogere
voorziening toegelaten.

Artikel 3:238

1.
Ondanks onbevoegdheid van de pandgever is de vestiging van een
pandrecht op een roerende zaak, op een recht aan toonder of order of
op het vruchtgebruik van een zodanige zaak of recht geldig, indien de
pandhouder te goeder trouw is op het tijdstip waarop de zaak of het
toonder- of geëndosseerde orderpapier in zijn macht of in die
van een derde is gebracht.

2.
Rust op een in lid 1 genoemd goed een beperkt recht dat de pandhouder
op het in dat lid bedoelde tijdstip kent noch behoort te kennen, dan
gaat het pandrecht in rang boven dit beperkte recht.

3.
Wordt het pandrecht gevestigd op een roerende zaak waarvan de
eigenaar het bezit door diefstal heeft verloren, of op een
vruchtgebruik op een zodanige zaak, dan zijn lid 3, aanhef en onder
b, en lid 4 van artikel 86 van overeenkomstige toepassing.

4.
Dit artikel kan niet worden tegengeworpen aan degene die de zaak
opeist, indien volgens artikel 86a leden 1 en 2 ook artikel 86 niet
aan hem tegengeworpen zou kunnen worden.

Artikel 3:239

1.
Pandrecht op een tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen
recht dat niet aan toonder of order luidt, of op het vruchtgebruik
van een zodanig recht kan ook worden gevestigd bij authentieke of
geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan die
personen, mits dit recht op het tijdstip van de vestiging van het
pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een
dan reeds bestaande rechtsverhouding.

2.
Het tweede lid van artikel 237 is van overeenkomstige toepassing.

3.
Wanneer de pandgever of de schuldenaar in zijn verplichtingen jegens
de pandhouder tekortschiet of hem goede grond geeft te vrezen dat in
die verplichtingen zal worden tekortgeschoten, is deze bevoegd van de
verpanding mededeling te doen aan de in het eerste lid genoemde
personen. Pandhouder en pandgever kunnen overeenkomen dat deze
bevoegdheid op een ander tijdstip ingaat.

4.
Artikel 88 geldt slechts voor de pandhouder wiens recht
overeenkomstig lid 1 is gevestigd, indien hij te goeder trouw is op
het tijdstip van de in lid 3 bedoelde mededeling.

Artikel 3:240

Pandrecht
op een aandeel in een goed wordt gevestigd op overeenkomstige wijze
en met overeenkomstige gevolgen als voorgeschreven ten aanzien van de
vestiging van pandrecht op dat goed.

Artikel 3:241

De
pandhouder is verplicht desgevorderd aan de pandgever een
schriftelijke verklaring af te geven van de aard en, voor zover
mogelijk, het bedrag van de vordering waarvoor het verpande tot
zekerheid strekt.

Artikel 3:242

Een
pandhouder is niet bevoegd het goed dat hij in pand heeft, te
herverpanden, tenzij deze bevoegdheid hem ondubbelzinnig is
toegekend.

Artikel 3:243

1.
Hij die uit hoofde van een pandrecht een zaak onder zich heeft, moet
als een goed pandhouder voor de zaak zorgdragen.

2.
Door een pandhouder betaalde kosten tot behoud en tot onderhoud, met
inbegrip van door hem betaalde aan het goed verbonden lasten, moeten
hem door de pandgever worden terugbetaald; het pandrecht strekt mede
tot zekerheid daarvoor. Andere door hem ten behoeve van het pand
gemaakte kosten kan hij van de pandgever slechts terugvorderen,
indien hij ze met diens toestemming heeft gemaakt, onverminderd diens
aansprakelijkheid uit zaakwaarneming of ongerechtvaardigde
verrijking.

Artikel 3:244

Tenzij
anders is bedongen, strekt een pandrecht tot zekerheid van een of
meer bepaalde vorderingen tevens tot zekerheid voor drie jaren rente
die over deze vorderingen krachtens overeenkomst of wet verschuldigd
is.

Artikel 3:245

Tot
het instellen van rechtsvorderingen tegen derden ter bescherming van
het verpande goed is zowel de pandhouder als de pandgever bevoegd,
mits hij zorg draagt dat de ander tijdig in het geding wordt
geroepen.

Artikel 3:246

1.
Rust het pandrecht op een vordering, dan is de pandhouder bevoegd in
en buiten rechte nakoming daarvan te eisen en betalingen in ontvangst
te nemen. Deze bevoegdheden blijven bij de pandgever, zolang het
pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld.

2.
Degene aan wie de in lid 1 bedoelde bevoegdheden toekomen, is tevens
bevoegd tot opzegging, wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar
door opzegging opeisbaar gemaakt kan worden. Hij is jegens de ander
gehouden niet nodeloos van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3.
Rust op de vordering meer dan één pandrecht, dan komen
de in de vorige leden aan de pandhouder toegekende bevoegdheden
alleen aan de hoogst gerangschikte pandhouder toe.

4. Na
mededeling van de verpanding aan de schuldenaar kan de pandgever deze
bevoegdheden slechts uitoefenen, indien hij daartoe toestemming van
de pandhouder of machtiging van de kantonrechter heeft verkregen.

5.
Bij inning van een verpande vordering door de pandhouder of met
machtiging van de kantonrechter door de pandgever komen de
pandrechten waarmee de vordering bezwaard was, op het geïnde te
rusten.

Artikel 3:247

Buiten
de gevallen, geregeld in de artikelen 89 en 198 van Boek 2, blijft de
uitoefening van stemrecht, verbonden aan een goed waarop een
pandrecht rust, de pandgever toekomen, tenzij anders is bedongen.

Artikel 3:248

1.
Wanneer de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen
waarvoor het pand tot waarborg strekt, is de pandhouder bevoegd het
verpande goed te verkopen en het hem verschuldigde op de opbrengst te
verhalen.

2.
Partijen kunnen bedingen dat eerst tot verkoop kan worden overgegaan,
nadat de rechter op vordering van de pandhouder heeft vastgesteld dat
de schuldenaar in verzuim is.

3.
Een lager gerangschikte pandhouder of beslaglegger kan het verpande
goed slechts verkopen met handhaving van de hoger gerangschikte
pandrechten.

Artikel 3:249

1.
Tenzij anders is bedongen, is een pandhouder die tot verkoop wil
overgaan verplicht, voor zover hem dit redelijkerwijze mogelijk is,
ten minste drie dagen tevoren de voorgenomen verkoop met vermelding
van plaats en tijd op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
wijze mede te delen aan de schuldenaar en de pandgever, alsmede aan
hen die op het goed een beperkt recht hebben of daarop beslag hebben
gelegd.

2. De
aanzegging moet zo nauwkeurig mogelijk de som aangeven, waarvoor het
pand kan worden gelost. Lossing kan tot op het tijdstip van de
verkoop plaatsvinden, mits ook de reeds gemaakte kosten van executie
worden voldaan.

Artikel 3:250

1. De
verkoop geschiedt in het openbaar naar de plaatselijke gewoonten en
op de gebruikelijke voorwaarden.

2.
Bestaat het pand uit goederen die op een markt of beurs verhandelbaar
zijn, dan kan de verkoop geschieden op een markt door tussenkomst van
een tussenpersoon in het vak of ter beurze door die van een bevoegde
tussenpersoon overeenkomstig de regels en gebruiken die aldaar voor
een gewone verkoop gelden.

3. De
pandhouder is bevoegd mede te bieden.

Artikel 3:251

1.
Tenzij anders is bedongen, kan de voorzieningenrechter van de
rechtbank op verzoek van de pandhouder of de pandgever bepalen dat
het pand zal worden verkocht op een van het vorige artikel afwijkende
wijze, of op verzoek van de pandhouder bepalen dat het pand voor een
door de voorzieningenrechter van de rechtbank vast te stellen bedrag
aan de pandhouder als koper zal verblijven.

2.
Nadat de pandhouder bevoegd is geworden tot verkoop over te gaan,
kunnen pandhouder en pandgever een van het vorige artikel afwijkende
wijze van verkoop overeenkomen. Rust op het verpande goed een beperkt
recht of een beslag, dan is daartoe tevens de medewerking van de
beperkt gerechtigde of de beslaglegger vereist.

Artikel 3:252

Tenzij
anders is bedongen, is de pandhouder verplicht, voor zover hem dit
redelijkerwijze mogelijk is, uiterlijk op de dag volgende op die van
de verkoop daarvan op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
wijze kennis te geven aan de schuldenaar en de pandgever, alsmede aan
hen die op het goed een beperkt recht hebben of daarop beslag hebben
gelegd.

Artikel 3:253

1. De
pandhouder houdt, na voldoening van de kosten van executie, van de
netto-opbrengst af het aan hem verschuldigde bedrag waarvoor hij
pandrecht heeft. Het overschot wordt aan de pandgever uitgekeerd.
Zijn er pandhouders of andere beperkt gerechtigden, wier recht op het
goed door de executie is vervallen, of hebben schuldeisers op het
goed of op de opbrengst beslag gelegd, dan handelt de pandhouder
overeenkomstig het bepaalde in artikel 490b van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering.

2. De
pandhouder kan de door hem aan de voormelde belanghebbenden uit te
keren bedragen niet voldoen door verrekening, tenzij het een
uitkering aan de pandgever betreft en deze uitkering niet plaats
vindt gedurende diens faillissement, surséance, de toepassing
ten aanzien van hem van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen of de vereffening van zijn nalatenschap. Is ten aanzien van
de pandgever de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing, dan kan niettemin een uitkering aan de pandgever door
verrekening worden voldaan indien het pandrecht is gevestigd na de
uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling en zowel
de vordering als de schuld na die uitspraak zijn ontstaan.

Artikel 3:254

1.
Wanneer op roerende zaken die volgens verkeersopvatting bestemd zijn
om een bepaalde onroerende zaak duurzaam te dienen en door hun vorm
als zodanig zijn te herkennen, of op machinerieën of werktuigen
die bestemd zijn om daarmede een bedrijf in een bepaalde hiertoe
ingerichte fabriek of werkplaats uit te oefenen, overeenkomstig
artikel 237 een pandrecht is gevestigd voor een vordering waarvoor
ook hypotheek gevestigd is op die onroerende zaak, fabriek of
werkplaats of op een daarop rustend beperkt recht, kan worden
bedongen, dat de schuldeiser bevoegd is de verpande en
verhypothekeerde goederen tezamen volgens de voor hypotheek geldende
regels te executeren.

2.
Executeert de schuldeiser overeenkomstig het beding, dan zijn de
artikelen 268-273 op het pandrecht van overeenkomstige toepassing en
is de toepasselijkheid van de artikelen 248-253 uitgesloten.

3.
Het beding kan, onder vermelding van de pandrechten waarop het
betrekking heeft, worden ingeschreven in de registers waarin de
hypotheek is ingeschreven.

Artikel 3:255

1.
Bestaat het pand uit geld dan is de pandhouder, zodra zijn vordering
opeisbaar is geworden, zonder voorafgaande aanzegging bevoegd zich
uit het pand te voldoen overeenkomstig artikel 253. Hij
is daartoe verplicht, indien de pandgever zulks vordert en deze
bevoegd is de vordering in de verpande valuta te voldoen.

2.
Artikel 252 vindt overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:256

Wanneer
een pandrecht is tenietgegaan, is de pandhouder verplicht te
verrichten hetgeen zijnerzijds nodig is opdat de pandgever de hem
toekomende feitelijke macht over het goed herkrijgt, en desverlangd
aan de pandgever een schriftelijk bewijs te verstrekken dat het
pandrecht geëindigd is. Is de vordering waarvoor het pandrecht
tot zekerheid strekte met een beperkt recht bezwaard, dan rust een
overeenkomstige verplichting op de beperkt gerechtigde.

Artikel 3:257

Indien
degene die uit hoofde van een pandrecht een zaak onder zich heeft, in
ernstige mate in de zorg voor de zaak tekortschiet, kan de rechtbank
op vordering van de pandgever of een pandhouder bevelen dat de zaak
aan een van hen wordt afgegeven of in gerechtelijke bewaring van een
derde wordt gesteld.

Artikel 3:258

1.
Wanneer een in pand gegeven goed als bedoeld in artikel 236 lid 1 in
de macht van de pandgever komt, eindigt het pandrecht, tenzij het met
toepassing van artikel 237 lid 1 werd gevestigd.

2.
Afstand van een pandrecht kan geschieden bij enkele overeenkomst,
mits van de toestemming van de pandhouder uit een schriftelijke of
elektronische verklaring blijkt. Indien van de toestemming uit een
elektronische verklaring blijkt, is artikel 227a lid 1 van Boek 6 van
overeenkomstige toepassing.

Afdeling
3. Pandrecht van certificaathouders

Artikel 3:259

1.
Wanneer iemand door het uitgeven van certificaten derden doet delen
in de opbrengst van door hem op eigen naam verkregen aandelen of
schuldvorderingen, hebben de certificaathouders een vordering tot
uitkering van het hun toegezegde tegen de uitgever van de
certificaten.

2.
Zijn de oorspronkelijke aandelen of schuldvorderingen op naam gesteld
en de certificaten uitgegeven met medewerking van de uitgever van de
oorspronkelijke aandelen of schuldvorderingen, dan verkrijgen de
certificaathouders tevens gezamenlijk een pandrecht op die aandelen
of schuldvorderingen. Zijn de certificaten uitgegeven voor
schuldvorderingen op naam zonder medewerking van de schuldenaar, dan
verkrijgen de certificaathouders een zodanig pandrecht door
mededeling van de uitgifte aan de schuldenaar. Zijn de certificaten
uitgegeven voor aandelen of schuldvorderingen aan toonder, dan
verkrijgen de certificaathouders een zodanig pandrecht, zonder dat
het papier in de macht van de certificaathouders of een derde behoeft
te worden gebracht.

3.
Dit pandrecht geeft aan de certificaathouders alleen de bevoegdheid
in geval van niet-uitbetaling van het hun verschuldigde met
inachtneming van de volgende regels het pand geheel of gedeeltelijk
te doen verkopen en zich uit de opbrengst te voldoen. Een
certificaathouder die hiertoe wenst over te gaan, wendt zich tot de
voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin
de woonplaats van degene die de certificaten heeft uitgegeven, is
gelegen met verzoek een bewindvoerder over het pand te benoemen, die
voor de verkoop en de verdeling van de opbrengst zorg draagt. Indien
niet alle certificaathouders met de verkoop instemmen, wordt slechts
een deel van het pand dat overeenkomt met het recht van de andere
certificaathouders verkocht; de rechten van deze laatsten gaan door
de verdeling van de opbrengst onder hen teniet. De
voorzieningenrechter kan op verlangen van elke certificaathouder of
ambtshalve maatregelen bevelen in het belang van de
certificaathouders die niet met de verkoop hebben ingestemd, en
bepalen dat de verkoop door hem moet worden goedgekeurd, wil zij
geldig zijn.

Afdeling
4. Recht van hypotheek

Artikel 3:260

1.
Hypotheek wordt gevestigd door een tussen partijen opgemaakte
notariële akte waarbij de hypotheekgever aan de hypotheekhouder
hypotheek op een registergoed verleent, gevolgd door haar
inschrijving in de daartoe bestemde openbare registers. De akte moet
een aanduiding bevatten van de vordering waarvoor de hypotheek tot
zekerheid strekt, of van de feiten aan de hand waarvan die vordering
zal kunnen worden bepaald. Tevens moet het bedrag worden vermeld
waarvoor de hypotheek wordt verleend of, wanneer dit bedrag nog niet
vaststaat, het maximumbedrag dat uit hoofde van de hypotheek op het
goed kan worden verhaald. De hypotheekhouder moet in de akte
woonplaats kiezen in Nederland.

2.
Tenzij anders is bedongen, komen de kosten van verlening en vestiging
ten laste van de schuldenaar.

3.
Bij de in het eerste lid bedoelde akte kan iemand slechts krachtens
een bij authentieke akte verleende volmacht als gevolmachtigde voor
de hypotheekgever optreden.

4.
Voor het overige vinden de algemene voorschriften die voor vestiging
van beperkte rechten op registergoederen gegeven zijn, ook op de
vestiging van een hypotheek toepassing.

Artikel 3:261

1. Is
bij een koopovereenkomst hypotheek op het verkochte goed tot waarborg
van onbetaalde kooppenningen bedongen en is dit beding in de
leveringsakte vermeld, dan heeft deze hypotheek, mits de akte waarbij
zij werd verleend tegelijk met de leveringsakte wordt ingeschreven,
voorrang boven alle andere aan de koper ontleende rechten, ten
aanzien waarvan tegelijk een inschrijving plaatsvond.

2.
Lid 1 vindt overeenkomstig toepassing op een bij een verdeling
bedongen hypotheek op een toegedeeld goed tot waarborg van hetgeen
hij aan wie het goed is toegedeeld, aan de andere deelgenoten ten
gevolge van de verdeling schul

Close Menu
×
×

Basket