Burgerlijk Wetboek Art. 2:175 BW – boek 5

netherlands-coat-armsBurgerlijk Wetboek Art previous companies act next companies act

Zakelijke
rechten

Titel
1. Eigendom in het algemeen

Artikel 5:1

1.
Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak
kan hebben.

2.
Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij van de zaak
gebruik te maken, mits dit gebruik niet strijdt met rechten van
anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven
recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen.

3. De
eigenaar van de zaak wordt, behoudens rechten van anderen, eigenaar
van de afgescheiden vruchten.

Artikel 5:2

De
eigenaar van een zaak is bevoegd haar van een ieder die haar zonder
recht houdt, op te eisen.

Artikel 5:3

Voor
zover de wet niet anders bepaalt, is de eigenaar van een zaak
eigenaar van al haar bestanddelen.

Titel
2. Eigendom van roerende zaken

Artikel 5:4

Hij
die een aan niemand toebehorende roerende zaak in bezit neemt,
verkrijgt daarvan de eigendom.

Artikel 5:5

1.
Hij die een onbeheerde zaak vindt en onder zich neemt, is verplicht:

a.
met bekwame spoed overeenkomstig lid 2, eerste zin, van de vondst
aangifte te doen, tenzij hij terstond na de vondst daarvan mededeling
heeft gedaan aan degene die hij als eigenaar of als tot ontvangst
bevoegd mocht beschouwen;

b.
met bekwame spoed tevens overeenkomstig lid 2, tweede zin, mededeling
van de vondst te doen, indien deze is gedaan in een woning, een
gebouw of een vervoermiddel, tenzij hij krachtens het bepaalde onder
a, slot ook niet tot aangifte verplicht was;

c. de
zaak in bewaring te geven aan de gemeente die dit vordert.

2. De
in lid 1 onder a bedoelde aangifte kan in iedere gemeente worden
gedaan bij de daartoe aangewezen ambtenaar. De in lid 1 onder b
bedoelde mededeling geschiedt bij degene die de woning bewoont of het
gebouw of vervoermiddel in gebruik of exploitatie heeft, dan wel bij
degene die daar voor hem toezicht houdt.

3. De
vinder is te allen tijde bevoegd de zaak aan enige gemeente in
bewaring te geven. Zolang hij dit niet doet, is hij verplicht zelf
voor bewaring en onderhoud zorg te dragen.

4. De
vinder kan van de in lid 2, eerste zin, bedoelde ambtenaar een bewijs
van aangifte of van inbewaringgeving verlangen.

Artikel 5:6

1. De
vinder die aan de hem in artikel 5 lid 1 gestelde eisen heeft
voldaan, verkrijgt de eigendom van de zaak één jaar na
de in artikel 5 lid 1 onder a bedoelde aangifte of mededeling, mits
de zaak zich op dat tijdstip nog bevindt in de macht van de vinder of
van de gemeente.

2.
Is de zaak anders dan op haar vordering aan de gemeente in bewaring
gegeven en valt zij onder de niet-kostbare zaken, aangewezen bij of
krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel
12 onder b , dan is lid 1 niet van toepassing en is de burgemeester
drie maanden na de inbewaringgeving bevoegd de zaak voor rekening van
de gemeente te verkopen of haar om niet aan een derde over te dragen
of te vernietigen.

3. Is
de zaak in bewaring gegeven aan de gemeente en is noch lid 1, noch
lid 2 van toepassing, dan is de burgemeester één jaar
na de inbewaringgeving bevoegd de zaak voor rekening van de gemeente
te verkopen of haar om niet aan een derde over te dragen of te
vernietigen.

4. De
vorige leden gelden niet, wanneer de eigenaar of een ander die tot
ontvangst van de zaak bevoegd is, zich daartoe heeft aangemeld bij
degene die de zaak in bewaring heeft vóórdat de
toepasselijke termijn is verstreken of, in de gevallen van de leden 2
en 3, op een tijdstip na het verstrijken van de termijn, waarop de
gemeente de zaak redelijkerwijs nog te zijner beschikking kan
stellen.

Artikel 5:7

De
vinder kan, door de zaak onverwijld af te geven aan de bewoner van de
woning of de gebruiker of exploitant van de ruimte waar de vondst is
gedaan, dan wel aan degene die daar voor hem toezicht houdt, zijn
rechtspositie met alle daaraan verbonden verplichtingen doen overgaan
op die bewoner, gebruiker of exploitant met dien verstande dat geen
recht op beloning bestaat.

Artikel 5:8

1.
Indien een aan de gemeente in bewaring gegeven zaak aan snel
tenietgaan of achteruitgang onderhevig is of wegens de onevenredig
hoge kosten of ander nadeel de bewaring daarvan niet langer van de
gemeente kan worden gevergd, is de burgemeester bevoegd haar te
verkopen.

2.
Indien de zaak zich niet voor verkoop leent, is de burgemeester
bevoegd haar om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te
vernietigen.

3.
Indien de gevonden zaak een dier is, is de burgemeester na verloop
van twee weken, nadat het dier door de gemeente in bewaring is
genomen, bevoegd het zo mogelijk tegen betaling van een koopprijs, en
anders om niet, aan een derde in eigendom over te dragen. Mocht ook
dit laatste zijn uitgesloten, dan is de burgemeester bevoegd het dier
te doen afmaken. De termijn van twee weken behoeft niet te worden in
acht genomen, indien het dier slechts met onevenredig hoge kosten
gedurende dat tijdvak kan worden bewaard, of afmaking om
geneeskundige redenen vereist is.

4. De
opbrengst treedt in de plaats van de zaak.

Artikel 5:9

Bestaat
de aan de gemeente in bewaring gegeven zaak in geld, dan is de
gemeente slechts verplicht aan degene die haar kan opeisen, een
gelijk bedrag uit te keren, en vervalt deze verplichting zodra de
burgemeester tot verkoop voor rekening van de gemeente bevoegd zou
zijn geweest.

Artikel 5:10

1.
Hij die de zaak opeist van de gemeente of van de vinder die aan de
hem in artikel 5 lid 1 gestelde eisen heeft voldaan, is verplicht de
kosten van bewaring en onderhoud en tot opsporing van de eigenaar of
een andere tot ontvangst bevoegde te vergoeden. De
gemeente of de vinder is bevoegd de afgifte op te schorten totdat
deze verplichting is nagekomen. Indien degene die de zaak opeist, de
verschuldigde kosten niet binnen een maand nadat ze hem zijn
opgegeven, heeft voldaan, wordt hij geacht zijn recht op de zaak te
hebben prijsgegeven.

2. De
vinder die aan de op hem rustende verplichtingen heeft voldaan, heeft
naar omstandigheden recht op een redelijke beloning.

Artikel 5:11

Indien
een vinder die op grond van artikel 6 lid 1 eigenaar is geworden van
een aan de gemeente in bewaring gegeven zaak, zich niet binnen één
maand na zijn verkrijging bij de gemeente
heeft aangemeld om de zaak in ontvangst te nemen, is de burgemeester
bevoegd de zaak voor rekening van de gemeente te verkopen, om niet
aan een derde over te dragen of te vernietigen.

Artikel 5:12

Bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen:

a.
nadere regels worden gesteld omtrent de uitoefening van de uit de
artikelen 5-11 voor de gemeenten voortvloeiende bevoegdheden;

b.
groepen van niet-kostbare zaken worden aangewezen, waarvoor artikel 6
lid 2 geldt;

c.
nadere regels worden gesteld omtrent de aanwijzing van bepaalde
soorten personen en instellingen, waarbij deze, geheel of
gedeeltelijk en al dan niet onder nadere voorwaarden, worden
vrijgesteld van de aangifteplicht van artikel 5 lid 1 onder a of voor
de afwikkeling van vondsten worden gelijkgesteld met een gemeente;

d.
voor de afwikkeling van vondsten door personen of instellingen als
bedoeld onder c groepen van niet afgehaalde zaken met gevonden zaken
worden gelijkgesteld.

Artikel 5:13

1.
Een schat komt voor gelijke delen toe aan degene die hem ontdekt, en
aan de eigenaar van de onroerende of roerende zaak, waarin de schat
wordt aangetroffen.

2.
Een schat is een zaak van waarde, die zolang verborgen is geweest dat
daardoor de eigenaar niet meer kan worden opgespoord.

3. De
ontdekker is verplicht van zijn vondst aangifte te doen
overeenkomstig artikel 5 lid 1 onder a. Indien geen aangifte is
gedaan of onzeker is aan wie de zaak toekomt, kan de gemeente
overeenkomstig artikel 5 lid 1 onder c vorderen dat deze aan haar in
bewaring wordt gegeven, totdat vaststaat wie rechthebbende is.

Artikel 5:14

1. De
eigendom van een roerende zaak die een bestanddeel wordt van een
andere roerende zaak die als hoofdzaak is aan te merken, gaat over
aan de eigenaar van deze hoofdzaak.

2.
Indien geen der zaken als hoofdzaak is aan te merken en zij
toebehoren aan verschillende eigenaars, worden deze mede-eigenaars
van de nieuwe zaak, ieder voor een aandeel evenredig aan de waarde
van de zaak.

3.
Als hoofdzaak is aan te merken de zaak waarvan de waarde die van de
andere zaak aanmerkelijk overtreft of die volgens verkeersopvatting
als zodanig wordt beschouwd.

Artikel 5:15

Worden
roerende zaken die aan verschillende eigenaars toebehoren door
vermenging tot één zaak verenigd, dan is het vorige
artikel van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:16

1.
Indien iemand uit een of meer roerende zaken een nieuwe zaak vormt,
wordt deze eigendom van de eigenaar van de oorspronkelijke zaken.
Behoorden deze toe aan verschillende eigenaars, dan zijn de vorige
twee artikelen van overeenkomstige toepassing.

2.
Indien iemand voor zichzelf een zaak vormt of doet vormen uit of mede
uit een of meer hem niet toebehorende roerende zaken, wordt hij
eigenaar van de nieuwe zaak, tenzij de kosten van de vorming dit
wegens hun geringe omvang niet rechtvaardigen.

3.
Bij het verwerken van stoffen tot een nieuwe stof of het kweken van
planten zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:17

Degene
die krachtens zijn genotsrecht op een zaak gerechtigd is tot de
vruchten daarvan, verkrijgt de eigendom der vruchten door haar
afscheiding.

Artikel 5:18

De
eigendom van een roerende zaak wordt verloren, wanneer de eigenaar
het bezit prijsgeeft met het oogmerk om zich van de eigendom te
ontdoen.

Artikel 5:19

1. De
eigenaar van tamme dieren verliest daarvan de eigendom, wanneer zij,
nadat zij uit zijn macht zijn gekomen, zijn verwilderd.

2. De
eigenaar van andere dieren verliest daarvan de eigendom, wanneer zij
de vrijheid verkrijgen en de eigenaar niet terstond beproeft ze weder
te vangen of zijn pogingen daartoe staakt.

Titel
3. Eigendom van onroerende zaken

Artikel 5:20

De
eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt:

a. de
bovengrond;

b. de
daaronder zich bevindende aardlagen;

c.
het grondwater dat door een bron, put of pomp aan de oppervlakte is
gekomen;

d.
het water dat zich op de grond bevindt en niet in open gemeenschap
met water op eens anders erf staat;

e.
gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij
rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken,
voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak;

f.
met de grond verenigde beplantingen.

Artikel 5:21

1. De
bevoegdheid van de eigenaar van de grond om deze te gebruiken, omvat
de bevoegdheid tot gebruik van de ruimte boven en onder de
oppervlakte.

2.
Het gebruik van de ruimte boven en onder de oppervlakte is aan
anderen toegestaan, indien dit zo hoog boven of zo diep onder de
oppervlakte plaats vindt, dat de eigenaar geen belang heeft zich
daartegen te verzetten.

3. De
vorige leden zijn niet van toepassing op de bevoegdheid tot vliegen.

Artikel 5:22

Wanneer
een erf niet is afgesloten, mag ieder er zich op begeven, tenzij de
eigenaar schade of hinder hiervan kan ondervinden of op duidelijke
wijze kenbaar heeft gemaakt, dat het verboden is zonder zijn
toestemming zich op het erf te bevinden, een en ander onverminderd
hetgeen omtrent openbare wegen is bepaald.

Artikel 5:23

1. Is
een voorwerp of een dier anders dan door opzet of grove nalatigheid
van de eigenaar op de grond van een ander terecht gekomen, dan moet
de eigenaar van de grond hem op zijn verzoek toestaan het voorwerp of
het dier op te sporen en weg te voeren.

2. De
bij de opsporing en wegvoering aangerichte schade moet door de
eigenaar van het voorwerp of het dier aan de eigenaar van de grond
worden vergoed. Voor deze vordering heeft laatstgenoemde een
retentierecht op het voorwerp of het dier.

Artikel 5:24

Aan
de Staat behoren onroerende zaken die geen andere eigenaar hebben.

Artikel 5:25

De
bodem van de territoriale zee en van de Waddenzee is eigendom van de
Staat.

Artikel 5:26

De
stranden der zee tot aan de duinvoet worden vermoed eigendom van de
Staat te zijn.

Artikel 5:27

1. De
grond waarop zich openbare vaarwateren bevinden, wordt vermoed
eigendom van de Staat te zijn.

2.
Dit vermoeden werkt niet tegenover een openbaar lichaam:

a.
dat die wateren onderhoudt en het onderhoud niet van de Staat heeft
overgenomen;

b.
dat die wateren onderhield en waarvan dit onderhoud door de Staat of
door een ander openbaar lichaam is overgenomen.

Artikel 5:28

1.
Onroerende zaken die openbaar zijn, met uitzondering van de stranden
der zee, worden, wanneer zij door een openbaar lichaam worden
onderhouden, vermoed eigendom van dat openbare lichaam te zijn.

2.
Dit vermoeden werkt niet tegenover hem aan wie het onderhoud is
overgenomen.

Artikel 5:29

De
grens van een langs een water liggend erf verplaatst zich met de
oeverlijn, behalve in geval van opzettelijke drooglegging of
tijdelijke overstroming. Een overstroming is niet tijdelijk, indien
tien jaren na de overstroming het land nog door het water wordt
overspoeld en de drooglegging niet is begonnen.

Artikel 5:30

1.
Een verplaatsing van de oeverlijn wijzigt de grens niet meer, nadat
deze is vastgelegd, hetzij door de eigenaars van land en water
overeenkomstig artikel 31, hetzij door de rechter op vordering van
een hunner tegen de ander overeenkomstig artikel 32. De vastlegging
geldt jegens een ieder.

2.
Indien bij de vastlegging in plaats van de werkelijke eigenaar van
een erf iemand die als zodanig in de openbare registers was
ingeschreven, partij is geweest, is niettemin het vorige lid van
toepassing, tenzij de werkelijke eigenaar tegen inschrijving van de
akte of het vonnis verzet heeft gedaan voordat zij is geschied.

Artikel 5:31

1. De
vastlegging van de grens door de eigenaars van land en water
geschiedt bij een daartoe bestemde notariële akte, binnen
veertien dagen gevolgd door de inschrijving daarvan in de openbare
registers.

2. De
bewaarder der registers is bevoegd van de inschrijving kennis te
geven aan ieder die als rechthebbende of beslaglegger op een der
erven staat ingeschreven.

3.
Voor zover de in de akte beschreven grens van de toenmalige oeverlijn
afwijkt, kan een derde die op het ogenblik van de inschrijving een
recht op een der erven heeft, daarvan huurder of pachter is of daarop
een beslag heeft doen inschrijven, de toenmalige oeverlijn als
vastgelegde grens aanmerken.

Artikel 5:32

1.
Een vordering tot vastlegging van de grens wordt slechts toegewezen,
indien de instelling ervan in de openbare registers is ingeschreven
en allen die toen als rechthebbende of beslaglegger op een der erven
stonden ingeschreven, tijdig in het geding zijn geroepen.

2. De
rechter bepaalt de grens overeenkomstig de oeverlijn op het tijdstip
van de inschrijving van de vordering. Alvorens de eis toe te wijzen,
kan hij de maatregelen bevelen en de bewijsopdrachten doen, die hij
in het belang van niet-verschenen belanghebbenden nuttig oordeelt.

3. De
kosten van de vordering komen ten laste van de eiser.

4.
Verzet, hoger beroep en cassatie moeten op straffe van
niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het
rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers, bedoeld in artikel
433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In afwijking van
artikel 143 van dat wetboek begint de verzettermijn te lopen vanaf de
betekening van het vonnis aan de ingeschrevene, ook als de betekening
niet aan hem in persoon geschiedt, tenzij de rechter hiertoe nadere
maatregelen heeft bevolen en aan dat bevel niet is voldaan.

5. De
vastlegging treedt in op het tijdstip dat het vonnis waarbij de
vordering is toegewezen, in de openbare registers wordt ingeschreven.
Deze inschrijving geschiedt niet voordat het vonnis in kracht van
gewijsde is gegaan.

Artikel 5:33

1.
Verplaatst zich, nadat de grens is vastgelegd, de oeverlijn van een
openbaar water landinwaarts, dan moet de eigenaar van het overspoelde
erf het gebruik van het water overeenkomstig de bestemming dulden.

2.
Verplaatst zich, nadat de grens is vastgelegd, de oeverlijn van een
water dat de eigenaar van het aanliggende erf voor enig doel mag
gebruiken, in de richting van het water, dan kan de eigenaar van dat
erf vorderen dat hem op de drooggekomen grond een of meer
erfdienstbaarheden worden verleend, waardoor hij zijn bevoegdheden
ten aanzien van het water kan blijven uitoefenen.

3.
Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ten behoeve van hem
die het water voor enig doel mag gebruiken en daartoe een
erfdienstbaarheid op het aan het water liggende erf heeft.

4. In
geval van grensvastlegging overeenkomstig artikel 32 zijn de vorige
leden reeds van toepassing, wanneer de oeverlijn zich na de
inschrijving van de vordering verplaatst.

Artikel 5:34

De
oeverlijn in de zin van de vorige vijf artikelen wordt bepaald door
de normale waterstand, of, bij wateren waarvan het peil periodiek
wisselt, door de normale hoogwaterstand. Grond, met andere dan
gewoonlijk in het water levende planten begroeid, wordt echter
gerekend aan de landzijde van de oeverlijn te liggen, ook al wordt
die grond bij hoogwater overstroomd.

Artikel 5:35

1.
Nieuw duin dat zich op het strand vormt, behoort aan de eigenaar van
het aan het strand grenzende duin, wanneer beide duinen een geheel
zijn geworden, zodanig dat zij niet meer van elkander kunnen worden
onderscheiden.

2.
Daarentegen verliest deze eigenaar de grond welke door afneming van
het duin deel van het strand wordt.

3.
Uitbreiding of afneming van een duin als bedoeld in de leden 1 en 2
brengt geen wijziging meer in de eigendom nadat de grens is
vastgesteld, hetzij door de eigenaars van strand en duin, hetzij door
de rechter op vordering van een hunner tegen de ander. De artikelen
30-32 zijn van overeenkomstige toepassing.

4.
Buiten het geval van de leden 1 en 2 brengt uitbreiding of afneming
van een duin geen wijziging in de eigendom.

Artikel 5:36

Dient
een muur, hek, heg of greppel, dan wel een niet bevaarbaar stromend
water, een sloot, gracht of dergelijke watergang als afscheiding van
twee erven, dan wordt het midden van deze afscheiding vermoed de
grens tussen deze erven te zijn. Dit vermoeden geldt niet, indien een
muur slechts aan één zijde een gebouw of werk steunt.

Titel
4. Bevoegdheden en verplichtingen van eigenaars van naburige erven

Artikel 5:37

De
eigenaar van een erf mag niet in een mate of op een wijze die volgens
artikel 162 van Boek 6 onrechtmatig is, aan eigenaars van andere
erven hinder toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer,
trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of
lucht of door het ontnemen van steun.

Artikel 5:38

Lagere
erven moeten het water ontvangen dat van hoger gelegen erven van
nature afloopt.

Artikel 5:39

De
eigenaar van een erf mag niet in een mate of op een wijze die volgens
artikel 162 van Boek 6 onrechtmatig is, aan eigenaars van andere
erven hinder toebrengen door wijziging te brengen in de loop,
hoeveelheid of hoedanigheid van over zijn erf stromend water of van
het grondwater, dan wel door gebruik van water dat zich op zijn erf
bevindt en in open gemeenschap staat met het water op eens anders
erf.

Artikel 5:40

1. De
eigenaar van een erf dat aan een openbaar of stromend water grenst,
mag van het water gebruik maken tot bespoeling, tot drenking van vee
of tot andere dergelijke doeleinden, mits hij daardoor aan eigenaars
van andere erven geen hinder toebrengt in een mate of op een wijze
die volgens artikel 162 van Boek 6 onrechtmatig is.

2.
Betreft het een openbaar water, dan is het vorige lid slechts van
toepassing voor zover de bestemming van het water zich er niet tegen
verzet.

Artikel 5:41

Van
de artikelen 38, 39 en 40 lid 1 kan bij verordening worden afgeweken.

Artikel 5:42

1.
Het is niet geoorloofd binnen de in lid 2 bepaalde afstand van de
grenslijn van eens anders erf bomen, heesters of heggen te hebben,
tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven of dat erf een
openbare weg of een openbaar water is.

2. De
in lid 1 bedoelde afstand bedraagt voor bomen twee meter te rekenen
vanaf het midden van de voet van de boom en voor de heesters en
heggen een halve meter, tenzij ingevolge een verordening of een
plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten.

3. De
nabuur kan zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van bomen,
heesters of heggen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de
erven.

4.
Ter zake van een volgens dit artikel ongeoorloofde toestand is
slechts vergoeding verschuldigd van de schade, ontstaan na het
tijdstip waartegen tot opheffing van die toestand is aangemaand.

Artikel 5:43

Onder
muur wordt in deze en de volgende titel verstaan iedere van steen,
hout of andere daartoe geschikte stof vervaardigde, ondoorzichtige
afsluiting.

Artikel 5:44

1.
Indien een nabuur wiens beplantingen over eens anders erf heenhangen,
ondanks aanmaning van de eigenaar van dit erf, nalaat het
overhangende te verwijderen, kan laatstgenoemde eigenaar eigenmachtig
het overhangende wegsnijden en zich toeëigenen.

2.
Degene op wiens erf wortels van een ander erf doorschieten, mag deze
voor zover ze doorgeschoten zijn weghakken en zich toeëigenen.

Artikel 5:45

Vruchten
die van de bomen van een erf op een naburig erf vallen, behoren aan
hem wie de vruchten van dit laatste erf toekomen.

Artikel 5:46

De
eigenaar van een erf kan te allen tijde van de eigenaar van het
aangrenzende erf vorderen dat op de grens van hun erven behoorlijk
waarneembare afpalingstekens gesteld of de bestaande zo nodig
vernieuwd worden. De eigenaars dragen in de kosten hiervan voor
gelijke delen bij.

Artikel 5:47

1.
Indien de loop van de grens tussen twee erven onzeker is, kan ieder
der eigenaars te allen tijde vorderen dat de rechter de grens
bepaalt.

2. In
geval van onzekerheid waar de grens tussen twee erven ligt, geldt
niet het wettelijk vermoeden dat de bezitter eigenaar is.

3.
Bij het bepalen van de grens kan de rechter naar gelang van de
omstandigheden het gebied waarover onzekerheid bestaat, in
gelijkwaardige of ongelijkwaardige delen verdelen dan wel het in zijn
geheel aan een der partijen toewijzen, al dan niet met toekenning van
een schadevergoeding aan een der partijen.

Artikel 5:48

De
eigenaar van een erf is bevoegd dit af te sluiten.

Artikel 5:49

1.
Ieder der eigenaars van aangrenzende erven in een aaneengebouwd
gedeelte van een gemeente kan te allen tijde vorderen dat de andere
eigenaar ertoe meewerkt, dat op de grens van de erven een scheidsmuur
van twee meter hoogte wordt opgericht, voor zover een verordening of
een plaatselijke gewoonte de wijze of de hoogte der afscheiding niet
anders regelt. De eigenaars dragen in de kosten van de afscheiding
voor gelijke delen bij.

2.
Het vorige lid is niet toepasselijk, indien een der erven een
openbare weg of een openbaar water is.

Artikel 5:50

1.
Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft
gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn
van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of
soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht
geven.

2.
De nabuur kan zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van zodanige
openingen of werken, indien zijn erf een openbare weg of een openbaar
water is, indien zich tussen de erven openbare wegen of openbare
wateren bevinden of indien het uitzicht niet verder reikt dan tot een
binnen twee meter van de opening of het werk zich bevindende muur.
Uit dezen hoofde geoorloofde openingen of werken blijven geoorloofd,
ook nadat de erven hun openbare bestemming hebben verloren of de muur
is gesloopt.

3. De
in dit artikel bedoelde afstand wordt gemeten rechthoekig uit de
buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt, of uit de
buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het
vooruitspringende werk tot aan de grenslijn der erven of de muur.

4.
Wanneer de nabuur als gevolg van verjaring geen wegneming van een
opening of werk meer kan vorderen, is hij verplicht binnen een
afstand van twee meter daarvan geen gebouwen of werken aan te brengen
die de eigenaar van het andere erf onredelijk zouden hinderen,
behoudens voor zover zulk een gebouw of werk zich daar reeds op het
tijdstip van de voltooiing van de verjaring bevond.

5.
Ter zake van een volgens dit artikel ongeoorloofde toestand is
slechts vergoeding verschuldigd van schade, ontstaan na het tijdstip
waartegen opheffing van die toestand is aangemaand.

Artikel 5:51

In
muren, staande binnen de in het vorige artikel aangegeven afstand,
mogen steeds lichtopeningen worden gemaakt, mits zij van vaststaande
en ondoorzichtige vensters worden voorzien.

Artikel 5:52

1.
Een eigenaar is verplicht de afdekking van zijn gebouwen en werken
zodanig in te richten, dat daarvan het water niet op eens anders
erf afloopt.

2.
Afwatering op de openbare weg is geoorloofd, indien zij niet bij de
wet of verordening verboden is.

Artikel 5:53

Een
eigenaar is verplicht er voor te zorgen dat geen water of vuilnis van
zijn erf in de goot van eens anders erf komt.

Artikel 5:54

1. Is
een gebouw of werk ten dele op, boven of onder het erf van een ander
gebouwd en zou de eigenaar van het gebouw of werk door wegneming van
het uitstekende gedeelte onevenredig veel zwaarder benadeeld worden
dan de eigenaar van het erf door handhaving daarvan, dan kan de
eigenaar van het gebouw of werk te allen tijde vorderen dat hem tegen
schadeloosstelling een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de
bestaande toestand wordt verleend of, ter keuze van de eigenaar van
het erf, een daartoe benodigd gedeelte van het erf wordt
overgedragen.

2.
Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing, wanneer een gebouw
of werk na verloop van tijd over andermans erf is gaan overhellen.

3. De
vorige leden zijn niet van toepassing, indien dit voortvloeit uit een
op de wet of rechtshandeling gegronde verplichting tot het dulden van
de bestaande toestand of indien de eigenaar van het gebouw of werk
ter zake van de bouw of zijn verkrijging kwade trouw of grove schuld
verweten kan worden.

Artikel 5:55

Indien
door een dreigende instorting van een gebouw of werk een naburig erf
in gevaar wordt gebracht, kan de eigenaar van dat erf te allen tijde
vorderen dat maatregelen worden genomen teneinde het gevaar op te
heffen.

Artikel 5:56

Wanneer
het voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een
onroerende zaak noodzakelijk is van een andere
onroerende zaak tijdelijk gebruik te maken, is de eigenaar van deze
zaak gehouden dit na behoorlijke kennisgeving en tegen
schadeloosstelling toe te staan, tenzij er voor deze eigenaar
gewichtige redenen bestaan dit gebruik te weigeren of tot een later
tijdstip te doen uitstellen.

Artikel 5:57

1. De
eigenaar van een erf dat geen behoorlijke toegang heeft tot een
openbare weg of een openbaar vaarwater, kan van de eigenaars van de
naburige erven te allen tijde aanwijzing van een noodweg ten dienste
van zijn erf vorderen tegen vooraf te betalen of te verzekeren
vergoeding van de schade welke hun door die noodweg wordt berokkend.

2.
Indien zich na de aanwijzing van de noodweg onvoorziene
omstandigheden voordoen, waardoor die weg een grotere last aan de
eigenaar van het erf veroorzaakt dan waarmee bij het bepalen van de
in lid 1 bedoelde vergoeding was gerekend, kan de rechter het bedrag
van de vergoeding verhogen.

3.
Bij de aanwijzing van de noodweg wordt rekening gehouden met het
belang van het ingesloten erf, dat langs die weg de openbare weg of
het openbare water zo snel mogelijk kan worden bereikt, en met het
belang van de bezwaarde erven om zo weinig mogelijk overlast van die
weg te ondervinden. Is een erf van de openbare weg afgesloten
geraakt, doordat het ten gevolge van een rechtshandeling een andere
eigenaar heeft gekregen dan een vroeger daarmee verenigd gedeelte dat
aan de openbare weg grenst of een behoorlijke toegang daartoe heeft,
dan komt dit afgescheiden gedeelte het eerst voor de belasting met
een noodweg in aanmerking.

4.
Wanneer een wijziging in de plaatselijke omstandigheden dat wenselijk
maakt, kan een noodweg op vordering van een onmiddellijk
belanghebbende eigenaar worden verlegd.

5.
Een noodweg vervalt, hoelang hij ook heeft bestaan, zodra hij niet
meer nodig is.

Artikel 5:58

1. De
eigenaar van een erf die water dat elders te zijner beschikking
staat, door een leiding wil aanvoeren, kan tegen vooraf te betalen of
te verzekeren schadevergoeding van de eigenaars der naburige erven
vorderen te gedogen dat deze leiding door of over hun erven gaat.

2. De
laatste vier leden van het vorige artikel vinden daarbij
overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:59

1.
Wanneer de grens van twee erven in de lengterichting onder een niet
bevaarbaar stromend water, een sloot, gracht of dergelijke watergang
doorloopt, heeft de eigenaar van elk dier erven met betrekking tot
die watergang in zijn gehele breedte dezelfde bevoegdheden en
verplichtingen als een mede-eigenaar. Iedere eigenaar is verplicht de
op zijn erf gelegen kant van het water, de sloot, de gracht of de
watergang te onderhouden.

2.
Iedere eigenaar is gerechtigd en verplicht hetgeen tot onderhoud
daaruit wordt verwijderd, voor zijn deel op zijn erf te ontvangen.

3.
Een door de eigenaars overeengekomen afwijkende regeling is ook
bindend voor hun rechtverkrijgenden.

Titel
5. Mandeligheid

Artikel 5:60

Mandeligheid
ontstaat, wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is
van de eigenaars van twee of meer erven en door hen tot
gemeenschappelijk nut van die erven wordt bestemd bij een tussen hun
opgemaakte notariële akte, gevolgd door inschrijving daarvan in
de openbare registers.

Artikel 5:61

1.
Mandeligheid die is ontstaan ingevolge het vorige artikel, eindigt:

a.
wanneer de gemeenschap eindigt;

b.
wanneer de bestemming van de zaak tot gemeenschappelijk nut van de
erven wordt opgeheven bij een tussen de mede-eigenaars opgemaakte
notariële akte, gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare
registers;

c.
zodra het nut van de zaak voor elk van de erven is geëindigd.

2.
Het feit dat het nut van de zaak voor elk van de erven is geëindigd,
kan in de openbare registers worden ingeschreven.

Artikel 5:62

1.
Een vrijstaande scheidsmuur, een hek of een heg is gemeenschappelijk
eigendom en mandelig, indien de grens van twee erven die aan
verschillende eigenaars toebehoren, er in de lengterichting onderdoor
loopt.

2. De
scheidsmuur die twee gebouwen of werken, welke aan verschillende
eigenaars toebehoren, gemeen hebben, is eveneens gemeenschappelijk
eigendom en mandelig.

Artikel 5:63

1.
Het recht op een mandelige zaak kan niet worden gescheiden van de
eigendom der erven.

2.
Een vordering tot verdeling van een mandelige zaak is uitgesloten.

Artikel 5:64

Mandeligheid
brengt mede dat ieder mede-eigenaar aan de overige mede-eigenaars
toegang tot de mandelige zaak moet geven.

Artikel 5:65

Mandelige
zaken moeten op kosten van alle mede-eigenaars worden onderhouden,
gereinigd en, indien nodig, vernieuwd.

Artikel 5:66

1.
Een mede-eigenaar van een mandelige zaak kan zijn aandeel in die zaak
ook afzonderlijk van zijn erf aan de overige mede-eigenaars
overdragen.

2.
Indien een mede-eigenaar hiertoe op zijn kosten wil overgaan uit
hoofde van de lasten van onderhoud, reiniging en vernieuwing in de
toekomst, zijn de overige mede-eigenaars gehouden tot die overdracht
mede te werken, mits hij hun zo nodig een recht van opstal of
erfdienstbaarheid verleent, waardoor zij met betrekking tot de zaak
hun rechten kunnen blijven uitoefenen.

3. De
vorige leden zijn niet van toepassing op een muur die twee gebouwen
of werken gemeen hebben, noch op een muur, hek of heg waardoor twee
erven in een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente van elkaar
worden gescheiden.

Artikel 5:67

1.
Iedere mede-eigenaar mag tegen de mandelige scheidsmuur aanbouwen en
daarin tot op de helft der dikte balken, ribben, ankers en andere
werken aanbrengen, mits hij aan de muur en aan de door de muur
bevoegdelijk daarmee verbonden werken geen nadeel toebrengt.

2.
Behalve in noodgevallen kan een mede-eigenaar vorderen dat, vóór
de andere mede-eigenaar begint met aanbrengen van het werk,
deskundigen zullen vaststellen op welke wijze dit kan geschieden
zonder nadeel voor de muur of voor bevoegd aangebrachte werken van de
eerst vermelde eigenaar.

Artikel 5:68

Iedere
mede-eigenaar mag op de mandelige scheidsmuur tot op de helft der
dikte een goot aanleggen, mits het water niet op het erf van de
andere mede-eigenaar uitloost.

Artikel 5:69

De
artikelen 64, 65, 66 lid 2, 67 en 68 vinden geen toepassing voorzover
een overeenkomstig artikel 168 van boek 3 getroffen regeling anders
bepaalt.

Titel
6. Erfdienstbaarheden

Artikel 5:70

1.
Een erfdienstbaarheid is een last, waarmede een onroerende zaak – het
dienende erf – ten behoeve van een andere onroerende zaak – het
heersende erf – is bezwaard.

2. In
de akte van vestiging van een erfdienstbaarheid kan aan de eigenaar
van het heersende erf de verplichting worden opgelegd aan de eigenaar
van het dienende erf op al dan niet regelmatig terugkerende
tijdstippen een geldsom – de retributie – te betalen.

Artikel 5:71

1. De
last die een erfdienstbaarheid op het dienende erf legt, bestaat in
een verplichting om op, boven of onder een der beide erven iets te
dulden of niet te doen. In de akte van vestiging kan worden bepaald
dat de last bovendien een verplichting inhoudt tot het aanbrengen van
gebouwen, werken of beplantingen die voor de uitoefening van die
erfdienstbaarheid nodig zijn, mits deze gebouwen, werken en
beplantingen zich geheel of gedeeltelijk op het dienende erf zullen
bevinden.

2. De
last die een erfdienstbaarheid op het dienende erf legt, kan ook
bestaan in een verplichting tot onderhoud van het dienende erf of van
gebouwen, werken of beplantingen die zich geheel of gedeeltelijk op
het dienende erf bevinden of zullen bevinden.

Artikel 5:72

Erfdienstbaarheden
kunnen ontstaan door vestiging en door verjaring.

Artikel 5:73

1. De
inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden
bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen
daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Is een
erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op
een bepaalde wijze uitgeoefend, dan is in geval van twijfel deze
wijze van uitoefening beslissend.

2.
Niettemin kan de eigenaar van het dienende erf voor de uitoefening
van de erfdienstbaarheid een ander gedeelte van het erf aanwijzen dan
waarop de erfdienstbaarheid ingevolge het vorige lid dient te worden
uitgeoefend, mits deze verplaatsing zonder vermindering van genot
voor de eigenaar van het heersende erf mogelijk is. Kosten,
noodzakelijk voor zodanige verandering, komen ten laste van de
eigenaar van het dienende erf.

Artikel 5:74

De
uitoefening der erfdienstbaarheid moet op de voor het dienende erf
minst bezwarende wijze geschieden.

Artikel 5:75

1.
De eigenaar van het heersende erf is bevoegd om op zijn kosten op het
dienende erf alles te verrichten wat voor de uitoefening
van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is.

2.
Hij is eveneens bevoegd om op zijn kosten op het dienende erf
gebouwen, werken en beplantingen aan te brengen, die voor de
uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn.

3.
Hij is verplicht het door hem op het dienende erf aangebrachte te
onderhouden, voor zover dit in het belang van het dienende erf nodig
is; hij is bevoegd het weg te nemen, mits hij het erf in de oude
toestand terugbrengt.

4. De
eigenaar van het dienende erf heeft geen recht van gebruik van de
gebouwen, werken en beplantingen, die daarop door de eigenaar van het
heersende erf rechtmatig zijn aangebracht.

5. In
de akte van vestiging kan van de vorige leden worden afgeweken.

6. In
geval van mandeligheid zijn in plaats van de leden 3 en 4 de uit dien
hoofde geldende regels van toepassing.

Artikel 5:76

1.
Wanneer het heersende erf wordt verdeeld, blijft de erfdienstbaarheid
bestaan ten behoeve van ieder gedeelte, ten voordele waarvan zij kan
strekken.

2.
Wanneer het dienende erf wordt verdeeld, blijft de last rusten op
ieder gedeelte, ten aanzien waarvan naar de akte van vestiging en de
aard der erfdienstbaarheid de uitoefening mogelijk is.

3. In
de akte van vestiging kan van de vorige leden worden afgeweken.

Artikel 5:77

1.
Behoort het heersende of het dienende erf toe aan twee of meer
personen, hetzij als deelgenoten, hetzij als eigenaars van
verschillende gedeelten daarvan, dan zijn zij hoofdelijk verbonden
tot nakoming van de uit de erfdienstbaarheid voortvloeiende
geldelijke verplichtingen die tijdens hun recht opeisbaar worden,
voor zover deze niet over hun rechten zijn verdeeld.

2. Na
overdracht of toedeling van het heersende of het dienende erf of van
een gedeelte daarvan of een aandeel daarin zijn de verkrijger en zijn
rechtsvoorganger hoofdelijk verbonden voor de in lid 1 bedoelde
geldelijke verplichtingen die in de voorafgaande twee jaren opeisbaar
zijn geworden.

3. In
de akte van vestiging kan van de vorige leden worden afgeweken, doch
van het tweede lid niet ten nadele van de verkrijger.

Artikel 5:78

De
rechter kan op vordering van de eigenaar van het dienende erf een
erfdienstbaarheid wijzigen of opheffen:

a. op
grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde
instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het
dienende erf kan worden gevergd:

b.
indien ten minste twintig jaren na het ontstaan van de
erfdienstbaarheid zijn verlopen en het ongewijzigd voortbestaan van
de erfdienstbaarheid in strijd is met het algemeen belang.

Artikel 5:79

De
rechter kan op vordering van de eigenaar van het dienende erf een
erfdienstbaarheid opheffen, indien de uitoefening daarvan onmogelijk
is geworden of de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang
bij de uitoefening meer heeft, en het niet aannemelijk is dat de
mogelijkheid van uitoefening of het redelijk belang daarbij zal
terugkeren.

Artikel 5:80

De
rechter kan op vordering van de eigenaar van het heersende erf de
inhoud van een erfdienstbaarheid, wanneer door onvoorziene
omstandigheden de uitoefening blijvend of tijdelijk onmogelijk is
geworden of het belang van de eigenaar van het heersende erf
aanzienlijk is verminderd, zodanig wijzigen dat de mogelijkheid van
uitoefening of het oorspronkelijke belang wordt hersteld, mits deze
wijziging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de
eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd.

Artikel 5:81

1. De
rechter kan een vordering als bedoeld in de artikelen 78-80 toewijzen
onder door hem te stellen voorwaarden.

2.
Rust op een der erven beperkt recht, dan is de vordering slechts
toewijsbaar, indien de beperkt gerechtigde in het geding is geroepen.
Bij het oordeel of aan de maatstaven van de artikelen 78 onder a., 79
en 80 is voldaan, dient mede met zijn belangen rekening te worden
gehouden.

Artikel 5:82

1.
Indien de eigenaar van het heersende erf uit hoofde van de aan de
erfdienstbaarheid verbonden lasten en verplichtingen op zijn kosten
afstand van zijn recht wil doen, is de eigenaar van het dienende erf
gehouden hieraan mede te werken.

2. In
de akte van vestiging kan voor de eerste twintig jaren anders worden
bepaald.

Artikel 5:83

Indien
op het tijdstip waarop het heersende en het dienende erf één
eigenaar verkrijgen, een derde een der erven in huur of pacht of uit
hoofde van een ander persoonlijk recht in gebruik heeft, gaat de
erfdienstbaarheid pas door vermenging teniet bij het einde van dit
gebruiksrecht.

Artikel 5:84

1.
Hij die een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een
onroerende zaak heeft, kan een erfdienstbaarheid ten behoeve van deze
zaak bedingen. Hij kan haar ook met een erfdienstbaarheid belasten.

2.
Erfdienstbaarheden, bedongen door een beperkt gerechtigde ten behoeve
van de zaak waarop zijn recht rust of door een opstaller ten behoeve
van de opstal, gaan bij het einde van het beperkte recht slechts
teniet, indien dit in de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid
is bepaald. Blijft de erfdienstbaarheid voortbestaan, dan staat een
beding als bedoeld in artikel 82 lid 2 niet langer aan afstand van de
erfdienstbaarheid in de weg.

3.
Erfdienstbaarheden, gevestigd door een beperkt gerechtigde ten laste
van de zaak waarop zijn recht rust of door een opstaller ten laste
van de opstal, gaan teniet bij het einde van het beperkte recht,
tenzij dit eindigt door vermenging of afstand of de eigenaar van de
zaak waarop het beperkte recht rustte bij een in de openbare
registers ingeschreven akte heeft verklaard met de vestiging van de
erfdienstbaarheid in te stemmen.

4. De
erfpachter, opstaller of vruchtgebruiker wordt voor de toepassing van
de overige artikelen van deze titel aangemerkt als eigenaar van het
heersende, onderscheidenlijk het dienende erf.

Titel
7. Erfpacht

Artikel 5:85

1.
Erfpacht is een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft
eens anders onroerende zaak te houden en te gebruiken.

2.
In de akte van vestiging kan aan de erfpachter de verplichting worden
opgelegd aan de eigenaar op al dan niet regelmatig terugkerende
tijdstippen een geldsom – de canon – te betalen.

Artikel 5:86

Partijen
kunnen in de akte van vestiging de duur van de erfpacht regelen.

Artikel 5:87

1.
Een erfpacht kan door de erfpachter worden opgezegd, tenzij in de
akte van vestiging anders is bepaald.

2.
Een erfpacht kan door de eigenaar worden opgezegd, indien de
erfpachter in verzuim is de canon over twee achtereenvolgende jaren
te betalen of in ernstige mate tekortschiet in de nakoming van zijn
andere verplichtingen. Deze opzegging moet op straffe van nietigheid
binnen acht dagen worden betekend aan degenen die als beperkt
gerechtigde of beslaglegger op de erfpacht in de openbare registers
staan ingeschreven. Na het einde van de erfpacht is de eigenaar
verplicht de waarde die de erfpacht dan heeft aan de erfpachter te
vergoeden, na aftrek van hetgeen hij uit hoofde van de erfpacht van
de erfpachter te vorderen heeft, de kosten daaronder begrepen.

3.
Een beding dat ten nadele van de erfpachter van het vorige lid
afwijkt is nietig. In de akte van vestiging kan aan de eigenaar de
bevoegdheid worden toegekend tot opzegging, behoudens op grond van
tekortschieten van de erfpachter in de nakoming van zijn
verplichtingen.

Artikel 5:88

1.
Iedere opzegging geschiedt bij exploit. Zij geschiedt tenminste een
jaar voor het tijdstip waartegen wordt opgezegd, doch in het geval
van artikel 87 lid 2 tenminste een maand voor dat tijdstip.

2. In
het geval van artikel 87 lid 2 weigert de bewaarder de inschrijving
van de opzegging als niet tevens wordt overgelegd de betekening
daarvan aan degenen die in de openbare registers als beperkt
gerechtigde of beslaglegger op de erfpacht stonden ingeschreven.

Artikel 5:89

1.
Voor zover niet in de akte van vestiging anders is bepaald, heeft de
erfpachter hetzelfde genot van de zaak als een eigenaar.

2.
Hij mag echter zonder toestemming van de eigenaar niet een andere
bestemming aan de zaak geven of een handeling in strijd met de
bestemming van de zaak verrichten.

3.
Voor zover niet in de akte van vestiging anders is bepaald, heeft de
erfpachter, zowel tijdens de duur van de erfpacht als bij het einde
daarvan, de bevoegdheid gebouwen, werken en beplantingen, die door
hemzelf of een rechtsvoorganger onverplicht zijn aangebracht of van
de eigenaar tegen vergoeding der waarde zijn overgenomen, weg te
nemen, mits hij de in erfpacht gegeven zaak in de oude toestand
terugbrengt.

Artikel 5:90

1.
Voor zover niet in de akte van vestiging anders is bepaald, behoren
vruchten die tijdens de duur der erfpacht zijn afgescheiden of
opeisbaar geworden, en voordelen van roerende aard, die de zaak
oplevert, aan de erfpachter.

2.
Voordelen van onroerende aard behoren aan de eigenaar toe. Zij zijn
eveneens aan de erfpacht onderworpen, tenzij in de akte van vestiging
anders is bepaald.

Artikel 5:91

1. In
de akte van vestiging kan worden bepaald dat de erfpacht niet zonder
toestemming van de eigenaar kan worden overgedragen of toebedeeld.
Een zodanige bepaling staat aan executie door schuldeisers niet in de
weg.

2. In
de akte van vestiging kan ook worden bepaald, dat de erfpachter zijn
recht niet zonder toestemming van de eigenaar kan splitsen door
overdracht of toedeling van de erfpacht op een gedeelte van de zaak.

3.
Een beding als in de vorige leden bedoeld kan ook worden gemaakt ten
aanzien van de appartementsrechten, waarin een gebouw door de
erfpachter wordt gesplitst. Het kan slechts aan een verkrijger onder
bijzondere titel van een recht op het appartementsrecht worden
tegengeworpen, indien het in de akte van splitsing is omschreven.

4.
Indien de eigenaar de vereiste toestemming zonder redelijke gronden
weigert of zich niet verklaart, kan zijn toestemming op verzoek van
degene die haar behoeft, worden vervangen door een machtiging van de
kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de zaak
of het grootste gedeelte daarvan is gelegen.

Artikel 5:92

1.
Behoort de erfpacht toe aan twee of meer personen, hetzij als
deelgenoten hetzij als erfpachter van verschillende gedeelten van de
zaak, dan zijn zij hoofdelijk verbonden voor de gehele canon die
tijdens hun recht opeisbaar wordt, voor zover deze niet over hun
rechten verdeeld is.

2. Na
overdracht of toedeling van de erfpacht op de zaak of een gedeelte
daarvan of van een aandeel in de erfpacht zijn de verkrijger en zijn
rechtsvoorganger hoofdelijk verbonden voor de door laatstgenoemde
verschuldigde canon die in de voorafgaande vijf jaren opeisbaar is
geworden.

3. In
de akte van vestiging kan van de vorige leden worden afgeweken, doch
van het tweede lid niet ten nadele van de verkrijger.

Artikel 5:93

1. De
erfpachter is bevoegd de zaak waarop het recht van erfpacht rust,
geheel of ten dele in ondererfpacht te geven, voor zover in de akte
van vestiging niet anders is bepaald. Aan de ondererfpachter komen
ten aanzien van de zaak niet meer bevoegdheden toe dan de erfpachter
jegens de eigenaar heeft.

2. De
ondererfpacht gaat bij het einde van de erfpacht teniet, tenzij deze
eindigt door vermenging of afstand. De eigenaar kan voor de ter zake
van de erfpacht verschuldigde canon het recht van erfpacht vrij van
ondererfpacht uitwinnen. Het in de vorige zinnen van dit lid bepaalde
geldt niet, indien de eigenaar bij een in de openbare registers
ingeschreven notariële akte heeft verklaard met de vestiging van
de ondererfpacht in te stemmen.

3.
Voor de toepassing van de overige artikelen van deze titel wordt de
erfpachter in zijn verhouding tot de ondererfpachter als eigenaar
aangemerkt.

Artikel 5:94

1. De
erfpachter is bevoegd de zaak waarop het recht van erfpacht rust, te
verhuren of te verpachten, voor zover in de akte van vestiging niet
anders is bepaald.

2. Na
het einde van de erfpacht is de eigenaar verplicht een bevoegdelijk
aangegane verhuur of verpachting gestand te doen. Hij kan nochtans
gestanddoening weigeren, voor zover zonder zijn toestemming hetzij de
overeengekomen tijdsduur van de huur langer is dan met het
plaatselijk gebruik overeenstemt of bedrijfsruimte in de zin van de
zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 is verhuurd voor een langere
tijd dan vijf jaren, hetzij de verpachting is geschied voor een
langere duur dan twaalf jaren voor hoeven en zes jaren voor los land,
hetzij de verhuring of verpachting is geschied op ongewone voor hem
bezwarende voorwaarden.

3.
Hij verliest de bevoegdheid gestanddoening te weigeren, wanneer de
huurder of pachter hem een redelijke termijn heeft gesteld om zich
omtrent de gestanddoening te verklaren en hij zich niet binnen deze
termijn heeft uitgesproken.

4.
Indien de eigenaar volgens de vorige leden niet verplicht is tot
gestanddoening van een door de erfpachter aangegane verhuring van
woonruimte waarin de huurder bij het eindigen van de erfpacht zijn
hoofdverblijf heeft en waarop de artikelen 271 tot en met 277 van
Boek 7 van toepassing zijn, moet hij de huurovereenkomst niettemin
met de huurder voortzetten met dien verstande dat artikel 269 lid 2
van Boek 7, van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 5:95

Tot
het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van
verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak die
zowel het recht van de eigenaar als dat van de erfpachter betreft, is
ieder van hen bevoegd, mits hij zorg draagt dat de ander tijdig in
het geding wordt geroepen.

Artikel 5:96

1.
Gewone lasten en herstellingen worden door de erfpachter gedragen en
verricht. De erfpachter is verplicht, wanneer buitengewone
herstellingen nodig zijn, aan de eigenaar van deze noodzakelijkheid
kennis te geven en hem gelegenheid te verschaffen tot het doen van
deze herstellingen. De eigenaar is niet tot het doen van enige
herstelling verplicht.

2. De
erfpachter is verplicht de buitengewone lasten die op de zaak drukken
te voldoen.

3. In
de akte van vestiging kan van de vorige leden worden afgeweken.

Artikel 5:97

1.
Indien vijf en twintig jaren na de vestiging van de erfpacht zijn
verlopen, kan de rechter op vordering van de eigenaar of de
erfpachter de erfpacht wijzigen of opheffen op grond van onvoorziene
omstandigheden, welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de akte
van vestiging niet van de eigenaar of de erfpachter kan worden
gevergd.

2. De
rechter kan de vordering onder door hem vast te stellen voorwaarden
toewijzen.

3.
Rust op de erfpacht of op de zaak een beperkt recht, dan is de
vordering slechts toewijsbaar, indien de beperkt gerechtigde in het
geding is geroepen en ook te zijnen aanzien aan de maatstaf van lid 1
is voldaan.

Artikel 5:98

1.
Wanneer de tijd waarvoor de erfpacht is gevestigd, is verstreken en
de erfpachter de zaak niet op dat tijdstip heeft ontruimd, blijft de
erfpacht doorlopen, tenzij de eigenaar uiterlijk zes maanden na dat
tijdstip doet blijken dat hij haar als geëindigd beschouwt. De
eigenaar en de erfpachter kunnen de verlengde erfpacht opzeggen op de
wijze en met inachtneming van de termijn vermeld in artikel 88.

2.
Ieder beding dat ten nadele van de erfpachter van dit artikel
afwijkt, is nietig.

Artikel 5:99

1. Na
het einde van de erfpacht heeft de voormalige erfpachter recht op
vergoeding van de waarde van nog aanwezige gebouwen, werken en
beplantingen, die door hemzelf of een rechtsvoorganger zijn
aangebracht of van de eigenaar tegen vergoeding der waarde zijn
overgenomen.

2. In
de akte van vestiging kan worden bepaald dat de erfpachter geen recht
heeft op de in het eerste lid bedoelde vergoeding:

a.
indien de in erfpacht gegeven grond een andere bestemming had dan die
van woningbouw;

b.
indien de erfpachter de gebouwen, werken en beplantingen niet zelf
heeft bekostigd;

c.
indien de erfpacht geëindigd is door opzegging door de
erfpachter;

d.
voor zover de gebouwen, werken en beplantingen onverplicht waren
aangebracht en hij ze bij het einde van de erfpacht mocht wegnemen.

3. De
eigenaar is bevoegd van de door hem ingevolge dit artikel
verschuldigde vergoeding af te houden hetgeen hij uit hoofde van de
erfpacht van de erfpachter te vorderen heeft.

Artikel 5:100

1. De
erfpachter heeft een retentierecht op de in erfpacht uitgegeven zaak
totdat hem de verschuldigde vergoeding is betaald.

2.
Ieder van het vorige lid afwijkend beding is nietig.

3. De
eigenaar heeft een retentierecht op hetgeen de erfpachter mocht
hebben afgebroken, totdat hem hetgeen hij uit hoofde van de erfpacht
heeft te vorderen is voldaan.

Titel
8. Opstal

Artikel 5:101

1.
Het recht van opstal is een zakelijk recht om in, op of boven een
onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of beplantingen in
eigendom te hebben of te verkrijgen.

2.
Het recht van opstal kan zelfstandig dan wel afhankelijk van een
ander zakelijk recht of van een recht van huur of pacht op de
onroerende zaak worden verleend.

3. In
de akte van vestiging kan de opstaller de verplichting worden
opgelegd aan de eigenaar op al dan niet regelmatig terugkerende
tijdstippen een geldsom – de retributie – te betalen.

Artikel 5:102

De
bevoegdheden van de opstaller tot het gebruiken, aanbrengen en
wegnemen van de gebouwen, werken en beplantingen kunnen in de akte
van vestiging worden beperkt.

Artikel 5:103

Bij
gebreke van een regeling daaromtrent in de akte van vestiging heeft
de opstaller ten aanzien van de zaak waarop zijn recht rust, de
bevoegdheden die voor het volle genot van zijn recht nodig zijn.

Artikel 5:104

1. De
artikelen 92 en 95 zijn van overeenkomstige toepassing op het recht
van opstal.

2. De
artikelen 86, 87, 88, 91, 93, 94, 97 en 98 zijn van overeenkomstige
toepassing op een zelfstandig recht van opstal.

Artikel 5:105

1.
Wanneer het recht van opstal tenietgaat, gaat de eigendom van de
gebouwen, werken en beplantingen van rechtswege over op de eigenaar
van de onroerende zaak waarop het rustte.

2.
Voor zover niet in de akte van vestiging anders is bepaald, heeft de
opstaller bij het einde van zijn recht de bevoegdheid gebouwen,
werken en beplantingen die door hemzelf of een rechtsvoorganger
onverplicht zijn aangebracht dan wel van de eigenaar tegen vergoeding
der waarde zijn overgenomen weg te nemen, mits hij de onroerende zaak
waarop het recht rustte in de oude toestand terugbrengt.

3. De
artikelen 99 en 100 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat het aan de opstaller toekomende retentierecht slechts
de gebouwen, werken en beplantingen omvat.

Titel
9. Appartementsrechten

Afdeling
1. Algemene bepalingen

Artikel 5:106

1.
Een eigenaar, erfpachter of opstaller is bevoegd zijn recht op een
gebouw met toebehoren en op de daarbij behorende grond met toebehoren
te splitsen in appartementsrechten.

2.
Een eigenaar, erfpachter of opstaller is eveneens bevoegd zijn recht
op een stuk grond te splitsen in appartementsrechten.

3.
Een appartementsrecht is op zijn beurt voor splitsing in
appartementsrechten vatbaar. Een appartementseigenaar is tot deze
ondersplitsing bevoegd, voor zover in de akte van splitsing niet
anders is bepaald.

4.
Onder appartementsrecht wordt verstaan een aandeel in de goederen die
in de splitsing zijn betrokken, dat de bevoegdheid omvat tot het
uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van het gebouw die
blijkens hun inrichting bestemd zijn of worden om als afzonderlijk
geheel te worden gebruikt. Het aandeel kan mede omvatten de
bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van de
bij het gebouw behorende grond. In het geval van lid 2 omvat het
aandeel de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van bepaalde
gedeelten van het stuk grond, die blijkens hun inrichting of
aanduiding bestemd zijn of worden om als afzonderlijk geheel te
worden gebruikt.

5.
Onder appartementseigenaar wordt verstaan de gerechtigde tot een
appartementsrecht.

6.
Onder gebouw wordt in deze titel mede verstaan een groep van gebouwen
die in één splitsing zijn betrokken.

7.
Een erfpachter of opstaller is tot een splitsing in
appartementsrechten slechts bevoegd na verkregen toestemming van de
grondeigenaar. Indien deze de vereiste toestemming kennelijk zonder
redelijke grond weigert of zich niet verklaart, kan de toestemming op
verzoek van degene die haar behoeft worden vervangen door een
machtiging van de kantonrechter van de rechtbank van het
arrondissement waarin het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is
gelegen.

Artikel 5:107

Een
eigenaar, erfpachter of opstaller is ook bevoegd in verband met een
door hem beoogde stichting of gewijzigde inrichting van een gebouw
zijn recht op het gebouw met toebehoren en de daarbij behorende grond
met toebehoren te splitsen in appartementsrechten. Ook in geval van
zodanige splitsing ontstaan de appartementsrechten op het tijdstip
van inschrijving van de akte van splitsing.

Artikel 5:108

1. De
appartementseigenaars zijn jegens elkander verplicht de bouw, de
inrichting van het gebouw of de inrichting of aanduiding van de grond
tot stand te brengen en in stand te houden in overeenstemming met het
daaromtrent in de akte van splitsing bepaalde.

2. De
rechter kan de uitspraak op een vordering, gegrond op het vorige lid,
aanhouden wanneer een op artikel 144 lid 1 onder c, d of h gegrond
verzoek aanhangig is.

Artikel 5:109

1. De
splitsing geschiedt door een daartoe bestemde notariële akte,
gevolgd door inschrijving van die akte in de openbare registers.

2.
Aan de minuut van de akte van splitsing wordt een tekening gehecht,
aangevende de begrenzing van de onderscheidene gedeelten van het
gebouw en de grond, die bestemd zijn als afzonderlijk geheel te
worden gebruikt en waarvan volgens de akte het uitsluitend gebruik in
een appartementsrecht zal zijn begrepen. De tekening dient te voldoen
aan de eisen, krachtens de wet bedoeld in artikel 16 lid 2 van Boek 3
voor de inschrijving daarvan te stellen.

3.
Waar in de bepalingen van deze titel wordt gesproken van de akte van
splitsing, is hieronder de tekening begrepen, tenzij uit de bepaling
het tegendeel blijkt.

Artikel 5:110

1.
Ondanks onbevoegdheid van degene die de splitsing heeft verricht, om
over een daarin betrokken registergoed te beschikken, is de splitsing
geldig, indien zij is gevolgd door een geldige overdracht van een
appartementsrecht of vestiging van een beperkt recht op een
appartementsrecht.

2.
Een ongeldige splitsing wordt eveneens als geldig aangemerkt, wanneer
een appartementsrecht is verkregen door verjaring.

Artikel 5:111

De
akte van splitsing moet inhouden:

a. de
vermelding van de plaatselijke ligging van het gebouw of de grond;

b.
een nauwkeurige omschrijving van de onderscheiden gedeelten van het
gebouw of de grond, die bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te
worden gebruikt, welke omschrijving kan plaatsvinden door verwijzing
naar de in artikel 109 lid 2 bedoelde tekening, alsmede de vermelding
voor elk dier gedeelten, tot welk appartementsrecht de bevoegdheid
tot gebruik daarvan behoort;

c. de
kadastrale aanduiding van de appartementsrechten en de vermelding van
de appartementseigenaar;

d.
een reglement, waartoe geacht worden te behoren de bepalingen van een
nauwkeurig aangeduid modelreglement dat is ingeschreven in de
openbare registers ter plaatse waar de akte moet worden ingeschreven.

Artikel 5:112

1.
Het reglement moet inhouden:

a.
welke schulden en kosten voor rekening van de gezamenlijke
appartementseigenaars komen;

b.
een regeling omtrent een jaarlijks op te stellen exploitatierekening,
lopende over het voorafgaande jaar, en de door de
appartementseigenaars te storten bijdragen;

c.
een regeling omtrent het gebruik, het beheer en het onderhoud van de
gedeelten die niet bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden
gebruikt;

d.
door wiens zorg en tegen welke gevaren het gebouw ten behoeve van de
gezamenlijke appartementseigenaars moet worden verzekerd;

e. de
oprichting van een vereniging van eigenaars, die ten doel heeft het
behartigen v

Close Menu
×
×

Basket