Burgerlijk Wetboek Art. 2:175 BW – boek 6

netherlands-coat-armsBurgerlijk Wetboek Art
previous companies act
next companies act

Verbintenissenrecht

Titel
1. Verbintenissen in het algemeen

Afdeling
1. Algemene
bepalingen

Artikel 6:1

Verbintenissen
kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit.

Artikel 6:2

1.
Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te
gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.

2.
Een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende
regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven
omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar zou zijn.

Artikel 6:3

1.
Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet- afdwingbare
verbintenis.

2.
Een natuurlijke verbintenis bestaat:

a.
wanneer de wet of een rechtshandeling aan een verbintenis de
afdwingbaarheid onthoudt;

b.
wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting
heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet
afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een
aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.

Artikel 6:4

Op
natuurlijke verbintenissen zijn de wettelijke bepalingen betreffende
verbintenissen van overeenkomstige toepassing, tenzij de wet of haar
strekking meebrengt dat een bepaling geen toepassing mag vinden op
een niet-afdwingbare verbintenis.

Artikel 6:5

1.
Een natuurlijke verbintenis wordt omgezet in een rechtens afdwingbare
door een overeenkomst van de schuldenaar met de schuldeiser.

2.
Een door de schuldenaar tot de schuldeiser gericht aanbod tot een
zodanige overeenkomst om niet, geldt als aanvaard, wanneer het aanbod
ter kennis van de schuldeiser is gekomen en deze het niet onverwijld
heeft afgewezen.

3. Op
de overeenkomst zijn de bepalingen betreffende schenkingen en giften
niet van toepassing.

Afdeling
2. Pluraliteit van schuldenaren en hoofdelijke verbondenheid

Artikel 6:6

1. Is
een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd, dan zijn
zij ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij uit wet, gewoonte of
rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of
hoofdelijk verbonden zijn.

2. Is
de prestatie ondeelbaar of vloeit uit wet, gewoonte of
rechtshandeling voort dat de schuldenaren ten aanzien van een zelfde
schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn, dan zijn zij
hoofdelijk verbonden.

3.
Uit een overeenkomst van een schuldenaar met zijn schuldeiser kan
voortvloeien dat, wanneer de schuld op twee of meer rechtsopvolgers
overgaat, dezen voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zullen
zijn.

Artikel 6:7

1.
Indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, heeft de
schuldeiser tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het
geheel.

2.
Nakoming door een der schuldenaren bevrijdt ook zijn medeschuldenaren
tegenover de schuldeiser. Hetzelfde geldt, wanneer de schuld wordt
gedelgd door inbetalinggeving of verrekening, alsmede wanneer de
rechter op vordering van een der schuldenaren artikel 60 toepast,
tenzij hij daarbij anders bepaalt.

Artikel 6:8

Op de
rechtsbetrekkingen tussen de hoofdelijke schuldenaren onderling is
artikel 2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:9

1.
Iedere hoofdelijke schuldenaar is bevoegd namens de overige
schuldenaren een aanbod tot afstand om niet van het vorderingsrecht
te aanvaarden, voor zover de afstand ook de andere schuldenaren
betreft.

2.
Uitstel van betaling, door de schuldeiser aan een der schuldenaren
verleend, werkt ook ten aanzien van zijn medeschuldenaren, voor zover
blijkt dat dit de bedoeling van de schuldeiser is.

Artikel 6:10

1.
Hoofdelijke schuldenaren zijn, ieder voor het gedeelte van de schuld
dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht
overeenkomstig de volgende leden in de schuld en in de kosten bij te
dragen.

2. De
verplichting tot bijdragen in de schuld die ten laste van een der
hoofdelijke schuldenaren wordt gedelgd voor meer dan het gedeelte dat
hem aangaat, komt op iedere medeschuldenaar te rusten voor het bedrag
van dit meerdere, telkens tot ten hoogste het gedeelte van de schuld
dat de medeschuldenaar aangaat.

3. In
door een hoofdelijke schuldenaar in redelijkheid gemaakte kosten moet
iedere medeschuldenaar bijdragen naar evenredigheid van het gedeelte
van de schuld dat hem aangaat, tenzij de kosten slechts de
schuldenaar persoonlijk betreffen.

Artikel 6:11

1.
Een uit hoofde van het vorige artikel tot bijdragen aangesproken
medeschuldenaar kan de verweermiddelen die hij op het tijdstip van
het ontstaan van de verplichting tot bijdragen jegens de schuldeiser
had, ook inroepen tegen de hoofdelijke schuldenaar die de bijdrage
van hem verlangt.

2.
Niettemin kan hij een zodanig verweermiddel niet tegen deze
schuldenaar inroepen, indien het na hun beider verbintenis is
ontstaan uit een rechtshandeling die de schuldeiser met of jegens de
aangesprokene heeft verricht.

3.
Een beroep op verjaring van de rechtsvordering van de schuldeiser
komt de tot bijdragen aangesprokene slechts toe, indien op het
tijdstip van het ontstaan van de verplichting tot bijdragen zowel
hijzelf als degene die de bijdrage verlangt, jegens de schuldeiser de
voltooiing van de verjaring had kunnen inroepen.

4. De
vorige leden zijn slechts van toepassing, voor zover uit de
rechtsverhouding tussen de schuldenaren niet anders voortvloeit.

Artikel 6:12

1.
Wordt de schuld ten laste van een hoofdelijke schuldenaar gedelgd
voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, dan gaan de rechten van
de schuldeiser jegens de medeschuldenaren en jegens derden krachtens
subrogatie voor dit meerdere op die schuldenaar over, telkens tot ten
hoogste het gedeelte dat de medeschuldenaar of de derde aangaat in
zijn verhouding tot die schuldenaar.

2.
Door de subrogatie wordt de vordering, indien zij een andere
prestatie dan geld betrof, omgezet in een geldvordering van gelijke
waarde.

Artikel 6:13

1.
Blijkt verhaal op een hoofdelijke schuldenaar voor een vordering als
bedoeld in de artikelen 10 en 12 geheel of gedeeltelijk onmogelijk,
dan wordt het onverhaalbaar gebleken deel over al zijn
medeschuldenaren omgeslagen naar evenredigheid van de gedeelten
waarvoor de schuld ieder van hen in hun onderlinge verhouding
aanging.

2.
Werd de schuld geheel of gedeeltelijk gedelgd ten laste van een
hoofdelijke schuldenaar wie de schuld zelf niet aanging en blijkt op
geen van de medeschuldenaren wie de schuld wel aanging verhaal
mogelijk, dan wordt het onverhaalbaar gebleken deel over alle
medeschuldenaren wie de schuld niet aanging, omgeslagen naar
evenredigheid van de bedragen waarvoor ieder op het tijdstip van de
delging van de schuld jegens de schuldeiser aansprakelijk was.

3.
Ieder der in een omslag betrokkenen blijft gerechtigd het
bijgedragene alsnog van hem die geen verhaal bood, terug te vorderen.

Artikel 6:14

Afstand
door de schuldeiser van zijn vorderingsrecht jegens een hoofdelijke
schuldenaar bevrijdt deze niet van zijn verplichting tot bijdragen.
De schuldeiser kan hem niettemin van zijn verplichting tot bijdragen
jegens een medeschuldenaar bevrijden door zich jegens deze laatste te
verbinden zijn vordering op hem te verminderen met het bedrag dat als
bijdrage gevorderd had kunnen worden.

Afdeling
3. Pluraliteit van schuldeisers

Artikel 6:15

1. Is
een prestatie aan twee of meer schuldeisers verschuldigd, dan heeft
ieder van hen een vorderingsrecht voor een gelijk deel, tenzij uit
wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de prestatie hun
voor ongelijke delen toekomt of dat zij gezamenlijk één
vorderingsrecht hebben.

2. Is
de prestatie ondeelbaar of valt het recht daarop in een gemeenschap,
dan hebben zij gezamenlijk één vorderingsrecht.

3.
Aan de schuldenaar kan niet worden tegengeworpen dat het
vorderingsrecht in een gemeenschap valt, wanneer dit recht
voortspruit uit een overeenkomst die hij met de deelgenoten heeft
gesloten, maar hij niet wist noch behoefde te weten dat dit recht van
die gemeenschap ging deel uitmaken.

Artikel 6:16

Wanneer
met de schuldenaar is overeengekomen dat twee of meer personen als
schuldeiser de prestatie van hem voor het geheel kunnen vorderen, des
dat de voldoening aan de een hem ook jegens de anderen bevrijdt, doch
in de onderlinge verhouding van die personen de prestatie niet aan
hen allen gezamenlijk toekomt, zijn op hun rechtsverhouding jegens de
schuldenaar de in geval van gemeenschap geldende regels van
overeenkomstige toepassing.

Afdeling
4. Alternatieve verbintenissen

Artikel 6:17

1.
Een verbintenis is alternatief, wanneer de schuldenaar verplicht is
tot één van twee of meer verschillende prestaties ter
keuze van hemzelf, van de schuldeiser of van een derde.

2. De
keuze komt toe aan de schuldenaar, tenzij uit wet, gewoonte of
rechtshandeling anders voortvloeit.

Artikel 6:18

Een
alternatieve verbintenis wordt enkelvoudig door het uitbrengen van de
keuze door de daartoe bevoegde.

Artikel 6:19

1.
Wanneer de keuze aan een der partijen toekomt, gaat de bevoegdheid om
te kiezen op de andere partij over, indien deze haar wederpartij een
redelijke termijn heeft gesteld tot bepaling van haar keuze en deze
daarbinnen haar keuze niet heeft uitgebracht.

2. De
bevoegdheid om te kiezen gaat echter niet over op de schuldeiser
voordat deze het recht heeft om nakoming te vorderen, noch op de
schuldenaar voordat deze het recht heeft om te voldoen.

3.
Indien op de vordering een pandrecht of een beslag rust en de
aangevangen executie bij gebreke van een keuze niet kan worden
voortgezet, kan de pandhouder of de beslaglegger aan beide partijen
een redelijke termijn stellen om overeenkomstig hun onderlinge
rechtsverhouding een keuze uit te brengen. Indien de keuze niet
binnen deze termijn geschiedt, gaat de bevoegdheid tot kiezen op de
pandhouder of beslaglegger over. Zij zijn gehouden niet nodeloos van
deze bevoegdheid gebruik te maken.

Artikel 6:20

1. De
onmogelijkheid om een of meer der prestaties te verrichten doet geen
afbreuk aan de bevoegdheid om te kiezen.

2.
Indien de keuze aan de schuldenaar toekomt, is deze echter niet
bevoegd een onmogelijke prestatie te kiezen, tenzij de onmogelijkheid
een gevolg is van een aan de schuldeiser toe te rekenen oorzaak of
deze met de keuze instemt.

Afdeling
5. Voorwaardelijke verbintenissen

Artikel 6:21

Een
verbintenis is voorwaardelijk, wanneer bij rechtshandeling haar
werking van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhankelijk is
gesteld.

Artikel 6:22

Een
opschortende voorwaarde doet de werking der verbintenis eerst met het
plaatsvinden der gebeurtenis aanvangen; een ontbindende voorwaarde
doet de verbintenis met het plaatsvinden der gebeurtenis vervallen.

Artikel 6:23

1.
Wanneer de partij die bij de niet-vervulling belang had, de
vervulling heeft belet, geldt de voorwaarde als vervuld, indien
redelijkheid en billijkheid dit verlangen.

2.
Wanneer de partij die bij de vervulling belang had, deze heeft
teweeggebracht, geldt de voorwaarde als niet vervuld, indien
redelijkheid en billijkheid dit verlangen.

Artikel 6:24

1.
Nadat een ontbindende voorwaarde is vervuld, is de schuldeiser
verplicht de reeds verrichte prestaties ongedaan te maken, tenzij uit
de inhoud of strekking van de rechtshandeling anders voortvloeit.

2.
Strekt de verplichting tot ongedaanmaking tot teruggave van een goed,
dan komen de na de vervulling van de voorwaarde afgescheiden
natuurlijke of opeisbaar geworden burgerlijke vruchten aan de
schuldenaar toe en zijn de artikelen 120-124 van Boek 3 van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot hetgeen daarin is
bepaald omtrent de vergoeding van kosten en van schade, voor zover
die kosten en die schade na de vervulling zijn ontstaan.

Artikel 6:25

Is
een krachtens een verbintenis onder opschortende voorwaarde
verschuldigde prestatie vóór de vervulling van de
voorwaarde verricht, dan kan overeenkomstig afdeling 2 van titel 4
ongedaanmaking van de prestatie worden gevorderd, zolang de
voorwaarde niet in vervulling is gegaan.

Artikel 6:26

Op
voorwaardelijke verbintenissen zijn de bepalingen betreffende
onvoorwaardelijke verbintenissen van toepassing, voor zover het
voorwaardelijk karakter van de betrokken verbintenis zich daartegen
niet verzet.

Afdeling
6. Nakoming van verbintenissen

Artikel 6:27

Hij
die een individueel bepaalde zaak moet afleveren, is verplicht tot de
aflevering voor deze zaak zorg te dragen op de wijze waarop een
zorgvuldig schuldenaar dit in de gegeven omstandigheden zou doen.

Artikel 6:28

Indien
de verschuldigde zaak of zaken slechts zijn bepaald naar de soort en
binnen de aangeduide soort verschil in kwaliteit bestaat, mag hetgeen
de schuldenaar aflevert, niet beneden goede gemiddelde kwaliteit
liggen.

Artikel 6:29

De
schuldenaar is zonder toestemming van de schuldeiser niet bevoegd het
verschuldigde in gedeelten te voldoen.

Artikel 6:30

1.
Een verbintenis kan door een ander dan de schuldenaar worden
nagekomen, tenzij haar inhoud of strekking zich daartegen verzet.

2. De
schuldeiser komt niet in verzuim, indien hij een door een derde
aangeboden voldoening weigert met goedvinden van de schuldenaar.

Artikel 6:31

Betaling
aan een onbekwame schuldeiser bevrijdt de schuldenaar,
voor zover het betaalde de onbekwame tot werkelijk voordeel heeft
gestrekt of in de macht is gekomen van diens wettelijke
vertegenwoordiger.

Artikel 6:32

Betaling
aan een ander dan de schuldeiser of dan degene die met hem of in zijn
plaats bevoegd is haar te ontvangen, bevrijdt de schuldenaar, voor
zover degene aan wie betaald moest worden de betaling heeft
bekrachtigd of erdoor is gebaat.

Artikel 6:33

Is de
betaling gedaan in weerwil van een beslag of terwijl de schuldeiser
wegens een beperkt recht, een bewind of een soortgelijk beletsel
onbevoegd was haar te ontvangen, en wordt de schuldenaar deswege
genoodzaakt opnieuw te betalen, dan heeft hij verhaal op de
schuldeiser.

Artikel 6:34

1. De
schuldenaar die heeft betaald aan iemand die niet bevoegd was de
betaling te ontvangen, kan aan degene aan wie betaald moest worden,
tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald, indien hij op redelijke
gronden heeft aangenomen dat de ontvanger der betaling als
schuldeiser tot de prestatie gerechtigd was of dat uit anderen hoofde
aan hem moest worden betaald.

2.
Indien iemand zijn recht om betaling te vorderen verliest, in dier
voege dat het met terugwerkende kracht aan een ander toekomt, kan de
schuldenaar een inmiddels gedane betaling aan die ander tegenwerpen,
tenzij hetgeen hij omtrent dit verlies kon voorzien, hem van de
betaling had behoren te weerhouden.

Artikel 6:35

1. Is
in geval van betaling door een derde te zijnen aanzien aan de
vereiste van één der leden van het vorige artikel
voldaan, dan kan hij te zijnen behoeve de bevrijdende werking van die
betaling inroepen.

2. De
schuldenaar kan de bevrijdende werking van die betaling te zijnen
behoeve inroepen, indien, bij betaling door hemzelf, ook wat hem
betreft aan die vereisten zou zijn voldaan.

Artikel 6:36

In de
gevallen, bedoeld in de twee voorgaande artikelen, heeft de ware
gerechtigde verhaal op degene die de betaling zonder recht heeft
ontvangen.

Artikel 6:37

De
schuldenaar is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te
schorten, indien hij op redelijke gronden twijfelt aan wie de
betaling moet geschieden.

Artikel 6:38

Indien
geen tijd voor de nakoming is bepaald, kan de verbintenis terstond
worden nagekomen en kan terstond nakoming worden gevorderd.

Artikel 6:39

1. Is
wel een tijd voor de nakoming bepaald, dan wordt vermoed dat dit
slechts belet dat eerdere nakoming wordt gevorderd.

2.
Betaling vóór de vervaldag geldt niet als
onverschuldigd.

Artikel 6:40

De
schuldenaar kan de tijdsbepaling niet meer inroepen:

a.
wanneer hij in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien
van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard;

b.
wanneer hij in gebreke blijft de door hem toegezegde zekerheid te
verschaffen;

c.
wanneer door een aan hem toe te rekenen oorzaak de voor de vordering
gestelde zekerheid verminderd is, tenzij het overgeblevene nog een
voldoende waarborg voor de voldoening oplevert.

Artikel 6:41

Indien
geen plaats voor de nakoming is bepaald, moet de aflevering van een
verschuldigde zaak geschieden:

a. in
geval van een individueel bepaalde zaak: ter plaatse waar zij zich
bij het ontstaan van de verbintenis bevond;

b. in
geval van een naar de soort bepaalde zaak: ter plaatse waar de
schuldenaar zijn beroep of bedrijf uitoefent of, bij gebreke daarvan,
zijn woonplaats heeft.

Artikel 6:42

Hij
die ter nakoming van een verbintenis een zaak heeft afgeleverd
waarover hij niet bevoegd was te beschikken, kan vorderen dat deze
wordt afgegeven aan degene aan wie zij toekomt, mits hij
tegelijkertijd een andere, aan de verbintenis beantwoordende zaak
aanbiedt en het belang van de schuldeiser zich niet tegen teruggave
verzet.

Artikel 6:43

1.
Verricht de schuldenaar een betaling die zou kunnen worden
toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens een zelfde
schuldeiser, dan geschiedt de toerekening op de verbintenis welke de
schuldenaar bij de betaling aanwijst.

2.
Bij gebreke van zodanige aanwijzing geschiedt de toerekening in de
eerste plaats op de opeisbare verbintenissen. Zijn er ook dan nog
meer verbintenissen waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden,
dan geschiedt deze in de eerste plaats op de meest bezwarende en zijn
de verbintenissen even bezwarend, op de oudste. Zijn de
verbintenissen bovendien even oud, dan geschiedt de toerekening naar
evenredigheid.

Artikel 6:44

1.
Betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom
strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens in
mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de
hoofdsom en de lopende rente.

2. De
schuldeiser kan, zonder daardoor in verzuim te komen, een aanbod tot
betaling weigeren, indien de schuldenaar een andere volgorde voor de
toerekening aanwijst.

3. De
schuldeiser kan volledige aflossing van de hoofdsom weigeren, indien
daarbij niet tevens de verschenen en lopende rente alsmede de kosten
worden voldaan.

Artikel 6:45

Slechts
met toestemming van de schuldeiser kan een schuldenaar zich van zijn
verbintenis bevrijden door een andere prestatie dan de verschuldigde,
al mocht zij van gelijke of zelfs hogere waarde zijn.

Artikel 6:46

1.
Wanneer de schuldeiser een cheque, postcheque, overschrijvingsorder
of een ander hem bij wijze van betaling aangeboden papier in
ontvangst neemt, wordt vermoed dat dit geschiedt onder voorbehoud van
goede afloop.

2. Is
de schuldeiser bevoegd de nakoming van een op hem rustende
verplichting tot het tijdstip van de betaling op te schorten, dan
behoudt hij dit opschortingsrecht totdat zekerheid van goede afloop
bestaat of door hem had kunnen worden verkregen.

Artikel 6:47

1. De
kosten van betaling komen ten laste van degene die de verbintenis
nakomt.

2. De
kosten van een kwitantie komen ten laste van degene ten behoeve van
wie het stuk wordt afgegeven.

Artikel 6:48

1. De
schuldeiser is verplicht voor iedere voldoening een kwitantie af te
geven, tenzij uit overeenkomst, gewoonte of billijkheid anders
voortvloeit.

2.
Indien de schuldeiser een ter zake van de schuld afgegeven bewijsstuk
heeft, kan de schuldenaar bij voldoening bovendien de afgifte van dat
bewijsstuk vorderen, tenzij de schuldeiser een redelijk belang heeft
bij het behoud van het stuk en daarop de nodige aantekening tot
bewijs van de bevrijding van de schuldenaar stelt.

3. De
schuldenaar kan de nakoming van zijn verbintenis opschorten, indien
de schuldeiser niet voldoet aan het voorschrift van het eerste lid.

Artikel 6:49

1.
Bij voldoening van een vordering aan toonder of order kan de
schuldenaar eisen dat een kwijting op het papier wordt gesteld en dat
hem het papier wordt afgegeven.

2.
Indien de voldoening niet de gehele vordering betreft of de
schuldeiser het papier nog voor de uitoefening van andere rechten
nodig heeft, kan hij het papier behouden, mits hij naast de kwijting
die op het papier is gesteld, tevens een afzonderlijke kwijting
afgeeft.

3.
Hij kan, ongeacht of geheel of gedeeltelijk voldaan wordt volstaan
met de enkele afgifte van een kwijting, mits hij op verlangen van de
wederpartij aantoont dat het papier vernietigd of waardeloos geworden
is, of zekerheid stelt voor twintig jaren of een zoveel kortere
tijdsduur als verwacht mag worden dat de wederpartij nog aan een
vordering uit hoofde van het papier bloot zal kunnen staan.

4. De
schuldenaar kan de nakoming van zijn verbintenis opschorten, indien
de schuldeiser niet aan de vorige leden voldoet.

Artikel 6:50

1.
Moeten op achtereenvolgende tijdstippen gelijksoortige prestaties
worden verricht, dan leveren de kwitanties van twee achtereenvolgende
termijnen het vermoeden op dat ook de vroegere termijnen zijn
voldaan.

2.
Indien de schuldeiser een kwitantie afgeeft voor de hoofdsom, wordt
vermoed dat ook de rente en de kosten zijn voldaan.

Artikel 6:51

1.
Wanneer uit de wet voortvloeit dat iemand verplicht is tot het
stellen van zekerheid of dat het stellen van zekerheid voorwaarde is
voor het intreden van enig rechtsgevolg, heeft hij die daartoe
overgaat, de keuze tussen persoonlijke en zakelijke zekerheid.

2. De
aangeboden zekerheid moet zodanig zijn, dat de vordering en, zo
daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente en kosten behoorlijk
gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal
kunnen nemen.

3. Is
de gestelde zekerheid door een niet aan de schuldeiser toe te rekenen
oorzaak onvoldoende geworden, dan is de schuldenaar verplicht haar
aan te vullen of te vervangen.

Afdeling
7. Opschortingsrechten

Artikel 6:52

1.
Een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn
schuldeiser, is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te
schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen
vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze
opschorting te rechtvaardigen.

2.
Een zodanige samenhang kan onder meer worden aangenomen ingeval de
verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde
rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar
hebben gedaan.

Artikel 6:53

Een
opschortingsrecht kan ook worden ingeroepen tegen de schuldeisers van
de wederpartij.

Artikel 6:54

Geen
bevoegdheid tot opschorting bestaat:

a.
voor zover de nakoming van de verbintenis van de wederpartij wordt
verhinderd door schuldeisersverzuim;

b.
voor zover de nakoming van de verbintenis van de wederpartij blijvend
onmogelijk is;

c.
voor zover op de vordering van de wederpartij geen beslag is
toegelaten.

Artikel 6:55

Zodra
zekerheid is gesteld voor de voldoening van de verbintenis van de
wederpartij, vervalt de bevoegdheid tot opschorting, tenzij deze
voldoening daardoor onredelijk zou worden vertraagd.

Artikel 6:56

Een
bevoegdheid tot opschorting blijft ook na verjaring van de
rechtsvordering op de wederpartij in stand.

Artikel 6:57

Indien
een bevoegdheid tot opschorting voldoet aan de omschrijving van het
retentierecht in artikel 290 van Boek 3, zijn de bepalingen van de
onderhavige afdeling van toepassing, voor zover daarvan in afdeling 4
van titel 10 van Boek 3 niet is afgeweken.

Afdeling
8. Schuldeisersverzuim

Artikel 6:58

De
schuldeiser komt in verzuim, wanneer nakoming van de verbintenis
verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking
niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt,
tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend.

Artikel 6:59

De
schuldeiser komt eveneens in verzuim, wanneer hij ten gevolge van hem
toe te rekenen omstandigheden niet voldoet aan een verplichting
zijnerzijds jegens de schuldenaar en deze op die grond bevoegdelijk
de nakoming van zijn verbintenis jegens de schuldeiser opschort.

Artikel 6:60

Is de
schuldeiser in verzuim, dan kan de rechter op vordering van de
schuldenaar bepalen dat deze van zijn verbintenis bevrijd zal zijn,
al dan niet onder door de rechter te stellen voorwaarden.

Artikel 6:61

1.
Verzuim van de schuldeiser maakt een einde aan verzuim van de
schuldenaar.

2.
Zolang de schuldeiser in verzuim is, kan de schuldenaar niet in
verzuim geraken.

Artikel 6:62

Gedurende
het verzuim van de schuldeiser is deze niet bevoegd maatregelen tot
executie te nemen.

Artikel 6:63

De
schuldenaar heeft, binnen de grenzen der redelijkheid, recht op
vergoeding van de kosten, gevallen op een aanbod of een
inbewaringstelling als bedoeld in de artikelen 66-70 of op andere
wijze als gevolg van het verzuim gemaakt.

Artikel 6:64

Komt
tijdens het verzuim van de schuldeiser een omstandigheid op, die
behoorlijke nakoming geheel of gedeeltelijk onmogelijk maakt, dan
wordt dit niet aan de schuldenaar toegerekend, tenzij deze door zijn
schuld of die van een ondergeschikte is tekortgeschoten in de zorg
die in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden gevergd.

Artikel 6:65

Wanneer
bij een verbintenis tot aflevering van soortzaken de schuldenaar
bepaalde, aan de verbintenis beantwoordende zaken voor de aflevering
heeft aangewezen en de schuldeiser daarvan heeft verwittigd, dan is
hij in geval van verzuim van de schuldeiser nog slechts tot
aflevering van deze zaken verplicht. Hij blijft echter bevoegd tot
aflevering van andere zaken die aan de verbintenis beantwoorden.

Artikel 6:66

Strekt
de verbintenis tot betaling van een geldsom of tot aflevering van een
zaak, dan is in geval van verzuim van de schuldeiser de schuldenaar
bevoegd het verschuldigde ten behoeve van de schuldeiser in bewaring
te stellen.

Artikel 6:67

De
inbewaringstelling van een geldsom geschiedt door consignatie
overeenkomstig de wet, die van een af te leveren zaak door deze in
bewaring te geven aan iemand die zijn bedrijf maakt van het bewaren
van zaken als de betrokkene ter plaatse waar de aflevering moet
geschieden. Op deze bewaring zijn de regels betreffende gerechtelijke
bewaring van toepassing, voor zover uit de artikelen 68-71 niet
anders voortvloeit.

Artikel 6:68

Gedurende
de bewaring loopt over een in bewaring gestelde geldsom geen rente
ten laste van de schuldenaar.

Artikel 6:69

1.
Gedurende de bewaring kan de schuldeiser zijn verzuim slechts
zuiveren door het in bewaring gestelde te aanvaarden.

2.
Zolang de schuldeiser het in bewaring gestelde niet heeft aanvaard,
is de bewaargever bevoegd het uit de bewaring terug te nemen.

Artikel 6:70

De
bewaarder mag de zaak slechts aan de schuldeiser afgeven, indien deze
hem alle kosten van de bewaring voldoet. Hij is na de afgifte
verplicht aan de bewaargever terug te betalen, wat deze reeds had
voldaan. Is de zaak afgegeven, vóórdat de schuldeiser
alle kosten voldeed, dan gaan de rechten te dier zake door de
betaling aan de bewaargever op de bewaarder over.

Artikel 6:71

De
rechtsvordering tegen de schuldenaar verjaart niet later dan de
rechtsvordering tot uitlevering van het in bewaring gestelde.

Artikel 6:72

In
geval van hoofdelijke verbondenheid gelden de rechtsgevolgen van het
verzuim van de schuldeiser jegens ieder van de schuldenaren.

Artikel 6:73

Weigert
de schuldeiser een aanbod van een derde, dan zijn de artikelen 60,
62, 63 en 66-70 ten behoeve van de derde van overeenkomstige
toepassing, mits het aanbod aan de verbintenis beantwoordt en de
derde bij de voldoening een gerechtvaardigd belang heeft.

Afdeling
9. De gevolgen van het niet nakomen van een verbintenis

 

§
1. Algemene bepalingen

Artikel 6:74

1.
Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de
schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden,
tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.

2.
Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, vindt lid 1
slechts toepassing met inachtneming van hetgeen is bepaald in de
tweede paragraaf betreffende het verzuim van de schuldenaar.

Artikel 6:75

Een
tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij
niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet,
rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn
rekening komt.

Artikel 6:76

Maakt
de schuldenaar bij de uitvoering van een verbintenis gebruik van de
hulp van andere personen, dan is hij voor hun gedragingen op gelijke
wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk.

Artikel 6:77

Wordt
bij de uitvoering van een verbintenis gebruik gemaakt van een zaak
die daartoe ongeschikt is, dan wordt de tekortkoming die daardoor
ontstaat de schuldenaar toegerekend, tenzij dit, gelet op inhoud en
strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit,
de in het verkeer geldende opvattingen en de overige omstandigheden
van het geval, onredelijk zou zijn.

Artikel 6:78

1.
Indien een tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend,
maar hij in verband met die tekortkoming een voordeel geniet dat hij
bij behoorlijke nakoming niet zou hebben gehad, heeft de schuldeiser
met toepassing van de regels betreffende ongerechtvaardigde
verrijking recht op vergoeding van zijn schade tot ten hoogste het
bedrag van dit voordeel.

2.
Bestaat dit voordeel uit een vordering op een derde, dan kan de
schuldenaar aan het vorige lid voldoen door overdracht van die
vordering.

Artikel 6:79

Is de
schuldeiser wiens schuldenaar door een hem niet toe te rekenen
oorzaak verhinderd is na te komen, desondanks in staat zelf zich door
executie of verrekening het verschuldigde te verschaffen, dan is hij
daartoe bevoegd.

Artikel 6:80

1. De
gevolgen van niet-nakoming treden reeds in voordat de vordering
opeisbaar is:

a.
indien vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk zal
zijn;

b.
indien de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet
afleiden dat deze in de nakoming zal tekortschieten; of

c.
indien de schuldeiser goede gronden heeft te vrezen dat de
schuldenaar in de nakoming zal tekortschieten en deze niet voldoet
aan een schriftelijke aanmaning met opgave van die gronden om zich
binnen een bij die aanmaning gestelde redelijke termijn bereid te
verklaren zijn verplichtingen na te komen.

2.
Het oorspronkelijke tijdstip van opeisbaarheid blijft gelden voor de
verschuldigdheid van schadevergoeding wegens vertraging en de
toerekening aan de schuldenaar van onmogelijk worden van nakoming
tijdens zijn verzuim.

§
2. Verzuim van de schuldenaar

Artikel 6:81

De
schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie
uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van de
artikelen 82 en 83 is voldaan, behalve voor zover de vertraging hem
niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is.

Artikel 6:82

1.
Het verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt
gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke
termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze
termijn uitblijft.

2.
Indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding
blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, kan de ingebrekestelling
plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij
voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld.

Artikel 6:83

Het
verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:

a.
wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat
de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere
strekking heeft.

b.
wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt
tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de
verbintenis niet terstond wordt nagekomen;

c.
wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet
afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal
tekortschieten.

Artikel 6:84

Elke
onmogelijkheid van nakoming, ontstaan tijdens het verzuim van de
schuldenaar en niet toe te rekenen aan de schuldeiser, wordt aan de
schuldenaar toegerekend; deze moet de daardoor ontstane schade
vergoeden, tenzij de schuldeiser de schade ook bij behoorlijke en
tijdige nakoming zou hebben geleden.

Artikel 6:85

Tot
vergoeding van schade wegens vertraging in de nakoming is de
schuldenaar slechts verplicht over de tijd waarin hij in verzuim is
geweest.

Artikel 6:86

De
schuldeiser kan een na het intreden van het verzuim aangeboden
nakoming weigeren, zolang niet tevens betaling wordt aangeboden van
de inmiddels tevens verschuldigd geworden schadevergoeding en van de
kosten.

Artikel 6:87

1.
Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, wordt de
verbintenis omgezet in een tot vervangende schadevergoeding, wanneer
de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk
mededeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert.

2.
Geen omzetting vindt plaats, die door de tekortkoming, gezien haar
ondergeschikte betekenis, niet wordt gerechtvaardigd.

§
3. Verdere gevolgen van niet-nakoming

Artikel 6:88

1. De
schuldenaar die in de nakoming van zijn verbintenis is tekort
geschoten, kan aan de schuldeiser een redelijke termijn stellen,
waarbinnen deze moet mededelen welke van de hem bij de aanvang van de
termijn ten dienste staande middelen hij wenst uit te oefenen, op
straffe van slechts aanspraak te kunnen maken:

a. op
de schadevergoeding waarop de tekortkoming recht geeft en, zo de
verbintenis strekt tot betaling van een geldsom, op die geldsom;

b. op
ontbinding van de overeenkomst waaruit de verbintenis voortspruit,
indien de schuldenaar zich erop beroept dat de tekortkoming hem niet
kan worden toegerekend.

2.
Heeft de schuldeiser nakoming verlangd, doch wordt daaraan niet
binnen een redelijke termijn voldaan, dan kan hij al zijn rechten
wederom doen gelden; het vorige lid is van overeenkomstige
toepassing.

Artikel 6:89

De
schuldeiser kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen,
indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft
ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar
terzake heeft geprotesteerd.

Artikel 6:90

1.
Bij een verhindering tot aflevering van een zaak die aan snel
tenietgaan of achteruitgaan onderhevig is of waarvan om een andere
reden de verdere bewaring zo bezwaarlijk is dat zij in de gegeven
omstandigheden niet van de schuldenaar kan worden gevergd, is deze
bevoegd de zaak op een geschikte wijze te doen verkopen. De
schuldenaar is jegens de schuldeiser tot een zodanige verkoop
gehouden, wanneer diens belangen deze verkoop onmiskenbaar eisen of
de schuldeiser te kennen geeft de verkoop te verlangen.

2. De
netto-opbrengst treedt voor de zaak in de plaats, onverminderd de
rechten van de schuldeiser wegens tekortkomingen in de nakoming van
de verbintenis.

§
4. Boetebeding

Artikel 6:91

Als
boetebeding wordt aangemerkt ieder beding waarbij is bepaald dat de
schuldenaar, indien hij in de nakoming van zijn verbintenis
tekortschiet, gehouden is een geldsom of een andere prestatie te
voldoen, ongeacht of zulks strekt tot vergoeding van schade of enkel
tot aansporing om tot nakoming over te gaan.

Artikel 6:92

1. De
schuldeiser kan geen nakoming vorderen zowel van het boetebeding als
van de verbintenis waaraan het boetebeding verbonden is.

2.
Hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is treedt in de plaats
van de schadevergoeding op grond van de wet.

3. De
schuldeiser kan geen nakoming vorderen van het boetebeding, indien de
tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend.

Artikel 6:93

Voor
het vorderen van nakoming van het boetebeding is een aanmaning of een
andere voorafgaande verklaring nodig in dezelfde gevallen als deze is
vereist voor het vorderen van schadevergoeding op grond van de wet.

Artikel 6:94

1. Op
verlangen van de schuldenaar kan de rechter, indien de billijkheid
dit klaarblijkelijk eist, de bedongen boete matigen, met dien
verstande dat hij de schuldeiser ter zake van de tekortkoming niet
minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet.

2. Op
verlangen van de schuldeiser kan de rechter, indien de billijkheid
dit klaarblijkelijk eist, naast een bedongen boete die bestemd is in
de plaats te treden van de schadevergoeding op grond van de wet,
aanvullende schadevergoeding toekennen.

3.
Van lid 1 afwijkende bedingen zijn nietig.

Afdeling
10. Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding

Artikel 6:95

De
schade die op grond van een wettelijke verplichting tot
schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en
ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan
recht geeft.

Artikel 6:96

1.
Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst.

2.
Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking:

a.
redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als
gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht
worden verwacht;

b.
redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid;

c.
redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, wat de
kosten onder b en c betreft, behoudens voor zover in het gegeven
geval krachtens artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering de regels betreffende proceskosten van toepassing
zijn.

Artikel 6:97

De
rechter begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan
in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig
worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.

Artikel 6:98

Voor
vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband
staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de
schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de
aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze
gebeurtenis kan worden toegerekend.

Artikel 6:99

Kan
de schade een gevolg zijn van twee of meer gebeurtenissen
voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en staat vast
dat de schade door ten minste één van deze
gebeurtenissen is ontstaan, dan rust de verplichting om de schade te
vergoeden op ieder van deze personen, tenzij hij bewijst dat deze
niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk
is.

Artikel 6:100

Heeft
een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens
voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit
voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening
worden gebracht.

Artikel 6:101

1.
Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de
benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht
verminderd door de schade over de benadeelde en de
vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin
de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben
bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt
of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de
billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten
of andere omstandigheden van het geval eist.

2.
Betreft de vergoedingsplicht schade, toegebracht aan een zaak die een
derde voor de benadeelde in zijn macht had, dan worden bij toepassing
van het vorige lid omstandigheden die aan de derde toegerekend kunnen
worden, toegerekend aan de benadeelde.

Artikel 6:102

1.
Rust op ieder van twee of meer personen een verplichting tot
vergoeding van dezelfde schade, dan zijn zij hoofdelijk verbonden.
Voor de bepaling van hetgeen zij krachtens artikel 10 in hun
onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, wordt de schade
over hen verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 101,
tenzij uit wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit.

2.
Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de
benadeelde kan worden toegerekend, vindt artikel 101 toepassing op de
vergoedingsplicht van ieder van de in het vorige lid bedoelde
personen afzonderlijk, met dien verstande dat de benadeelde in totaal
van hen niet meer kan vorderen dan hem zou zijn toegekomen, indien
voor de omstandigheden waarop hun vergoedingsplichten berusten,
slechts één persoon aansprakelijk zou zijn geweest.
Indien verhaal op een der tot bijdragen verplichte personen niet ten
volle mogelijk blijkt, kan de rechter op verlangen van een hunner
bepalen dat bij toepassing van artikel 13 het onvoldaan gebleven deel
mede over de benadeelde omgeslagen wordt.

Artikel 6:103

Schadevergoeding
wordt voldaan in geld. Nochthans kan de rechter op vordering van de
benadeelde schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een
geldsom toekennen. Wordt niet binnen redelijke termijn aan een
zodanige uitspraak voldaan, dan herkrijgt de benadeelde zijn
bevoegdheid om schadevergoeding in geld te verlangen.

Artikel 6:104

Indien
iemand die op grond van onrechtmatige daad of een tekortkoming in de
nakoming van een verbintenis jegens een ander aansprakelijk is, door
die daad of tekortkoming winst heeft genoten, kan de rechter op
vordering van die ander de schade begroten op het bedrag van die
winst of op een gedeelte daarvan.

Artikel 6:105

1.
De begroting van nog niet ingetreden schade kan door de rechter
geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld of na afweging van goede en
kwade kansen bij voorbaat geschieden. In het laatste geval kan de
rechter de schuldenaar veroordelen, hetzij tot betaling van een
bedrag ineens, hetzij tot betaling van periodiek
uit te keren bedragen, al of niet met verplichting tot
zekerheidstelling; deze veroordeling kan geschieden onder door de
rechter te stellen voorwaarden.

2.
Voor zover de rechter de schuldenaar veroordeelt tot betaling van
periodiek uit te keren bedragen, kan hij in zijn uitspraak bepalen
dat deze op verzoek van elk van de partijen door de rechter die in
eerste aanleg van de vordering tot schadevergoeding heeft kennis
genomen, kan worden gewijzigd, indien zich na de uitspraak
omstandigheden voordoen, die voor de omvang van de vergoedingsplicht
van belang zijn en met de mogelijkheid van het intreden waarvan bij
de vaststelling der bedragen geen rekening is gehouden.

Artikel 6:106

1.
Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde
recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

a.
indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe
te brengen;

b.
indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer
of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is
aangetast;

c.
indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van
een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed
gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant
tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting
plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven
geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het
schaden van zijn eer of goede naam.

2.
Het recht op een vergoeding, als in het vorige lid bedoeld, is niet
vatbaar voor overgang en beslag, tenzij het bij overeenkomst is
vastgelegd of ter zake een vordering in rechte is ingesteld. Voor
overgang onder algemene titel is voldoende dat de gerechtigde aan de
wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken.

Artikel 6:107

1.
Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander
aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, is die
ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook
verplicht tot vergoeding van de kosten die een derde anders dan
krachtens een verzekering ten behoeve van de gekwetste heeft gemaakt
en die deze laatste, zo hij ze zelf zou hebben gemaakt, van die ander
had kunnen vorderen.

2.
Hij die krachtens het vorige lid door de derde tot schadevergoeding
wordt aangesproken kan hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de
gekwetste ten dienste zou hebben gestaan.

Artikel 6:107a

1.
Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander
aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, houdt de
rechter bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop de
gekwetste aanspraak kan maken rekening met de aanspraak op loon die
de gekwetste heeft krachtens artikel 629, lid 1, van Boek 7 of
krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst.

2.
Indien een werkgever krachtens artikel 629, lid 1, van Boek 7 of
krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verplicht is
tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van de gekwetste het loon
door te betalen, heeft hij, indien de ongeschiktheid tot werken van
de gekwetste het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander
aansprakelijk is, jegens deze ander recht op schadevergoeding ten
bedrage van de door hem betaalde loon, doch ten hoogste tot het
bedrag, waarvoor de aansprakelijke persoon, bij het ontbreken van de
loondoorbetalingsverplichting aansprakelijk zou zijn, verminderd met
een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling
waarvan de aansprakelijke persoon jegens de gekwetste is gehouden.

3.
Indien de aansprakelijke persoon een werknemer is, heeft de werkgever
slechts recht op schadevergoeding indien de ongeschiktheid tot werken
het gevolg is van diens opzet of bewuste roekeloosheid.

Artikel 6:108

1.
Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander
jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot
vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:

a.
aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde
partner en de minderjarige kinderen van de overledene, tot ten minste
het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde
levensonderhoud;

b.
aan andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze reeds
ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun
levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak
verplicht was;

c.
aan degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de
aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband
samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot
deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het
overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende
in hun levensonderhoud kunnen voorzien;

d.
aan degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in
wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van de
gemeenschappelijke huishouding, voor zover hij schade lijdt doordat
na het overlijden op andere wijze in de gang van deze huishouding
moet worden voorzien.

2.
Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de
kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor
zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de
overledene.

3.
Hij die krachtens de vorige leden tot schadevergoeding wordt
aangesproken, kan hetzelfde verweer voeren, dat hem tegenover de
overledene zou hebben ten dienste gestaan.

Artikel 6:109

1.
Indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven
omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen
partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot
kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, kan de rechter een
wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen.

2. De
matiging mag niet geschieden tot een lager bedrag dan waarvoor de
schuldenaar zijn aansprakelijkheid door verzekering heeft gedekt of
verplicht was te dekken.

3.
Ieder beding in strijd met lid 1 is nietig.

Artikel 6:110

Opdat
de aansprakelijkheid die ter zake van schade kan ontstaan niet
hetgeen redelijkerwijs door verzekering kan worden gedekt, te boven
gaat, kunnen bij algemene maatregel van bestuur bedragen worden
vastgesteld, waarboven de aansprakelijkheid zich niet uitstrekt.
Afzonderlijke bedragen kunnen worden bepaald naar gelang van onder
meer de aard van de gebeurtenis, de aard van de schade en de grond
van de aansprakelijkheid.

Afdeling
11. Verbintenissen tot betaling van een geldsom

Artikel 6:111

Een
verbintenis tot betaling van een geldsom moet naar haar nominale
bedrag worden voldaan, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling
anders voortvloeit.

Artikel 6:112

Het
geld dat ter voldoening van de verbintenis wordt betaald, moet op het
tijdstip van de betaling gangbaar zijn in het land in welks geld de
betaling geschiedt.

Artikel 6:113
Vervallen

Artikel 6:114

1.
Bestaat in een land waar de betaling moet of mag geschieden ten name
van de schuldeiser een rekening, bestemd voor girale betaling, dan
kan de schuldenaar de verbintenis voldoen door het verschuldigde
bedrag op die rekening te doen bijschrijven, tenzij de schuldeiser
betaling op die rekening geldig heeft uitgesloten.

2. In
het geval van het vorige lid geschiedt de betaling op het tijdstip
waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd.

Artikel 6:115

De
plaats waar de betaling moet geschieden wordt bepaald door de
artikelen 116-118, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling
voortvloeit dat op een andere plaats moet of mag worden betaald.

Artikel 6:116

1. De
betaling moet worden gedaan aan de woonplaats van de schuldeiser op
het tijdstip van de betaling.

2. De
schuldeiser is bevoegd een andere plaats voor de betaling aan te
wijzen in het land van de woonplaats van de schuldeiser op het
tijdstip van de betaling of op het tijdstip van het ontstaan van de
verbintenis.

Artikel 6:117

Indien
de betaling overeenkomstig artikel 116 moet geschieden op een andere
plaats dan de woonplaats van de schuldeiser op het tijdstip van het
ontstaan van de verbintenis en het voldoen aan de verbintenis
daardoor voor de schuldenaar aanmerkelijk bezwaarlijker zou worden,
is deze bevoegd de betaling op te schorten, totdat de schuldeiser in
een der in artikel 116, lid 2 bedoelde landen een andere plaats voor
de betaling heeft aangewezen, waaraan een zodanig bezwaar niet is
verbonden.

Artikel 6:118

Indien
de verbintenis is ontstaan bij de uitoefening van bedrijfs- of
beroepsbezigheden van de schuldeiser, geldt in de artikelen 116 en
117 de plaats van vestiging waar die bezigheden worden uitgeoefend,
als woonplaats van de schuldeiser.

Artikel 6:119

1. De
schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van
een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd
dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

2.
Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de
wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar
verschuldigde rente.

3.
Een bedongen rente die hoger is dan die welke krachtens de vorige
leden verschuldigd zou zijn, loopt in plaats daarvan door nadat de
schuldenaar in verzuim is gekomen.

Artikel 6:119a

1.
De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening
van een geldsom, bestaat in het geval van een handelsovereenkomst in
de wettelijke rente van die som met ingang van de dag volgend op de
dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling tot en met
de dag waarop de schuldenaar
de geldsom heeft voldaan. Onder handelsovereenkomst wordt verstaan de
overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets
te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer
natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of
bedrijf of rechtspersonen.

2.
Indien geen uiterste dag van betaling is overeengekomen, is de
wettelijke rente van rechtswege verschuldigd:

1.
vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de
schuldenaar de factuur heeft ontvangen, of

2.
indien de datum van ontvangst van de factuur niet vaststaat, of
indien de schuldenaar de factuur ontvangt voordat hij de prestatie
heeft ontvangen, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op
die waarop de prestatie is ontvangen, of

3.
indien de schuldenaar een termijn heeft bedongen waarbinnen hij de
ontvangen prestatie kan aanvaarden dan wel kan beoordelen of deze aan
de overeenkomst beantwoordt, en indien hij de factuur ontvangt
voordat hij de prestatie heeft aanvaard of beoordeeld, vanaf 30 dagen
na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de
prestatie heeft aanvaard of beoordeeld, dan wel, indien hij zich niet
over goedkeuring of aanvaarding uitspreekt, vanaf 30 dagen na de
aanvang van de dag volgende op die waarop de termijn verstrijkt.

3.
Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de
wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar
verschuldigde rente.

4.
Geen wettelijke rente is verschuldigd wanneer de schuldeiser zelf in
verzuim is.

5. De
wettelijke rente is verschuldigd behalve voor zover de vertraging
niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend.

6.
Voor de toepassing van dit artikel wordt met de wettelijke rente
gelijkgesteld een andere overeengekomen rente.

Artikel 6:120

1. De
wettelijke rente bedoeld in artikel 119 wordt bij algemene maatregel
van bestuur vastgesteld. Wettelijke rente die loopt op het tijdstip
van inwerkingtreding van een nieuwe bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde rentevoet, wordt met ingang van dat tijdstip
volgens de nieuwe rentevoet berekend.

2. De
wettelijke rente bedoeld in artikel 119a is gelijk aan de
herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is
vastgesteld voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie
die heeft plaatsgevonden voor de eerste kalenderdag van het
betreffende halfjaar, vermeerderd met zeven procentpunten. Wettelijke
rente die loopt op de eerste dag van het betreffende halfjaar, wordt
met ingang van dat tijdstip volgens de nieuwe rentevoet berekend
gedurende een half jaar.

Artikel 6:121

1.
Strekt een verbintenis tot betaling van ander geld dan dat van het
land waar de betaling moet geschieden, dan is de schuldenaar bevoegd
de verbintenis in het geld van de plaats van betaling te voldoen.

2.
Het vorige lid geldt niet, indien uit wet, gewoonte of
rechtshandeling voortvloeit dat de schuldenaar verplicht is tot
betaling effectief in het geld tot betaling waarvan de verbintenis
strekt.

Artikel 6:122

1.
Strekt een verbintenis tot betaling van ander geld dan dat van het
land waar de betaling moet geschieden en is de schuldenaar niet in
staat of beweert hij niet in staat te zijn in dit geld te voldoen,
dan kan de schuldeiser voldoening in het geld van de plaats van
betaling vorderen.

2.
Het vorige lid geldt mede, indien de schuldenaar verplicht is tot
betaling effectief in het geld tot betaling waarvan de verbintenis
strekt.

Artikel 6:123

1.
Ingeval in Nederland een rechtsvordering wordt ingesteld ter
verkrijging van een geldsom, uitgedrukt in buitenlands geld, kan de
schuldeiser veroordeling vorderen tot betaling te zijner keuze in dat
buitenlandse geld of in Nederlands geld.

2. De
schuldeiser die een in buitenlands geld luidende executoriale titel
in Nederland kan executeren, kan het hem verschuldigde bij deze
executie opeisen in Nederlands geld.

3. De
vorige leden gelden mede, indien de schuldenaar verplicht is tot
betaling effectief in het geld tot betaling waarvan de verbintenis
strekt.

Artikel 6:124

Wordt
de verbintenis als gevolg van toepassing van de artikelen 121, 122 of
123 of van omzetting in een vordering tot schadevergoeding
overeenkomstig het bepaalde in afdeling 9 van titel 1 voldaan in
ander geld dan tot betaling waarvan zij strekt, dan geschiedt de
omrekening naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt.

Artikel 6:125

1.
Artikel 119 laat onverlet het recht van de schuldeiser op vergoeding
van de schade die hij heeft geleden, doordat na het intreden van het
verzuim de koers van het geld tot betaling waarvan de verbintenis
strekt, zich ten opzichte van die van het geld van een of meer andere
landen heeft gewijzigd.

2.
Het vorige lid is niet van toepassing, indien de verbintenis strekt
tot betaling van Nederlands geld, de betaling in Nederland moet
geschieden en de schuldeiser op het tijdstip van het ontstaan van de
verbintenis zijn woonplaats in Nederland had.

Artikel 6:126

Voor
de toepassing van deze afdeling geldt als koers de koers tegen welke
de schuldeiser zich onverwijld het geld kan verschaffen, zulks met
inachtneming van hetgeen uit wet, gewoonte en inhoud of strekking van
de verbintenis mocht voortvloeien.

Afdeling
12. Verrekening

Artikel 6:127

1.
Wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft, aan
zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering
verrekent, gaan beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop
teniet.

2.
Een schuldenaar heeft de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een
prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens
dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de
schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering.

3. De
bevoegdheid tot verrekening bestaat niet ten aanzien van een
vordering en een schuld die in van elkaar gescheiden vermogens
vallen.

Artikel 6:128

1. De
schuldeiser van een vordering aan toonder of order brengt deze in
verrekening door zijn verrekeningsverklaring op het papier te stellen
en dit aan de wederpartij af te geven.

2.
Indien de verrekening niet zijn gehele vordering betreft of hij het
papier nog voor de uitoefening van andere rechten nodig heeft, kan
hij het papier behouden, mits hij de verklaring niet alleen op het
papier stelt, maar haar ook schriftelijk tot de wederpartij richt.

3.
Hij kan, ongeacht of de verrekening de gehele vordering betreft, bij
enkele, niet op het papier gestelde schriftelijke verklaring
verrekenen, mits hij op verlangen van de wederpartij aantoont dat het
papier vernietigd of waardeloos geworden is, of zekerheid stelt voor
twintig jaren of voor een zoveel kortere tijdsduur als verwacht mag
worden dat de wederpartij nog aan een vordering uit hoofde van het
papier bloot zal kunnen staan.

Artikel 6:129

1. De
verrekening werkt terug tot het tijdstip, waarop de bevoegdheid tot
verrekening is ontstaan.

2. Is
over één der vorderingen of over beide reeds opeisbare
rente betaald, dan werkt de verrekening niet verder terug dan tot het
einde van de laatste termijn waarover rente is voldaan.

3.
Indien voor de bepaling van de werking van een verrekening bij
geldschulden een koersberekening nodig is, geschiedt deze volgens
dezelfde maatstaven als wanneer op de dag der verrekening wederzijdse
betaling had plaatsgevonden.

Artikel 6:130

1. Is
een vordering onder bijzondere titel overgegaan, dan is de
schuldenaar bevoegd ondanks de overgang ook een tegenvordering op de
oorspronkelijke schuldeiser in verrekening te brengen, mits deze
tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane
vordering voortvloeit of reeds vóór de overgang aan hem
is opgekomen en opeisbaar geworden.

2.
Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing, wanneer op een
vordering beslag is gelegd of een beperkt recht is gevestigd waarvan
mededeling aan de schuldenaar is gedaan.

3. De
vorige leden zijn niet van toepassing, indien de overgang of de
vestiging van het beperkte recht een vordering aan toonder of order
betrof en is geschied overeenkomstig artikel 93 van Boek 3.

Artikel 6:131

1. De
bevoegdheid tot verrekening eindigt niet door verjaring van de
rechtsvorderi

Close Menu
×
×

Basket