Burgerlijk Wetboek Art. 2:175 BW – boek 4

netherlands-coat-armsBurgerlijk Wetboek Art
previous companies act
next companies act

Erfrecht

Titel
1. Algemene bepalingen

Artikel 4:1

1.
Erfopvolging heeft plaats bij versterf of krachtens uiterste
wilsbeschikking.

2.
Van de erfopvolging bij versterf kan worden afgeweken bij een
uiterste wilsbeschikking die een erfstelling of een onterving
inhoudt.

Artikel 4:2

1.
Wanneer de volgorde waarin twee of meer personen zijn overleden niet
kan worden bepaald, worden die personen geacht gelijktijdig te zijn
overleden en valt aan de ene persoon geen voordeel uit de
nalatenschap van de andere ten deel.

2.
Indien een belanghebbende ten gevolge van omstandigheden die hem niet
kunnen worden toegerekend, moeilijkheden ondervindt bij het bewijs
van de volgorde van overlijden, kan de rechter hem een of meermalen
uitstel verlenen, zulks voor zover redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat het bewijs binnen de termijn van het uitstel kan
worden geleverd.

Artikel 4:3

1.
Van rechtswege zijn onwaardig om uit een nalatenschap voordeel te
trekken:

a.
hij die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de overledene
heeft omgebracht, heeft getracht hem om te brengen, dat feit heeft
voorbereid of daaraan heeft deelgenomen;

b.
hij die onherroepelijk veroordeeld is wegens een opzettelijk tegen de
erflater gepleegd misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke
omschrijving een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten
minste vier jaren, dan wel wegens poging tot, voorbereiding van, of
deelneming aan een dergelijk misdrijf;

c.
hij van wie bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vastgesteld
dat hij tegen de erflater lasterlijk een beschuldiging van een
misdrijf heeft ingebracht, waarop naar de Nederlandse wettelijke
omschrijving een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier
jaren is gesteld;

d.
hij die de overledene door een feitelijkheid of door bedreiging met
een feitelijkheid heeft gedwongen of belet een uiterste
wilsbeschikking te maken;

e.
hij die de uiterste wil van de overledene heeft verduisterd,
vernietigd of vervalst.

2.
Rechten door derden te goeder trouw verkregen voordat de
onwaardigheid is vastgesteld worden geëerbiedigd. In geval
echter de goederen om niet zijn verkregen, kan de rechter aan de
rechthebbenden, en ten laste van hem die daardoor voordeel heeft
genoten, een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen.

3.
Een onwaardigheid vervalt, wanneer de erflater aan de onwaardige op
ondubbelzinnige wijze zijn gedraging heeft vergeven.

Artikel 4:4

1.
Een voor het openvallen van een nalatenschap verrichte
rechtshandeling is nietig, voor zover zij de strekking heeft een
persoon te belemmeren in zijn vrijheid om bevoegdheden uit te
oefenen, welke hem krachtens dit Boek met betrekking tot die
nalatenschap toekomen.

2.
Overeenkomsten strekkende tot beschikking over nog niet opengevallen
nalatenschappen in hun geheel of over een evenredig deel daarvan,
zijn nietig.

Artikel 4:5

1. Op
verzoek van de schuldenaar kan de rechtbank wegens gewichtige redenen
bepalen dat een geldsom die krachtens dit Boek of, in verband met de
verdeling van de nalatenschap, krachtens titel 7 van Boek 3 is
verschuldigd, al dan niet vermeerderd met een in de beschikking te
bepalen rente, eerst na verloop van zekere tijd, hetzij ineens,
hetzij in termijnen behoeft te worden voldaan. Hierbij let de
rechtbank op de belangen van beide partijen; aan een inwilliging kan
de voorwaarde worden verbonden dat binnen een bepaalde tijd een door
de rechtbank goedgekeurde zakelijke of persoonlijke zekerheid voor de
voldoening van hoofdsom en rente wordt gesteld.

2.
Een in het vorige lid bedoelde beschikking kan op verzoek van een der
partijen, gegrond op ten tijde van die beschikking niet voorziene
omstandigheden, door de in het vorige lid genoemde rechtbank worden
gewijzigd.

Artikel 4:6

In
dit Boek wordt onder de waarde van de goederen der nalatenschap
verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na
het overlijden van de erflater, waarbij geen rekening wordt gehouden
met het vruchtgebruik dat daarop krachtens afdeling 1 of 2 van titel
3 kan komen te rusten.

Artikel 4:7

1.
Schulden van de nalatenschap zijn:

a. de
schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan, voor
zover niet begrepen in onderdeel i;

b. de
kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met
de omstandigheden van de overledene;

c. de
kosten van vereffening van de nalatenschap, met inbegrip van het loon
van de vereffenaar;

d. de
kosten van executele, met inbegrip van het loon van de executeur;

e. de
schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen der
nalatenschap worden geheven, voor zover zij op de erfgenamen komen te
rusten;

f. de
schulden die ontstaan door toepassing van afdeling 2 van titel 3;

g. de
schulden ter zake van legitieme porties waarop krachtens artikel 80
aanspraak wordt gemaakt;

h. de
schulden uit legaten welke op een of meer erfgenamen rusten;

i. de
schulden uit giften en andere handelingen die ingevolge artikel 126
worden aangemerkt als legaten.

2.
Bij de voldoening van de schulden ten laste van de nalatenschap
worden achtereenvolgens met voorrang voldaan:

1°.
de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met e;

2°.
de schulden, bedoeld in lid 1 onder f;

3°.
de schulden, bedoeld in lid 1 onder g.

Ontbreken
schulden als bedoeld in lid 1 onder f, dan worden eerst de schulden,
bedoeld in lid 1 onder a tot en met c, en vervolgens de schulden,
bedoeld in lid 1 onder d, e en g, met voorrang voldaan.

3. In
de nalatenschap van de langstlevende ouder, bedoeld in artikel 20, en
de stiefouder, bedoeld in artikel 22, wordt een verplichting tot
overdracht van goederen als bedoeld in die artikelen met een schuld
als bedoeld in lid 1 onder a gelijkgesteld.

Artikel 4:8

1. In
dit Boek worden met echtgenoten gelijkgesteld geregistreerde
partners.

2.
Voor de toepassing van lid 1 is mede begrepen onder:

a.
huwelijk: geregistreerd partnerschap;

b.
gehuwd: als partner geregistreerd;

c.
huwelijksgemeenschap: gemeenschap van een geregistreerd partnerschap;

d.
trouwbeloften: beloften tot het aangaan van een geregistreerd
partnerschap;

e.
echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap op
de wijze als bedoeld in artikel 80c onder c of d van Boek 1.

3.
Onder stiefkind van de erflater wordt in dit Boek verstaan een kind
van de echtgenoot of geregistreerde partner van de erflater, van welk
kind de erflater niet zelf ouder is. Zodanig kind blijft stiefkind,
indien het huwelijk of het geregistreerd partnerschap is geëindigd.

Titel
2. Erfopvolging bij versterf

Artikel 4:9

Ten
einde als erfgenaam bij versterf te kunnen optreden, moet men bestaan
op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt.

Artikel 4:10

1. De
wet roept tot een nalatenschap als erfgenamen uit eigen hoofde
achtereenvolgens:

a. de
niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de erflater tezamen
met diens kinderen;

b. de
ouders van de erflater tezamen met diens broers en zusters;

c. de
grootouders van de erflater;

d. de
overgrootouders van de erflater.

2. De
afstammelingen van een kind, broer, zuster, grootouder of
overgrootouder worden bij plaatsvervulling geroepen.

3.
Alleen zij die tot de erflater in familierechtelijke betrekking
stonden, worden tot de in de vorige leden genoemde bloedverwanten
gerekend.

Artikel 4:11

1.
Degenen die tezamen uit eigen hoofde tot een nalatenschap worden
geroepen, erven voor gelijke delen.

2. In
afwijking van lid 1 is het erfdeel van een halfbroer of halfzuster de
helft van het erfdeel van een volle broer, een volle zuster of een
ouder.

3.
Wanneer het erfdeel van een ouder door toepassing van de leden 1 en 2
minder zou bedragen dan een kwart, wordt het verhoogd tot een kwart
en worden de erfdelen van de overige erfgenamen naar evenredigheid
verminderd.

Artikel 4:12

1.
Plaatsvervulling geschiedt met betrekking tot personen die op het
ogenblik van het openvallen van de nalatenschap niet meer bestaan,
die onwaardig zijn, onterfd zijn of verwerpen of wier erfrecht is
vervallen.

2.
Zij die bij plaatsvervulling erven, worden staaksgewijze geroepen tot
het erfdeel van degene wiens plaats zij vervullen.

3.
Degenen die de erflater verder dan de zesde graad bestaan, erven
niet.

Titel
3. Het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden
echtgenoot en van de kinderen alsmede andere wettelijke rechten

Afdeling

1. Het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden
echtgenoot en van de kinderen

Artikel 4:13

1.
De nalatenschap van de erflater die een echtgenoot en een of meer
kinderen als erfgenamen achterlaat, wordt, tenzij de erflater bij
uiterste wilsbeschikking heeft bepaald dat deze afdeling geheel
buiten toepassing blijft, overeenkomstig de volgende
leden verdeeld.

2. De
echtgenoot verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap.
De voldoening van de schulden van de nalatenschap komt voor zijn
rekening. Onder schulden van de nalatenschap zijn hier tevens
begrepen de ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komende uitgaven
ter voldoening aan testamentaire lasten.

3.
Ieder van de kinderen verkrijgt als erfgenaam van rechtswege een
geldvordering ten laste van de echtgenoot, overeenkomend met de
waarde van zijn erfdeel. Deze vordering is opeisbaar:

a.
indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard;

b.
wanneer de echtgenoot is overleden.

De
vordering is ook opeisbaar in door de erflater bij uiterste
wilsbeschikking genoemde gevallen.

4. De
in lid 3 bedoelde geldsom wordt, tenzij de erflater, dan wel de
echtgenoot en het kind tezamen, anders hebben bepaald, vermeerderd
met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente,
voor zover dit percentage hoger is dan zes, berekend per jaar vanaf
de dag waarop de nalatenschap is opengevallen, bij welke berekening
telkens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt genomen.

5. Is
de vordering, bedoeld in lid 3, opeisbaar geworden doordat ten
aanzien van de echtgenoot de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing is verklaard, dan is de vordering, voor zover
zij onvoldaan is gebleven, door beëindiging van de toepassing
van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op grond van
artikel 356 lid 2 van de Faillissementswet wederom niet opeisbaar.
Artikel 358 lid 1 van de Faillissementswet vindt ten aanzien van de
vordering geen toepassing.

6. In
deze titel wordt onder echtgenoot niet begrepen een van tafel en bed
gescheiden echtgenoot.

Artikel 4:14

1.
Indien de nalatenschap overeenkomstig artikel 13 is verdeeld, is de
echtgenoot van de erflater tegenover de schuldeisers en tegenover de
kinderen verplicht tot voldoening van de schulden der nalatenschaip.
In de onderlinge verhouding van de echtgenoot en de kinderen komen de
schulden der nalatenschap voor rekening van de echtgenoot.

2.
Voor schulden van de nalatenschap, alsmede voor schulden van de
echtgenoot die konden worden verhaald op de goederen van een
gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater de deelgenoten
waren, neemt de schuldeiser in zijn verhaal op de goederen die
krachtens artikel 13 lid 2 aan de echtgenoot toebehoren, rang voor
degenen die verhaal nemen voor andere schulden van de echtgenoot.

3.
Voor schulden van de nalatenschap kunnen de goederen van een kind
niet worden uitgewonnen, met uitzondering van de in artikel 13 lid 3
bedoelde geldvordering. Uitwinning van die goederen is wel mogelijk
voor zover de geldvordering van het kind is verminderd door betaling
of door overdracht van goederen, tenzij het kind goederen van de
echtgenoot aanwijst die voldoende verhaal bieden.

4. De
uit lid 1, tweede zin, voortvloeiende draagplicht van de echtgenoot
geldt mede wanneer de schulden van de nalatenschap de baten
overtreffen, onverminderd artikel 184 lid 2.

Artikel 4:15

1.
Voor zover de erfgenamen over de vaststelling van de omvang van de in
artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering niet tot overeenstemming
kunnen komen, wordt deze op verzoek van de meest gerede partij door
de kantonrechter vastgesteld. De artikelen 677 tot en met 679 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.

2.
Indien bij de vaststelling van de in artikel 13 lid 3 bedoelde
geldvordering:

a.
omtrent de waarde van de goederen en de schulden van de nalatenschap
is gedwaald en daardoor een erfgenaam voor meer dan een vierde is
benadeeld,

b.
het saldo van de nalatenschap anderszins onjuist is berekend, dan wel

c. de
geldvordering niet is berekend overeenkomstig het deel waarop het
kind aanspraak kon maken,

wordt
de vaststelling op verzoek van een kind of de echtgenoot
dienovereenkomstig door de kantonrechter gewijzigd. Op de
vaststelling is hetgeen omtrent verdeling is bepaald in de artikelen
196 leden 2, 3 en 4, 199 en 200 van Boek 3 van overeenkomstige
toepassing.

3.
Bij de vaststelling van de geldvordering zijn de artikelen 229 tot en
met 233 van overeenkomstige toepassing.

4. De
artikelen 187 en 188 van Boek 3 zijn op de vaststelling van
overeenkomstige toepassing.

Artikel 4:16

1. De
echtgenoot en ieder kind kunnen verlangen dat een boedelbeschrijving
wordt opgemaakt. De boedelbeschrijving bevat een waardering van de
goederen en de schulden van de nalatenschap.

2.
Heeft de echtgenoot of een kind niet het vrije beheer over zijn
vermogen, dan levert zijn wettelijk vertegenwoordiger binnen een jaar
na het overlijden van de erflater een ter bevestiging van haar
deugdelijkheid door hem ondertekende boedelbeschrijving in ter
griffie van de rechtbank van de woonplaats van de echtgenoot
onderscheidenlijk het kind. De kantonrechter kan bepalen dat de
boedelbeschrijving bij notariële akte dient te geschieden.

3. Op
de boedelbeschrijving en de waardering zijn de artikelen 673 tot en
met 676 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing. De echtgenoot en ieder kind zijn voor de
toepassing van de in de vorige volzin genoemde bepalingen partij bij
de boedelbeschrijving.

4. De
echtgenoot en ieder kind hebben jegens elkaar recht op inzage in en
afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor
de vaststelling van hun aanspraken behoeven. De daartoe strekkende
inlichtingen worden door hen desverzocht verstrekt. Zij zijn jegens
elkaar gehouden tot medewerking aan de verstrekking van inlichtingen
door derden.

Artikel 4:17

1. De
echtgenoot kan, behoudens het bepaalde in de leden 2 en 3, de in
artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering en de in lid 4 van dat
artikel bedoelde verhoging te allen tijde geheel of gedeeltelijk
voldoen. Een betaling wordt in de eerste plaats in mindering gebracht
op de hoofdsom, vervolgens op de verhoging, tenzij de erflater, dan
wel de echtgenoot en het kind tezamen, anders hebben bepaald.

2.
Indien een kind een bevoegdheid toekomt tot het doen van een verzoek
als bedoeld in artikel 19, 20, 21 of 22, gaan de echtgenoot of diens
erfgenamen niet over tot voldoening dan na te hebben gehandeld
overeenkomstig artikel 25 lid 3.

3. Is
het in lid 2 bedoelde kind minderjarig, of meerderjarig doch heeft
dit niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan behoeft de
voldoening de goedkeuring van de kantonrechter. Deze beslist naar de
maatstaf van artikel 26 lid 1.

Artikel 4:18

1. De
echtgenoot kan binnen drie maanden vanaf de dag waarop de
nalatenschap is opengevallen, door middel van een verklaring bij
notariële akte, binnen die termijn gevolgd door inschrijving in
het boedelregister, de verdeling overeenkomstig artikel 13 ongedaan
maken. In naam van de echtgenoot kan de verklaring slechts krachtens
uitdrukkelijke voor dit doel afgegeven schriftelijke volmacht worden
afgelegd.

2. De
verklaring werkt terug tot het tijdstip van het openvallen der
nalatenschap. Voor het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn
verkregen rechten van derden, mede-erfgenamen daaronder begrepen,
worden geëerbiedigd. Indien de echtgenoot voor het afleggen van
de verklaring op de voet van artikel 13 lid 2 betalingen heeft
gedaan, worden deze tussen de echtgenoot en de kinderen verrekend.

3. De
omstandigheid dat de echtgenoot onder curatele staat of dat de
goederen die deze uit de nalatenschap van de erflater verkrijgt onder
een bewind vallen, staat aan uitoefening van de in lid 1 bedoelde
bevoegdheid niet in de weg. De bevoegdheid wordt alsdan uitgeoefend
overeenkomstig de regels die voor de curatele onderscheidenlijk het
desbetreffende bewind gelden. Is de echtgenoot in staat van
faillissement verklaard, is ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard
dan wel aan hem surseance van betaling verleend, dan wordt deze
bevoegdheid uitgeoefend door de curator, door de bewindvoerder,
onderscheidenlijk door de echtgenoot met medewerking van de
bewindvoerder.

4.
Indien ten aanzien van de erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van
Boek 1 is toegepast, loopt de in lid 1 genoemde termijn van drie
maanden vanaf de dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417
lid 1 onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek 1, in kracht van
gewijsde is gegaan.

Artikel 4:19

Indien
een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van zijn eerst
overleden ouder heeft verkregen, en die ouder aangifte heeft gedaan
van zijn voornemen opnieuw een huwelijk te willen aangaan, is deze
verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met
een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in
lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. De overdracht vindt, tenzij
de ouder daarvan afziet, plaats onder voorbehoud van het
vruchtgebruik van de goederen.

Artikel 4:20

Indien
een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van zijn eerst
overleden ouder heeft verkregen en de langstlevende ouder bij diens
overlijden gehuwd was, is de stiefouder verplicht aan het kind op
diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste
die geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel
bedoelde verhoging. Wordt de nalatenschap van de langstlevende ouder
niet overeenkomstig artikel 13 verdeeld, dan rust de in de vorige zin
bedoelde verplichting op de erfgenamen van de langstlevende ouder.

Artikel 4:21

Indien
een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn overleden ouder
heeft verkregen, is de stiefouder verplicht aan het kind op diens
verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die
geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde
verhoging. De overdracht vindt, tenzij de stiefouder daarvan afziet,
plaats onder voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen.

Artikel 4:22

Indien
een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn overleden ouder
heeft verkregen, en de stiefouder is overleden, zijn diens erfgenamen
verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met
een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in
lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging.

Artikel 4:23

1. Op
het in de artikelen 19 en 21 bedoelde vruchtgebruik zijn de
bepalingen van titel 8 van Boek 3 van toepassing, met dien verstande
dat:

a. de
echtgenoot is vrijgesteld van de jaarlijkse opgave als bedoeld in
artikel 205 lid 4, alsmede van het stellen van zekerheid als bedoeld
in artikel 206 lid 1, en artikel 206 lid 2 niet van toepassing is;

b.
een machtiging als bedoeld in artikel 212 lid 3 ook gegeven kan
worden voor zover de verzorgingsbehoefte van de echtgenoot of de
nakoming van zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 13 lid 2 dit
nodig maakt.

2. De
kantonrechter kan op de in lid 1 onder b bedoelde grond, op verzoek
van de echtgenoot aan deze de bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke
vervreemding en vertering als bedoeld in artikel 215 van Boek 3
toekennen. De hoofdgerechtigde wordt in het geding geroepen. Bij de
beschikking kan de kantonrechter nadere regelingen treffen.

3. In
afwijking van de eerste zin van artikel 213 lid 1 van Boek 3 en van
artikel 215 lid 1 van Boek 3 verkrijgt de hoofdgerechtigde, tenzij
hij met de echtgenoot anders overeenkomt, op het tijdstip van
vervreemding een vordering op de echtgenoot ter grootte van de waarde
die het goed op dat tijdstip had. Op de vordering zijn de leden 3 en
4 van artikel 13 en lid 1 van artikel 15 van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de in artikel 13 lid 4 bedoelde
vermeerdering wordt berekend vanaf het tijdstip van het ontstaan van
de vordering.

4.
Bij de vestiging van het vruchtgebruik of daarna kunnen nadere
regelingen worden getroffen door de echtgenoot en de
hoofdgerechtigde, dan wel door de kantonrechter op verzoek van een
van hen.

5. De
echtgenoot is niet bevoegd het vruchtgebruik over te dragen of te
bezwaren.

6.
Het vruchtgebruik kan niet worden ingeroepen tegen schuldeisers die
zich op de daaraan onderworpen goederen verhalen ter zake van
schulden van de nalatenschap of schulden van de echtgenoot die konden
worden verhaald op de goederen van een gemeenschap waarvan de
echtgenoot en de erflater de deelgenoten waren. In geval van zodanige
uitwinning is artikel 282 van Boek 3 niet van toepassing.

Artikel 4:24

1. De
in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht
betreft goederen die deel hebben uitgemaakt van de nalatenschap van
de erflater of van de door diens overlijden ontbonden
huwelijksgemeenschap. In afwijking van de eerste zin heeft de in de
artikelen 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht geen
betrekking op goederen die van de zijde van de stiefouder in de
huwelijksgemeenschap met de erflater zijn gevallen.

2. De
in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht
betreft mede goederen die in de plaats zijn gekomen voor goederen als
bedoeld in lid 1, eerste zin. Indien een goed is verkregen met
middelen die voor minder dan de helft afkomstig zijn uit de in lid 1
bedoelde nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap, valt het
niet onder de in de eerste zin bedoelde verplichting. Is een goed
mede met middelen uit een lening verkregen, dan blijven deze middelen
voor de toepassing van de tweede zin buiten beschouwing.

3.
Een goed dat behoort tot het vermogen van degene die tot overdracht
is verplicht of tot de huwelijksgemeenschap waarin deze is gehuwd,
wordt vermoed deel te hebben uitgemaakt van de in lid 1, eerste zin,
bedoelde nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap of voor
zodanig goed in de plaats te zijn gekomen.

Artikel 4:25

1. De
waarde van de over te dragen goederen, vast te stellen naar het
tijdstip van de overdracht, wordt in de eerste plaats in mindering
gebracht op de aan het kind verschuldigde hoofdsom en vervolgens op
de verhoging, tenzij door de erflater of bij de overdracht anders is
bepaald. Voor de toepassing van de artikelen 19 en 21 wordt de waarde
van de goederen vastgesteld zonder daarbij het vruchtgebruik in
aanmerking te nemen.

2.
Een kind dat voornemens is een in de artikelen 19, 20, 21 en 22
bedoeld verzoek te doen, is gehouden de andere kinderen die een
dergelijk verzoek kunnen doen, op een zodanig tijdstip van zijn
voornemen in kennis te stellen dat zij tijdig kunnen beslissen
eveneens een verzoek te doen.

3.
Degene die tot overdracht van goederen verplicht kan worden, kan een
kind een redelijke termijn stellen waarbinnen een verzoek als bedoeld
in de artikelen 19, 20, 21 en 22 kan worden gedaan. Gaat hij daartoe
over, dan stelt hij ook de andere kinderen die een zodanig verzoek
kunnen doen, daarvan in kennis.

4.
Bestaat tussen degene die tot overdracht van goederen verplicht is en
het kind, of tussen twee of meer kinderen geen overeenstemming over
de overdracht van een goed, dan beslist op verzoek van een hunner de
kantonrechter, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van
ieder van hen.

5.
Voor zover een kind de in artikel 13 lid 3 bedoelde vordering aan een
andere persoon overdraagt, gaat de in de artikelen 19, 20, 21 en 22
bedoelde bevoegdheid teniet.

6.
Bij uiterste wilsbeschikking kan de erflater de verplichtingen,
bedoeld in de artikelen 19 tot en met 22, uitbreiden, beperken of
opheffen.

Artikel 4:26

1.
Indien een minderjarig kind een bevoegdheid heeft als in de artikelen
19, 20, 21 en 22 bedoeld, dient zijn wettelijke vertegenwoordiger
binnen drie maanden na het verkrijgen van de bevoegdheid aan de
kantonrechter schriftelijk zijn voornemen met betrekking tot de
uitoefening van die bevoegdheid mede te delen. Heeft het kind geen
wettelijke vertegenwoordiger, dan loopt deze termijn vanaf de dag van
de benoeming. De kantonrechter verleent zijn goedkeuring aan het
voornemen of onthoudt deze daaraan, rekening houdende naar
billijkheid met de belangen van het kind, de andere kinderen aan wie
de bevoegdheid eveneens toekomt en van degene jegens wie de
bevoegdheid bestaat. Hij kan aan de goedkeuring voorwaarden
verbinden. Zo nodig neemt de kantonrechter een eigen beslissing.

2.
Hetzelfde geldt indien het kind meerderjarig is doch het vrije beheer
over zijn vermogen niet heeft. Staat de in artikel 13 lid 3 bedoelde
geldvordering onder een bewind, dan wordt een in lid 1 bedoelde
bevoegdheid uitgeoefend overeenkomstig de regels die voor het
desbetreffende bewind gelden. Is het kind in staat van faillissement
verklaard, is ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing verklaard dan wel aan hem
surseance van betaling verleend, dan rust de verplichting op de
curator, op de bewindvoerder, onderscheidenlijk op het kind met
medewerking van de bewindvoerder.

3.
Indien met goedkeuring van de kantonrechter is afgezien van het doen
van een verzoek als genoemd in de artikelen 19, 20, 21 en 22, kan
zodanig verzoek nadien niet alsnog worden gedaan. Bij zijn
goedkeuring kan de kantonrechter anders bepalen.

Artikel 4:27

Bij
uiterste wilsbeschikking kan de erflater bepalen dat een stiefkind in
een verdeling als bedoeld in artikel 13 als eigen kind wordt
betrokken. In dat geval is deze afdeling van toepassing, behoudens
voor zover de erflater anders heeft bepaald. De afstammelingen van
het stiefkind worden bij plaatsvervulling geroepen.

Afdeling
2. Andere wettelijke rechten

Artikel 4:28

1.
Indien de woning die de echtgenoot van de erflater bij diens
overlijden bewoont, tot de nalatenschap of de ontbonden
huwelijksgemeenschap behoort of de erflater, anders dan krachtens
huur, ten gebruike toekwam, is de echtgenoot jegens de erfgenamen
bevoegd tot voortzetting van de bewoning gedurende een termijn van
zes maanden onder gelijke voorwaarden als tevoren. De echtgenoot is
op gelijke wijze en voor gelijke duur bevoegd tot voortzetting van
het gebruik van de inboedel, voor zover die tot de nalatenschap of de
ontbonden huwelijksgemeenschap behoort of de erflater ten gebruike
toekwam.

2.
Jegens de erfgenamen en de echtgenoot van de erflater hebben degenen
die tot diens overlijden met hem een duurzame gemeenschappelijke
huishouding hadden, overeenkomstige bevoegdheden met betrekking tot
het gebruik van de woning en de inboedel die tot de nalatenschap of
de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren.

Artikel 4:29

1.
Voor zover de echtgenoot van de erflater tengevolge van uiterste
wilsbeschikkingen van de erflater niet of niet enig rechthebbende is
op de tot de nalatenschap van de erflater behorende woning, die ten
tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen
of door de echtgenoot alleen bewoond werd, of op de tot de
nalatenschap behorende inboedel daarvan, zijn de erfgenamen verplicht
tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op die woning
en die inboedel ten behoeve van de echtgenoot, voor zover deze dit
van hen verlangt. De eerste zin geldt niet voor zover de
kantonrechter op een daartoe strekkend verzoek artikel 33 lid 2,
onder a, heeft toegepast.

2.
Zolang de echtgenoot een beroep op lid 1 toekomt, zijn de erfgenamen
niet bevoegd tot beschikking over die goederen, noch tot verhuring of
verpachting daarvan; gedurende dat tijdsbestek kunnen die goederen
slechts worden uitgewonnen voor de in artikel 7 lid 1 onder a tot en
met f genoemde schulden.

3. De
leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de legatarissen
en de door een testamentaire last bevoordeelden met betrekking tot de
goederen die zij als zodanig uit de nalatenschap hebben verkregen.

Artikel 4:30

1. De
erfgenamen zijn verplicht tot medewerking aan de vestiging van een
vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap dan bedoeld in
artikel 29 ten behoeve van de echtgenoot van de erflater, voor zover
de echtgenoot daaraan, de omstandigheden in aanmerking genomen, voor
zijn verzorging – daaronder begrepen de nakoming van de
overeenkomstig artikel 35 lid 2 op hem rustende verplichtingen –
behoefte heeft en die medewerking van hen verlangt.

2.
Lid 1 is mede van toepassing met betrekking tot hetgeen moet worden
geacht in de plaats te zijn gekomen van goederen van de nalatenschap.
Voorts is lid 1 mede van toepassing op een geldvordering als bedoeld
in artikel 13 lid 3, indien de erflater bij uiterste wilsbeschikking
de gronden voor opeisbaarheid heeft uitgebreid. Een vruchtgebruik op
een geldvordering als bedoeld in de tweede zin eindigt in elk geval
indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard. In het laatstbedoelde geval herleeft door
beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen op grond van artikel 356 lid 2 van de
Faillissementswet het vruchtgebruik op de vordering, voorzover deze
onvoldaan is gebleven. Artikel 358 lid 1 van de Faillissementswet
vindt ten aanzien van de vordering geen toepassing.

3. De
voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op de
legatarissen en de door een testamentaire last bevoordeelden met
betrekking tot de goederen die zij als zodanig uit de nalatenschap
hebben verkregen. Onder goederen als bedoeld in de eerste zin worden
mede begrepen ingevolge een legaat of een testamentaire last
verkregen geldsommen en beperkte rechten op goederen van de
nalatenschap.

4. De
erflater kan bij uiterste wilsbeschikking goederen aanwijzen die vóór
of na andere voor bezwaring met het vruchtgebruik in aanmerking
komen.

5.
Voor zover de erflater de in het vorige lid toegekende bevoegdheid
niet heeft uitgeoefend, komen gelegateerde en krachtens een
testamentaire last verkregen goederen slechts voor bezwaring met
vruchtgebruik in aanmerking, indien de overige goederen der
nalatenschap tot verzorging van de echtgenoot onvoldoende zijn. Voor
zover een making is te beschouwen als voldoening aan een natuurlijke
verbintenis van de erflater, komt zij pas na de andere makingen voor
bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking.

6.
Voor zover de echtgenoot en degenen die hun medewerking aan de
vestiging van het vruchtgebruik moeten verlenen, niet tot
overeenstemming kunnen komen over de goederen waarop dit zal komen te
rusten, gelast op verzoek van een hunner de kantonrechter de
aanwijzing van die goederen of wijst hij deze zelf aan, rekening
houdende naar billijkheid met de belangen van ieder van hen.

7.
Bij de bepaling van de behoefte aan verzorging wordt op hetgeen de
echtgenoot toekomt, in mindering gebracht hetgeen hij krachtens
erfrecht aan goederen uit de nalatenschap had kunnen verkrijgen met
uitzondering van het vruchtgebruik dat hij ingevolge het vorige
artikel had kunnen doen vestigen. Voorts komt daarop in mindering
hetgeen hij had kunnen verkrijgen uit een sommenverzekering die door
het overlijden van de erflater tot uitkering komt.

Artikel 4:31

1. Op
het vruchtgebruik ingevolge de artikelen 29 en 30 zijn de leden 1, 2,
4 en 5 van artikel 23 van overeenkomstige toepassing. Het
vruchtgebruik kan niet worden ingeroepen tegen schuldeisers die zich
op de daaraan onderworpen goederen verhalen ter zake van schulden als
bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met f. De uitwinning is
echter niet toegelaten, indien de echtgenoot niet met vruchtgebruik
belaste goederen der nalatenschap aanwijst die voldoende verhaal
bieden.

2. De
mogelijkheid om aanspraak te maken op vestiging van het vruchtgebruik
vervalt, indien de echtgenoot niet binnen een redelijke, hem door een
belanghebbende gestelde termijn, en uiterlijk voor de toepassing van
artikel 29 zes maanden en voor de toepassing van artikel 30 een jaar
na het overlijden van de erflater heeft verklaard op de vestiging van
het vruchtgebruik aanspraak te maken.

3. De
rechtsvordering ingevolge de artikelen 29 en 30 verjaart door verloop
van een jaar en drie maanden na het openvallen der nalatenschap.

4.
Heeft de erflater bij uiterste wilsbeschikking aan zijn echtgenoot de
bevoegdheid ontzegd om zich bij de overdracht van een goed ingevolge
de artikelen 19 en 21 een vruchtgebruik voor te behouden, dan
vervalt, in afwijking van lid 2, de mogelijkheid om ingevolge artikel
29 of 30 aanspraak te maken op vestiging van het vruchtgebruik op dat
goed door verloop van drie maanden nadat op overdracht van het goed
aanspraak is gemaakt. In dat geval verjaart de rechtsvordering tot
vestiging van het vruchtgebruik door verloop van een jaar en drie
maanden nadat op overdracht van het goed aanspraak is gemaakt.

Artikel 4:32

De
echtgenoot kan geen aanspraak maken op vestiging van het
vruchtgebruik ingevolge de artikelen 29 en 30, wanneer een procedure
tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed van de erflater
en de echtgenoot meer dan een jaar voor het openvallen van de
nalatenschap was aangevangen en de echtscheiding of de scheiding van
tafel en bed ten gevolge van het overlijden van de erflater niet meer
tot stand heeft kunnen komen. De eerste zin blijft buiten toepassing
indien de omstandigheid dat de echtscheiding of de scheiding van
tafel en bed niet meer tot stand heeft kunnen komen, niet in
overwegende mate de echtgenoot kan worden aangerekend.

Artikel 4:33

1. De
kantonrechter kan op verzoek van een hoofdgerechtigde, mits daardoor
een zwaarwegend belang van deze wordt gediend en in vergelijking
hiermede het belang van de echtgenoot niet ernstig wordt geschaad:

a.
aan die hoofdgerechtigde een met vruchtgebruik belast goed uit de
nalatenschap, al dan niet onder de last van het vruchtgebruik,
toedelen;

b.
het vruchtgebruik van een of meer goederen beëindigen;

c.
aan het vruchtgebruik verbonden bevoegdheden van de echtgenoot
beperken of hem deze ontzeggen;

d.
het vruchtgebruik in het belang van de hoofdgerechtigde onder bewind
stellen.

2.
De kantonrechter kan, onverminderd lid 1, voor zover de echtgenoot
aan het vruchtgebruik, de omstandigheden in aanmerking genomen, voor
zijn verzorging, daaronder begrepen de nakoming van de overeenkomstig
artikel 35 lid 2 op hem rustende verplichtingen, geen behoefte heeft:

a. op
verzoek van een rechthebbende de verplichting tot medewerking aan de
vestiging van het vruchtgebruik opheffen, of

b. op
verzoek van een hoofdgerechtigde het vruchtgebruik beëindigen.

3. De
andere rechthebbenden worden in het geding geroepen. Bij zijn
beschikking kan de kantonrechter nadere regelingen treffen.

4.
Een rechthebbende kan te allen tijde, ter afwering van een vordering
of andere rechtsmaatregel, gericht op de nakoming van een
verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik,
een beroep in rechte doen op de in lid 2 genoemde grond voor
opheffing van die verplichting.

5. De
kantonrechter houdt bij de toepassing van lid 2 in ieder geval
rekening met:

a. de
leeftijd van de echtgenoot;

b. de
samenstelling van de huishouding waartoe de echtgenoot behoort;

c. de
mogelijkheden van de echtgenoot om zelf in de verzorging te voorzien
door middel van arbeid, pensioen, eigen vermogen dan wel andere
middelen of voorzieningen;

d.
hetgeen in de gegeven omstandigheden als een passend
verzorgingsniveau voor de echtgenoot kan worden beschouwd.

Artikel 4:34

1.
Voor zover de nalatenschap niet toereikend is tot voldoening van
hetgeen de echtgenoot ingevolge de artikelen 29 en 30 toekomt, kan
hij overgaan tot inkorting van de daarvoor vatbare giften, met
overeenkomstige toepassing van artikel 89, leden 2 en 3, en artikel
90, leden 1 en 3. De artikelen 66, 68 en 69 zijn van overeenkomstige
toepassing. Verkrijgt de echtgenoot ook door deze inkorting niet
hetgeen hem toekomt, dan kan hij zich verhalen op hetgeen een
legitimaris door inkorting heeft verkregen.

2. De
echtgenoot verkrijgt door uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in
lid 1, het vruchtgebruik van de geldsom waarvoor de inkorting is
geschied of waarvoor hij verhaal heeft genomen. Op het vruchtgebruik
zijn de leden 1, 2, 4 en 5 van artikel 23 van overeenkomstige
toepassing.

3. Zo
nodig kan het vruchtgebruik van de echtgenoot zich uitstrekken over
alle goederen der nalatenschap en alle geldsommen waarvoor de in lid
1 bedoelde giften kunnen worden ingekort.

4.
Geschillen over de toepassing van het onderhavige artikel en de
artikelen 35 tot en met 37 worden op verzoek van de meest gerede
partij beslist door de kantonrechter.

Artikel 4:35

1.
Een kind van de erflater, een kind als bedoeld in artikel 394 van
Boek 1 daaronder begrepen, kan aanspraak maken op een som ineens,
voor zover deze nodig is voor:

a.
zijn verzorging en opvoeding tot het bereiken van de leeftijd van
achttien jaren; en voorts voor:

b.
zijn levensonderhoud en studie tot het bereiken van de leeftijd van
een en twintig jaren.

2. De
som ter zake van de verzorging en opvoeding komt het kind niet toe,
voor zover de echtgenoot of een erfgenaam van de erflater krachtens
wet of overeenkomst is gehouden om in de kosten daarvan te voorzien.
De som ter zake van levensonderhoud en studie komt het kind niet toe,
voor zover de echtgenoot van de erflater krachtens artikel 395a van
Boek 1 verplicht is om in de kosten daarvan te voorzien.

3. Op
de som ineens komt in mindering hetgeen de rechthebbende had kunnen
verkrijgen krachtens erfrecht of krachtens een sommenverzekering die
door het overlijden van de erflater tot uitkering komt.

Artikel 4:36

1.
Een kind, stiefkind, pleegkind, behuwdkind of kleinkind van de
erflater dat in diens huishouding of in het door hem uitgeoefende
beroep of bedrijf gedurende zijn meerderjarigheid arbeid heeft
verricht zonder een voor die arbeid passende beloning
te ontvangen, kan aanspraak maken op een som ineens, strekkend tot
een billijke vergoeding.

2. Op
de som komt in mindering hetgeen de rechthebbende van de erflater
heeft ontvangen of krachtens making of sommenverzekering op het leven
van de erflater verkrijgt of had kunnen verkrijgen, voor zover dat
als een beloning voor zijn werkzaamheden kan worden beschouwd.

Artikel 4:37

1.
Degene die krachtens de artikelen 35 en 36 aanspraak maakt op een som
ineens, heeft een vordering op de gezamenlijke erfgenamen. De
mogelijkheid om aanspraak te maken op een som ineens vervalt, indien
de rechthebbende niet binnen een redelijke, hem door een
belanghebbende gestelde termijn, en uiterlijk negen maanden na het
overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij de som ineens
wenst te ontvangen.

2. De
vordering is niet opeisbaar totdat zes maanden zijn verstreken na het
overlijden van de erflater.

3. De
rechtsvordering verjaart door verloop van een jaar na het overlijden
van de erflater. Indien die erflater een echtgenoot achterlaat, wordt
voor degene die krachtens artikel 36 aanspraak op een som ineens
heeft gemaakt, deze termijn verlengd tot een jaar na het overlijden
van die echtgenoot.

4. De
sommen ineens bedragen gezamenlijk ten hoogste de helft van de waarde
der nalatenschap; voor zoveel nodig ondergaan zij elk een evenredige
vermindering. Onder de waarde der nalatenschap wordt in dit artikel
verstaan de waarde van de goederen der nalatenschap, verminderd met
de in artikel 7 lid 1 onder a tot en met e vermelde schulden.

5. De
voldoening van de sommen ineens komt ten laste van het gedeelte der
nalatenschap waarover niet bij uiterste wilsbeschikking is beschikt,
en vervolgens, zo dit onvoldoende is, van de makingen; artikel 87 lid
2, tweede zin, is op een inkorting van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4:38

1. Op
verzoek van een kind of stiefkind van de erflater kan de
kantonrechter, mits daardoor een zwaarwegend belang van het kind of
stiefkind wordt gediend en in vergelijking hiermede het belang van de
rechthebbende niet ernstig wordt geschaad, de rechthebbende
verplichten tot overdracht tegen een redelijke prijs aan het kind of
stiefkind, dan wel diens echtgenoot, van de tot de nalatenschap of de
ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen die dienstbaar
waren aan een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf dat door
het kind of stiefkind dan wel diens echtgenoot wordt voortgezet. Bij
zijn beschikking kan de kantonrechter nadere regelingen treffen.

2.
Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
aandelen in een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid waarvan de erflater bestuurder was en
waarin deze alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der
aandelen hield, indien het kind of stiefkind, dan wel diens
echtgenoot ten tijde van het overlijden bestuurder van die
vennootschap is of nadien die positie van de erflater voortzet.

3.
Het vorige lid is slechts van toepassing voor zover de statutaire
regels omtrent overdracht van aandelen zich daartegen niet verzetten.

4.
Het recht om een verzoek als bedoeld in de leden 1 en 2 te doen,
vervalt na verloop van een jaar na het overlijden van de erflater.

5. De
leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de
echtgenoot van de erflater een door de erflater uitgeoefend beroep of
bedrijf voortzet, ook indien de echtgenoot ingevolge deze afdeling
het vruchtgebruik van de desbetreffende goederen heeft of kan
verkrijgen.

Artikel 4:39

Degene
aan wie een in de artikelen 29 tot en met 33, 35, 36 en 38 bedoeld
recht toekomt en niet erfgenaam is, heeft dezelfde bevoegdheden als
in artikel 78 aan een legitimaris worden toegekend.

Artikel 4:40

Indien
ten aanzien van de erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1
is toegepast, lopen de termijnen, genoemd in lid 1 van artikel 28, de
leden 2 en 3 van artikel 31, de tweede zin van het eerste lid, de
eerste zin van het tweede lid en de eerste zin van het derde lid van
artikel 37, alsmede het vierde lid van artikel 38 vanaf de dag waarop
de beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1 onderscheidenlijk
artikel 427 lid 1 van Boek 1, in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 4:41

Bij
uiterste wilsbeschikking kan van het in deze afdeling bepaalde niet
worden afgeweken.

Titel
4. Uiterste willen

Afdeling
1. Uiterste wilsbeschikkingen in het algemeen

Artikel 4:42

1.
Een uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling,
waarbij een erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn
overlijden en die in dit Boek is geregeld of in de wet als zodanig
wordt aangemerkt.

2. De
erflater kan een uiterste wilsbeschikking steeds eenzijdig herroepen.

3.
Een uiterste wilsbeschikking kan alleen bij uiterste wil en slechts
door de erflater persoonlijk worden gemaakt en herroepen.

Artikel 4:43

1.
Een uiterste wilsbeschikking is niet vatbaar voor vernietiging op de
grond dat zij door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.

2.
Een uiterste wilsbeschikking, gemaakt onder invloed van een onjuiste
beweegreden, is slechts dan vernietigbaar, wanneer de door de
erflater ten onrechte veronderstelde omstandigheid die zijn
beweegreden tot de beschikking is geweest, in de uiterste wil zelf is
aangeduid en de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt,
indien hij van de onjuistheid dier veronderstelling had kennis
gedragen.

3.
Een uiterste wilsbeschikking kan niet op grond van bedreiging, bedrog
of een onjuiste beweegreden worden vernietigd, wanneer de erflater
haar heeft bevestigd nadat de invloed van de bedreiging heeft
opgehouden te werken of het bedrog of de onjuistheid van de
beweegreden is ontdekt.

Artikel 4:44

1.
Een uiterste wilsbeschikking waarvan de inhoud in strijd is met de
goede zeden of de openbare orde, is nietig.

2.
Eveneens is een uiterste wilsbeschikking nietig, wanneer voor deze
een in de uiterste wil vermelde beweegreden die in strijd is met de
goede zeden of de openbare orde, beslissend is geweest.

Artikel 4:45

1.
Een voorwaarde of een last die onmogelijk te vervullen is, of die in
strijd is met de goede zeden, de openbare orde of een dwingende
wetsbepaling, wordt voor niet geschreven gehouden. De beschikking
waaraan de voorwaarde of de last is toegevoegd, is nietig, indien
deze de beslissende beweegreden tot die beschikking is geweest.

2.
Een voorwaarde of last die de strekking heeft de bevoegdheid tot
vervreemding of bezwaring van goederen uit te sluiten, wordt voor
niet geschreven gehouden.

Artikel 4:46

1.
Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden
gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te
regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is
gemaakt.

2.
Daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen
slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt,
indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin
heeft.

3.
Wanneer een erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een
persoon of een goed heeft vergist, wordt de beschikking naar de
bedoeling van de erflater ten uitvoer gebracht, indien deze bedoeling
ondubbelzinnig met behulp van de uiterste wil of met andere gegevens
kan worden vastgesteld.

Artikel 4:47

Wanneer
de uitvoering van een beschikking, anders dan als gevolg van een na
het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheid, blijvend
onmogelijk is, vervalt de beschikking, zonder dat een andere
beschikking daarvoor in de plaats mag worden gesteld, tenzij de wet
het tegendeel bepaalt, of uit de uiterste wil zelf is af te leiden
dat de erflater die andere beschikking zou hebben gemaakt, wanneer
hem de onmogelijkheid bekend was geweest.

Artikel 4:48

Wanneer
in eenzelfde uiterste wil twee of meer personen tot hetzelfde, al of
niet voor bepaalde delen, zijn geroepen en de beschikking ten
opzichte van een geroepene geen gevolg heeft, vindt ten behoeve van
de overigen aanwas naar evenredigheid van de hun toekomende delen
plaats, tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel is af te
leiden.

Artikel 4:49

1.
Een ten laste van een erfgenaam gemaakt legaat van een bepaald goed,
of van een op een bepaald goed te vestigen recht, vervalt indien het
goed bij het openvallen van de nalatenschap daartoe niet behoort,
tenzij uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat de erflater de
beschikking niettemin heeft gewild.

2.
Kan in laatstgenoemd geval degene op wie de verplichting rust, zich
het gelegateerde goed niet of slechts ten koste van een onevenredig
grote opoffering verschaffen, dan is hij gehouden de waarde van het
goed uit te keren.

3.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt een goed geacht niet tot
de nalatenschap te behoren, indien de erflater tot overdracht van het
goed verplicht was en deze verbintenis niet met zijn dood is
tenietgegaan.

Artikel 4:50

1.
Tenzij de erflater anders heeft beschikt, wordt een gelegateerd goed
geleverd in de staat waarin het zich op het ogenblik van overlijden
van de erflater bevindt.

2.
Mitsdien is een erfgenaam niet verplicht het vermaakte goed te
bevrijden van enig beperkt recht dat daarop is gevestigd.

3. Is
een vordering van de erflater op een erfgenaam, een beperkt recht van
de erflater op een goed van een erfgenaam, of een goed van de
erflater waarop een beperkt recht van een erfgenaam is gevestigd
gelegateerd, dan vindt geen vermenging plaats, tenzij het legaat
wordt verworpen.

Artikel 4:51

1.
Wanneer een echtgenoot ten laste van zijn gezamenlijke erfgenamen een
bepaald goed uit de huwelijksgemeenschap heeft vermaakt, kan de
legataris levering van het gehele goed van hen vorderen, doch zij
kunnen, voor zover het goed bij de verdeling van de
huwelijksgemeenschap aan de andere echtgenoot
of diens erfgenamen wordt toebedeeld, volstaan met uitkering van de
waarde van het goed. Deze bevoegdheid komt ook toe aan de andere
echtgenoot die enig erfgenaam is, en diens erfgenamen.

2.
Het vorige lid is alleen van toepassing indien de
huwelijksgemeenschap op het ogenblik dat de beschikking werd gemaakt,
nog niet ontbonden was.

Artikel 4:52

Een
beschikking, getroffen ten voordele van degene met wie de erflater op
het tijdstip van het maken van de uiterste wil gehuwd was of reeds
trouwbeloften gewisseld had, vervalt door een daarna ingetreden
echtscheiding of scheiding van tafel en bed, tenzij uit de uiterste
wil zelf het tegendeel is af te leiden.

Artikel 4:53

Een
uiterste wilsbeschikking ten voordele van de naaste bloedverwanten of
het naaste bloed van de erflater, zonder nadere aanduiding, wordt
vermoed gemaakt te zijn ten voordele van de door de wet geroepen
bloedverwanten van de erflater naar evenredigheid van ieders aandeel
bij versterf.

Artikel 4:54

1.
Rechtsvorderingen tot vernietiging van een uiterste wilsbeschikking
verjaren een jaar nadat de dood van de erflater alsmede de uiterste
wilsbeschikking en de vernietigingsgrond ter kennis zijn gekomen van
hem die een beroep op deze grond kan doen, dan wel van zijn
rechtsvoorganger.

2. De
bevoegdheid om ter vernietiging van een uiterste wilsbeschikking een
beroep op een vernietigingsgrond te doen vervalt buiten het geval
bedoeld in artikel 51 lid 3 van Boek 3 uiterlijk drie jaren nadat de
dood van de erflater en de uiterste wilsbeschikking ter kennis zijn
gekomen van degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, dan wel van zijn
rechtsvoorganger.

Afdeling
2. Wie uiterste wilsbeschikkingen kunnen maken en wie daaruit
voordeel kunnen genieten

Artikel 4:55

1.
Behalve zij die handelingsbekwaam zijn, kunnen ook minderjarigen die
de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt, en zij die op een
andere grond dan wegens een geestelijke stoornis onder curatele zijn
gesteld, uiterste wilsbeschikkingen maken.

2.
Hij die wegens een geestelijke stoornis onder curatele staat, kan
slechts met toestemming van de kantonrechter uiterste
wilsbeschikkingen maken. De kantonrechter kan aan zijn toestemming
voorwaarden verbinden.

3. De
bekwaamheid van de erflater wordt beoordeeld naar de staat, waarin
hij zich bevond op het ogenblik dat de beschikking werd gemaakt.

Artikel 4:56

1. Om
aan een making een recht te kunnen ontlenen, moet men bestaan op het
ogenblik dat de nalatenschap openvalt. Rechten uit een making ten
voordele van een rechtspersoon die voor dat ogenblik is opgehouden te
bestaan ten gevolge van een fusie of een splitsing, komen toe aan de
verkrijgende rechtspersoon, onderscheidenlijk de verkrijgende
rechtspersoon waarvan de aan de akte van splitsing gehechte
beschrijving datbepaalt. Indien aan de hand van de aan de akte van
splitsing gehechte beschrijving niet kan worden bepaald welke
rechtspersoon in de plaats en de rechten treedt van de gesplitste
rechtspersoon, is artikel 334s van Boek 2 van overeenkomstige
toepassing.

2.
Indien een erflater heeft bepaald dat hetgeen hij aan een
afstammeling van een ouder van de erflater nalaat, bij het overlijden
van de bevoordeelde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan
diens alsdan bestaande afstammelingen staaksgewijze, ontlenen dezen
aan de making een recht, ook al bestonden zij nog niet bij het
overlijden van de erflater.

3.
Heeft een erflater bepaald dat hetgeen hij aan iemand nalaat, bij het
overlijden van de bevoordeelde of op een eerder tijdstip zal ten deel
vallen aan een afstammeling van een ouder van de erflater, en tevens
dat indien die afstammeling dat tijdstip niet overleeft, diens alsdan
bestaande afstammelingen staaksgewijze in diens plaats zullen treden,
dan verkrijgen dezen dit recht, ook al bestonden zij nog niet bij het
overlijden van de erflater.

4.
Indien een erflater heeft bepaald dat hetgeen de bevoordeelde van het
hem nagelatene bij zijn overlijden of op een eerder tijdstip
onverteerd zal hebben gelaten, alsdan zal ten deel vallen aan een dan
bestaande bloedverwant van de erflater in de erfelijke graad,
verkrijgt deze dit recht, ook al bestond hij nog niet bij het
overlijden van de erflater.

Artikel 4:57

1.
Een erflater kan geen uiterste wilsbeschikking maken ten voordele van
degene die op het tijdstip van het maken van de beschikking zijn
voogd is.

2.
Hij die voogd van de erflater is geweest, kan uit diens uiterste
wilsbeschikkingen geen voordeel genieten, indien de erflater binnen
het jaar na zijn meerderjarig worden en voor het afleggen en sluiten
van de voogdijrekening is overleden.

3.
Het in de vorige leden bepaalde is niet toepasselijk op
bloedverwanten van de erflater in de opgaande lijn, die zijn voogden
zijn of geweest zijn.

Artikel 4:58

Minderjarigen
kunnen geen uiterste wilsbeschikking maken ten voordele van hun
leermeesters, met wie zij tezamen wonen.

Artikel 4:59

1. De
beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg,
die iemand gedurende de ziekte waaraan hij is overleden, bijstand
hebben verleend, alsmede de geestelijk verzorgers die hem gedurende
die ziekte hebben bijgestaan, kunnen geen voordeel trekken uit de
uiterste wilsbeschikkingen die zodanig persoon gedurende de
behandeling of de bijstand te hunnen behoeve heeft gemaakt.

2.
Ook kan degene die een voor de verzorging of verpleging van bejaarden
of geestelijk gestoorden bestemde instelling exploiteert of die
daarvan de leiding heeft of daarin werkzaam is, geen voordeel trekken
uit de uiterste wilsbeschikkingen, welke zodanig persoon gedurende
een verblijf in die instelling te zijnen behoeve heeft gemaakt.

Artikel 4:60

Van
het in de twee voorgaande artikelen bepaalde zijn uitgezonderd:

a. de
beschikkingen tot vergelding van bewezen diensten, bij wijze van
legaat gemaakt, met inachtneming echter zowel van de gegoedheid van
de maker, als van de diensten die aan deze zijn bewezen;

b. de
beschikkingen ten voordele van iemand die bloed- of aanverwant tot de
vierde graad of de echtgenoot van de erflater is.

Artikel 4:61

De
notaris of andere persoon, die een uiterste wil of een akte van
bewaargeving van een niet gesloten aangeboden onderhandse uiterste
wil heeft verleden, en de getuigen die daarbij zijn tegenwoordig
geweest, kunnen niet bij die uiterste wil worden bevoordeeld.

Artikel 4:62

1.
Een uiterste wilsbeschikking die in strijd is met het in de artikelen
57–61 bepaalde, is vernietigbaar. De vernietiging vindt slechts
plaats voor zover deze nodig is tot opheffing van het nadeel van
degene die zich op de vernietigingsgrond beroept.

2.
Een beschikking ten behoeve van een tussenbeidekomende persoon is op
gelijke wijze vernietigbaar als een ten behoeve van de uitgesloten
persoon zelf.

3. De
vader, de moeder, de afstammelingen en de echtgenoot van een
uitgesloten persoon worden geacht tussenbeidekomende personen te
zijn, behalve wanneer zij bloedverwant in de rechte lijn of
echtgenoot van de erflater zijn.

4.
Indien een legataris in verband met een krachtens de vorige leden
vernietigbaar legaat gehouden is een tegenprestatie te verrichten, is
artikel 54 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling
3. Legitieme portie

Paragraaf
1. Algemene bepalingen

Artikel 4:63

1. De
legitieme portie van een legitimaris is het gedeelte van de waarde
van het vermogen van de erflater, waarop de legitimaris in weerwil
van giften en uiterste wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak
kan maken.

2.
Legitimarissen zijn de afstammelingen van de erflater die door de wet
als erfgenamen tot zijn nalatenschap worden geroepen, hetzij uit
eigen hoofde, hetzij bij plaatsvervulling met betrekking tot personen
die op het ogenblik van het openvallen der nalatenschap niet meer
bestaan of die onwaardig zijn.

3. De
legitimaris die de nalatenschap verwerpt, verliest zijn recht op de
legitieme portie, tenzij hij bij het afleggen van de verklaring
bedoeld in artikel 191, tevens verklaart dat hij zijn legitieme
portie wenst te ontvangen.

Artikel 4:64

1. De
legitieme portie van een kind van de erflater bedraagt de helft van
de waarde waarover de legitieme porties worden berekend, gedeeld door
het aantal in artikel 10 lid 1 onder a genoemde, door de erflater
achtergelaten personen.

2.
Afstammelingen van een kind van de erflater dat op het ogenblik van
het openvallen van de nalatenschap niet meer bestaat, worden voor de
toepassing van het eerste lid tezamen als een door de erflater
achtergelaten kind geteld. Afstammelingen van een kind van de
erflater die legitimaris zijn, kunnen ieder slechts voor hun deel
opkomen.

Paragraaf
2. De omvang van de legitieme portie

Artikel 4:65

De
legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen der
nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze
berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de
schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f.
Buiten beschouwing blijven giften waaruit schulden als bedoeld in
artikel 7 lid 1 onder i zijn ontstaan..

Artikel 4:66

1.
Voor de toepassing van deze afdeling worden giften gewaardeerd naar
het tijdstip van de prestatie, behoudens het in de volgende leden
bepaalde. Met een mogelijkheid dat de erflater de gift had kunnen
herroepen wordt geen rekening gehouden.

2.
Giften waarbij de erflater zich het genot van het geschonkene
gedurende zijn leven heeft voorbehouden, en andere giften van een
voordeel bestemd om pas na zijn overlijden ten volle te worden
genoten, worden geschat naar de waarde onmiddellijk na zijn
overlijden. Hetzelfde geldt voor giften van prestaties die de
erflater bij zijn overlijden nog niet had verricht, met dien
verstande dat met deze giften, evenals met de uit dien hoofde
nagelaten schulden, geen rekening wordt gehouden voor zover de
nalatenschap niet toereikend is. Een gift die bestaat in de
aanwijzing van een begunstigde bij sommenverzekering, wordt in
aanmerking genomen tot haar waarde overeenkomstig artikel 188 leden 2
en 3 van Boek 7.

3.
Giften, bestaande in de vervreemding van een goed door de erflater
tegen verschaffing door de wederpartij van een aan het leven van de
erflater gebonden recht, worden gewaardeerd als een gift van dat
goed, verminderd met de waarde van de door de erflater ontvangen of
hem bij zijn overlijden nog verschuldigde prestaties, voor zover deze
niet bestonden in genot van dat goed.

Artikel 4:67

Bij
de berekening van de legitieme porties worden de volgende door de
erflater gedane giften in aanmerking genomen:

a.
giften die kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het vooruitzicht dat
daardoor legitimarissen worden benadeeld;

b.
giften die de erflater gedurende zijn leven te allen tijde had kunnen
herroepen of die hij bij de gift voor inkorting vatbaar heeft
verklaard;

c.
giften van een voordeel, bestemd om pas na zijn overlijden ten volle
te worden genoten;

d.
giften, door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of
een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is;

e.
andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor zijn
overlijden is geschied.

Artikel 4:68

Giften
van de erflater aan zijn echtgenoot worden voor de toepassing van
deze afdeling buiten beschouwing gelaten voor zover zich, ten gevolge
van een gemeenschap van goederen waarin de erflater en de echtgenoot
ten tijde van de gift gehuwd waren of ten gevolge van een tussen hen
op dat tijdstip geldend verrekenbeding, geen verrijking ten koste van
het vermogen van de gever heeft voorgedaan.

Artikel 4:69

1.
Voor de toepassing van deze afdeling worden niet als giften
beschouwd:

a.
giften aan personen ten aanzien van wie de erflater moreel verplicht
was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven of na zijn
dood, voor zover zij als uitvloeisel van die

Close Menu
×
×

Basket