Burgerlijk Wetboek Art. 2:175 BW – boek 6:213

netherlands-coat-arms
previous companies act
next companies act

Verbintenissenrecht

Titel
5. Overeenkomsten in het algemeen

Afdeling
1. Algemene bepalingen

Artikel 6:213

1.
Een overeenkomst in de zin van deze titel is een meerzijdige
rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer
andere een verbintenis aangaan.

2. Op
overeenkomsten tussen meer dan twee partijen zijn de wettelijke
bepalingen betreffende overeenkomsten niet toepasselijk, voor zover
de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van
de overeenkomst zich daartegen verzet.

Artikel 6:214

1.
Een overeenkomst door een der partijen gesloten in de uitoefening van
haar bedrijf of beroep, is behalve aan de wettelijke bepalingen ook
onderworpen aan een standaardregeling, wanneer voor de bedrijfstak
waartoe het bedrijf behoort, of voor het beroep ten aanzien van
zodanige overeenkomst een standaardregeling geldt. De bijzondere
soorten van overeenkomsten waarvoor standaardregelingen kunnen worden
vastgesteld en de bedrijfstak of het beroep, waarvoor elk dezer
regelingen bestemd is te gelden, worden bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen.

2.
Een standaardregeling wordt vastgesteld, gewijzigd en ingetrokken
door een daartoe door Onze Minister van Justitie te benoemen
commissie. Bij de wet worden nadere regelen gesteld omtrent de wijze
van samenstelling en de werkwijze van de commissies.

3. De
vaststelling, wijziging of intrekking van een standaardregeling wordt
niet van kracht voordat zij door Ons is goedgekeurd en met Ons
goedkeuringsbesluit in de Nederlandse Staatscourant is afgekondigd.

4.
Bij een standaardregeling kan worden afgeweken van wettelijke
bepalingen, voor zover daarvan ook afwijking bij overeenkomst, al of
niet met inachtneming van een bepaalde vorm, is toegelaten. De vorige
zin lijdt uitzondering, wanneer uit een wettelijke bepaling iets
anders voortvloeit.

5.
Partijen kunnen in hun overeenkomst van een standaardregeling
afwijken. Een standaardregeling kan echter voor afwijking een
bepaalde vorm voorschrijven.

Artikel 6:215

Voldoet
een overeenkomst aan de omschrijving van twee of meer door de wet
geregelde bijzondere soorten van overeenkomsten, dan zijn de voor elk
van die soorten gegeven bepalingen naast elkaar op de overeenkomst
van toepassing, behoudens voor zover deze bepalingen niet wel
verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van
de overeenkomst zich tegen toepassing verzet.

Artikel 6:216

Hetgeen
in deze en de volgende drie afdelingen is bepaald, vindt
overeenkomstige toepassing op andere meerzijdige vermogensrechtelijke
rechtshandelingen, voor zover de strekking van de betrokken
bepalingen in verband met de aard van de rechtshandeling zich
daartegen niet verzet.

Afdeling
2. Het tot stand komen van overeenkomsten

Artikel 6:217

1.
Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding
daarvan.

2. De
artikelen 219-225 zijn van toepassing, tenzij iets anders voortvloeit
uit het aanbod, uit een andere rechtshandeling of uit een gewoonte.

Artikel 6:218

Een
aanbod is geldig, nietig of vernietigbaar overeenkomstig de regels
voor meerzijdige rechtshandelingen.

Artikel 6:219

1.
Een aanbod kan worden herroepen, tenzij het een termijn voor de
aanvaarding inhoudt of de onherroepelijkheid ervan op andere wijze
uit het aanbod volgt.

2. De
herroeping kan slechts geschieden, zolang het aanbod niet is aanvaard
en evenmin een mededeling, houdende de aanvaarding is verzonden.
Bevat het aanbod de mededeling dat het vrijblijvend wordt gedaan, dan
kan de herroeping nog onverwijld na de aanvaarding geschieden.

3.
Een beding waarbij één der partijen zich verbindt om,
indien de wederpartij dit wenst, met haar een bepaalde overeenkomst
te sluiten, geldt als een onherroepelijk aanbod.

Artikel 6:220

1.
Een bij wijze van uitloving voor een bepaalde tijd gedaan aanbod kan
wegens gewichtige redenen worden herroepen of gewijzigd.

2. In
geval van herroeping of wijziging van een uitloving kan de rechter
aan iemand die op grond van de uitloving met de voorbereiding van een
gevraagde prestatie is begonnen, een billijke schadeloosstelling
toekennen.

Artikel 6:221

1.
Een mondeling aanbod vervalt, wanneer het niet onmiddellijk wordt
aanvaard, een schriftelijk aanbod, wanneer het niet binnen een
redelijke tijd wordt aanvaard.

2.
Een aanbod vervalt, doordat het wordt verworpen.

Artikel 6:222

Een
aanbod vervalt niet door de dood of het verlies van
handelingsbekwaamheid van een der partijen, noch doordat een der
partijen de bevoegdheid tot het sluiten van de overeenkomst verliest
als gevolg van een bewind.

Artikel 6:223

1. De
aanbieder kan een te late aanvaarding toch als tijdig gedaan laten
gelden, mits hij dit onverwijld aan de wederpartij mededeelt.

2.
Indien een aanvaarding te laat plaatsvindt, maar de aanbieder
begrijpt of behoort te begrijpen dat dit voor de wederpartij niet
duidelijk was, geldt de aanvaarding als tijdig gedaan, tenzij hij
onverwijld aan de wederpartij mededeelt dat hij het aanbod als
vervallen beschouwt.

Artikel 6:224

Indien
een aanvaarding de aanbieder niet of niet tijdig bereikt door een
omstandigheid op grond waarvan zij krachtens artikel 37 lid 3, tweede
zin, van Boek 3 niettemin haar werking heeft, wordt de overeenkomst
geacht tot stand te zijn gekomen op het tijdstip waarop zonder de
storende omstandigheid de verklaring zou zijn ontvangen.

Artikel 6:225

1.
Een aanvaarding die van het aanbod afwijkt, geldt als een nieuw
aanbod en als een verwerping van het oorspronkelijke.

2.
Wijkt een tot aanvaarding strekkend antwoord op een aanbod daarvan
slechts op ondergeschikte punten af, dan geldt dit antwoord als
aanvaarding en komt de overeenkomst overeenkomstig deze aanvaarding
tot stand, tenzij de aanbieder onverwijld bezwaar maakt tegen de
verschillen.

3.
Verwijzen aanbod en aanvaarding naar verschillende algemene
voorwaarden, dan komt aan de tweede verwijzing geen werking toe,
wanneer daarbij niet tevens de toepasselijkheid van de in de eerste
verwijzing aangegeven algemene voorwaarden uitdrukkelijk van de hand
wordt gewezen.

Artikel 6:226

Stelt
de wet voor de totstandkoming van een overeenkomst een vormvereiste,
dan is dit voorschrift van overeenkomstige toepassing op een
overeenkomst waarbij een partij in wier belang het strekt, zich tot
het aangaan van een zodanige overeenkomst verbindt, tenzij uit de
strekking van het voorschrift anders voortvloeit.

Artikel 6:227

De
verbintenissen die partijen op zich nemen, moeten bepaalbaar zijn.

Artikel 6:227a

1.
Indien uit de wet voortvloeit dat een overeenkomst slechts in
schriftelijke vorm geldig of onaantastbaar tot stand komt, is aan
deze eis tevens voldaan indien de overeenkomst langs elektronische
weg is totstandgekomen en

a.
raadpleegbaar door partijen is;

b. de
authenticiteit van de overeenkomst in voldoende mate gewaarborgd is;

c.
het moment van totstandkoming van de overeenkomst met voldoende
zekerheid kan worden vastgesteld; en

d. de
identiteit van de partijen met voldoende zekerheid kan worden
vastgesteld.

2.
Lid 1 is niet van toepassing op:

a.
overeenkomsten die rechten doen ontstaan of overdragen ten aanzien
van onroerende zaken, met uitzondering van huurrechten;

b.
overeenkomsten waarbij persoonlijke of zakelijke zekerheden worden
verstrekt door personen die niet handelen in de uitoefening van een
beroep of bedrijf; voor zover de aard van de overeenkomst of van de
rechtsbetrekking waarvan zij deel uitmaakt zich daartegen verzet.

3.
Lid 1 is niet van toepassing op:

a.
overeenkomsten waarvoor de wet de tussenkomst voorschrijft van de
rechter, een overheidsorgaan of een beroepsbeoefenaar die een
publieke taak uitoefent; en

b.
overeenkomsten die onder het familierecht of het erfrecht vallen.

Artikel 6:227b

1.
Voordat een overeenkomst langs elektronische weg tot stand komt
verstrekt degene die een dienst van de informatiemaatschappij
verleent als bedoeld in artikel 15d lid 3 van Boek 3 de wederpartij
ten minste op duidelijke, begrijpelijke en ondubbelzinnige wijze
informatie over:

a. de
wijze waarop de overeenkomst tot stand zal komen en in het bijzonder
welke handelingen daarvoor nodig zijn;

b.
het al dan niet archiveren van de overeenkomst nadat deze tot stand
zal zijn gekomen, alsmede, indien de overeenkomst wordt gearchiveerd,
op welke wijze deze voor de wederpartij te raadplegen zal zijn;

c. de
wijze waarop de wederpartij van door hem niet gewilde handelingen op
de hoogte kan geraken, alsmede de wijze waarop hij deze kan
herstellen voordat de overeenkomst tot stand komt;

d. de
talen waarin de overeenkomst kan worden gesloten;

e. de
gedragscodes waaraan hij zich heeft onderworpen en de wijze waarop
deze gedragscodes voor de wederpartij langs elektronische weg te
raadplegen zijn.

2. De
dienstverlener stelt voor of bij het sluiten van de overeenkomst de
voorwaarden daarvan, niet zijnde algemene voorwaarden als bedoeld in
artikel 231, op zodanige wijze aan de wederpartij ter beschikking,
dat deze door hem kunnen worden opgeslagen zodat deze voor hem
toegankelijk zijn ten behoeve van latere kennisneming.

3.
Lid 1 is niet van toepassing op overeenkomsten die uitsluitend door
middel van de uitwisseling van elektronische post of een soortgelijke
vorm van individuele communicatie tot stand zijn gekomen.

4.
Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van het niet
naleven door de dienstverlener van zijn in lid 1, aanhef en onder a,
c of d, genoemde verplichtingen, is vernietigbaar. Indien de
dienstverlener zijn in lid 1, aanhef en onder a of c genoemde
verplichting niet is nagekomen, wordt vermoed dat een overeenkomst
onder invloed daarvan tot stand is gekomen.

5.
Gedurende de tijd dat de dienstverlener de informatie, bedoeld in lid
1, onder b en e en lid 2, niet heeft verstrekt, kan de wederpartij de
overeenkomst ontbinden.

6.
Tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of
bedrijf kan van lid 1 worden afgeweken.

Artikel 6:227c

1.
Degene die een dienst van de informatiemaatschappij als bedoeld in
artikel 15d lid 3 van Boek 3 verleent, stelt de wederpartij passende,
doeltreffende en toegankelijke middelen ter beschikking waarmee de
wederpartij voor de aanvaarding van de overeenkomst van door hem niet
gewilde handelingen op de hoogte kan geraken en waarmee hij deze kan
herstellen.

2.
Indien een wederpartij van een dienstverlener langs elektronische weg
een verklaring uitbrengt die door de dienstverlener mag worden
opgevat hetzij als een aanvaarding van een door hem langs
elektronische weg gedaan aanbod, hetzij als een aanbod naar
aanleiding van een door hem langs elektronische weg gedane
uitnodiging om in onderhandeling te treden, bevestigt de
dienstverlener zo spoedig mogelijk langs elektronische weg de
ontvangst van deze verklaring. Zolang de ontvangst van een
aanvaarding niet is bevestigd, kan de wederpartij de overeenkomst
ontbinden. Het niet tijdig bevestigen van de ontvangst van een aanbod
geldt als verwerping daarvan.

3.
Een verklaring als bedoeld in lid 2 en de ontvangstbevestiging worden
geacht te zijn ontvangen, wanneer deze toegankelijk zijn voor de
partijen tot wie zij zijn gericht.

4. De
leden 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de overeenkomst
uitsluitend door middel van de uitwisseling van elektronische post of
een soortgelijke vorm van individuele communicatie tot stand komt.

5.
Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van het niet
naleven door de dienstverlener van zijn in lid 1 genoemde
verplichting, is vernietigbaar. Indien de dienstverlener zijn in lid
1 genoemde verplichting niet is nagekomen, wordt vermoed dat een
overeenkomst onder invloed daarvan tot stand is gekomen.

6.
Van dit artikel kan slechts worden afgeweken tussen partijen die
handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Artikel 6:228

1.
Een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling
en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is
vernietigbaar:

a.
indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij,
tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze
inlichting zou worden gesloten;

b.
indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling
wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;

c.
indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van
dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan,
tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had
behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de
overeenkomst zou worden afgehouden.

2. De
vernietiging kan niet worden gegrond op een dwaling die een
uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met
de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen
of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende
behoort te blijven.

Artikel 6:229

Een
overeenkomst die de strekking heeft voort te bouwen op een reeds
tussen partijen bestaande rechtsverhouding, is vernietigbaar, indien
deze rechtsverhouding ontbreekt, tenzij dit in verband met de aard
van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de
omstandigheden van het geval voor rekening van degene die zich op dit
ontbreken beroept, behoort te blijven.

Artikel 6:230

1. De
bevoegdheid tot vernietiging op grond van de artikelen 228 en 229
vervalt, wanneer de wederpartij tijdig een wijziging van de gevolgen
van de overeenkomst voorstelt, die het nadeel dat de tot vernietiging
bevoegde bij intstandhouding van de overeenkomst lijdt, op afdoende
wijze opheft.

2.
Bovendien kan de rechter op verlangen van een der partijen, in plaats
van de vernietiging uit te spreken, de gevolgen van de overeenkomst
ter opheffing van dit nadeel wijzigen.

Afdeling
3. Algemene voorwaarden

Artikel 6:231

In
deze afdeling wordt verstaan onder:

a.
algemene voorwaarden: een of meer bedingen die zijn opgesteld
teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met
uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven,
voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk
zijn geformuleerd;

b.
gebruiker: degene die algemene voorwaarden in een overeenkomst
gebruikt;

c.
wederpartij: degene die door ondertekening van een geschrift of op
andere wijze de gelding van algemene voorwaarden heeft aanvaard.

Artikel 6:232

Een
wederpartij is ook dan aan de algemene voorwaarden gebonden als bij
het sluiten van de overeenkomst de gebruiker begreep of moest
begrijpen dat zij de inhoud daarvan niet kende.

Artikel 6:233

Een
beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar

a.
indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de
overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen,
de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige
omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de
wederpartij; of

b.
indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke
mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te
nemen.

Artikel 6:234

1. De
gebruiker heeft aan de wederpartij de in artikel 233 onder b bedoelde
mogelijkheid geboden, indien hij

a.
hetzij de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de
overeenkomst aan de wederpartij ter hand heeft gesteld,

b.
hetzij, indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, voor de
totstandkoming van de overeenkomst aan de wederpartij heeft bekend
gemaakt dat de voorwaarden bij hem ter inzage liggen of bij een door
hem opgegeven Kamer van Koophandel en Fabrieken of een griffie van
een gerecht zijn gedeponeerd, alsmede dat zij op verzoek zullen
worden toegezonden,

c.
hetzij, indien de overeenkomst langs elektronische weg tot stand
komt, de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de
overeenkomst aan de wederpartij langs elektronische weg ter
beschikking heeft gesteld op een zodanige wijze dat deze door hem
kunnen worden opgeslagen en voor hem toegankelijk zijn ten behoeve
van latere kennisneming of, indien dit redelijkerwijs niet mogelijk
is, voor de totstandkoming van de overeenkomst aan de wederpartij
heeft bekend gemaakt waar van de voorwaarden langs elektronische weg
kan worden kennisgenomen, alsmede dat zij op verzoek langs
elektronische weg of op andere wijze zullen worden toegezonden.

2.
Indien de voorwaarden niet voor of bij het sluiten van de
overeenkomst aan de wederpartij zijn ter hand gesteld, zijn de
bedingen tevens vernietigbaar indien de gebruiker de voorwaarden niet
op verzoek van de wederpartij onverwijld op zijn kosten aan haar
toezendt.

3.
Het in de leden 1 onder b en 2 omtrent de verplichting tot toezending
bepaalde is niet van toepassing, voor zover deze toezending
redelijkerwijze niet van de gebruiker kan worden gevergd.

Artikel 6:235

1. Op
de vernietigingsgronden bedoeld in de artikelen 233 en 234 kan geen
beroep worden gedaan door

a.
een rechtspersoon bedoeld in artikel 360 van Boek 2, die ten tijde
van het sluiten van de overeenkomst laatstelijk zijn jaarrekening
openbaar heeft gemaakt, of ten aanzien waarvan op dat tijdstip
laatstelijk artikel 403 lid 1 van Boek 2 is toegepast;

b.
een partij op wie het onder a bepaalde niet van toepassing is, indien
op voormeld tijdstip bij haar vijftig of meer personen werkzaam zijn
of op dat tijdstip uit een opgave krachtens de Handelsregisterwet
1996 blijkt dat bij haar vijftig of meer personen werkzaam zijn.

2. Op
de vernietigingsgrond bedoeld in artikel 233 onder a , kan mede een
beroep worden gedaan door een partij voor wie de algemene voorwaarden
door een gevolmachtigde zijn gebruikt, mits de wederpartij meermalen
overeenkomsten sluit waarop dezelfde of nagenoeg dezelfde algemene
voorwaarden van toepassing zijn.

3. Op
de vernietigingsgronden bedoeld in de artikelen 233 en 234, kan geen
beroep worden gedaan door een partij die meermalen dezelfde of
nagenoeg dezelfde algemene voorwaarden in haar overeenkomsten
gebruikt.

4. De
termijn bedoeld in artikel 52 lid 1 onder d van Boek 3, begint met de
aanvang van de dag, volgende op die waarop een beroep op het beding
is gedaan.

Artikel 6:236

Bij
een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk
persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf, wordt als onredelijk bezwarend aangemerkt een in de algemene
voorwaarden voorkomend beding

a.
dat de wederpartij geheel en onvoorwaardelijk het recht ontneemt de
door de gebruiker toegezegde prestatie op te eisen;

b.
dat de aan de wederpartij toekomende bevoegdheid tot ontbinding,
zoals deze in afdeling 5 van titel 5 is geregeld, uitsluit of
beperkt;

c.
dat een de wederpartij volgens de wet toekomende bevoegdheid tot
opschorting van de nakoming uitsluit of beperkt of de gebruiker een
verdergaande bevoegdheid tot opschorting verleent dan hem volgens de
wet toekomt;

d.
dat de beoordeling van de vraag of de gebruiker in de nakoming van
een of meer van zijn verbintenissen is te kort geschoten aan hem zelf
overlaat, of dat de uitoefening van de rechten die de wederpartij ter
zake van een zodanige tekortkoming volgens de wet toekomen,
afhankelijk stelt van de voorwaarde dat deze eerst een derde in
rechte heeft aangesproken;

e.
krachtens hetwelk de wederpartij aan de gebruiker bij voorbaat
toestemming verleent zijn uit de overeenkomst voortvloeiende
verplichtingen op een der in afdeling 3 van titel 2 bedoelde wijzen
op een derde te doen overgaan, tenzij de wederpartij te allen tijde
de bevoegdheid heeft de overeenkomst te ontbinden, of de gebruiker
jegens de wederpartij aansprakelijk is voor de nakoming door de
derde, of de overgang plaatsvindt in verband met de overdracht van
een onderneming waartoe zowel die verplichtingen als de daartegenover
bedongen rechten behoren;

f.
dat voor het geval uit de overeenkomst voor de gebruiker
voortvloeiende rechten op een derde overgaan, ertoe strekt
bevoegdheden of verweermiddelen die de wederpartij volgens de wet
jegens die derde zou kunnen doen gelden, uit te sluiten of te
beperken;

g.
dat een wettelijke verjarings- of vervaltermijn waarbinnen de
wederpartij enig recht moet geldend maken, tot een verjarings-
onderscheidenlijk vervaltermijn van minder dan een jaar verkort;

h.
dat voor het geval bij de uitvoering van de overeenkomst schade aan
een derde wordt toegebracht door de gebruiker of door een persoon of
zaak waarvoor deze aansprakelijk is, de wederpartij verplicht deze
schade hetzij aan de derde te vergoeden, hetzij in haar verhouding
tot de gebruiker voor een groter deel te dragen dan waartoe zij
volgens de wet verplicht zou zijn;

i.
dat de gebruiker de bevoegdheid geeft de door hem bedongen prijs
binnen drie maanden na het sluiten van de overeenkomst te verhogen,
tenzij de wederpartij bevoegd is in dat geval de overeenkomst te
ontbinden;

j.
dat in geval van een overeenkomst tot het geregeld afleveren van
zaken, elektriciteit daaronder begrepen, of tot het geregeld doen van
verrichtingen, leidt tot stilzwijgende verlenging of vernieuwing van
meer dan een jaar;

k.
dat de bevoegdheid van de wederpartij om bewijs te leveren uitsluit
of beperkt, of dat de uit de wet voortvloeiende verdeling van de
bewijslast ten nadele van de wederpartij wijzigt, hetzij doordat het
een verklaring van haar bevat omtrent de deugdelijkheid van de haar
verschuldigde prestatie, hetzij doordat het haar belast met het
bewijs dat een tekortkoming van de gebruiker aan hem kan worden
toegerekend;

l.
dat ten nadele van de wederpartij afwijkt van artikel 37 van Boek 3,
tenzij het betrekking heeft op de vorm van door de wederpartij af te
leggen verklaringen of bepaalt dat de gebruiker het hem door de
wederpartij opgegeven adres als zodanig mag blijven beschouwen totdat
hem een nieuw adres is meegedeeld;

m.
waarbij een wederpartij die bij het aangaan van de overeenkomst
werkelijke woonplaats in een gemeente in Nederland heeft, woonplaats
kiest anders dan voor het geval zij te eniger tijd geen bekende
werkelijke woonplaats in die gemeente zal hebben, tenzij de
overeenkomst betrekking heeft op een registergoed en woonplaats ten
kantore van een notaris wordt gekozen;

n.
dat voorziet in de beslechting van een geschil door een ander dan
hetzij de rechter die volgens de wet bevoegd zou zijn, hetzij een of
meer arbiters, tenzij het de wederpartij een termijn gunt van
tenminste een maand nadat de gebruiker zich schriftelijk jegens haar
op het beding heeft beroepen, om voor beslechting van het geschil
door de volgens de wet bevoegde rechter te kiezen.

Artikel 6:237

Bij
een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk
persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in de
algemene voorwaarden voorkomend beding

a.
dat de gebruiker een, gelet op de omstandigheden van het geval,
ongebruikelijk lange of onvoldoende bepaalde termijn geeft om op een
aanbod of een andere verklaring van de wederpartij te reageren;

b.
dat de inhoud van de verplichtingen van de gebruiker wezenlijk
beperkt ten opzichte van hetgeen de wederpartij, mede gelet op de
wettelijke regels die op de overeenkomst betrekking hebben, zonder
dat beding redelijkerwijs mocht verwachten;

c.
dat de gebruiker de bevoegdheid verleent een prestatie te verschaffen
die wezenlijk van de toegezegde prestatie afwijkt, tenzij de
wederpartij bevoegd is in dat geval de overeenkomst te ontbinden;

d.
dat de gebruiker van zijn gebondenheid aan de overeenkomst bevrijdt
of hem de bevoegdheid daartoe geeft anders dan op in de overeenkomst
vermelde gronden welke van dien aard zijn dat deze gebondenheid niet
meer van hem kan worden gevergd;

e.
dat de gebruiker een ongebruikelijk lange of onvoldoende bepaalde
termijn voor de nakoming geeft;

f.
dat de gebruiker of een derde geheel of ten dele bevrijdt van een
wettelijke verplichting tot schadevergoeding;

g.
dat een de wederpartij volgens de wet toekomende bevoegdheid tot
verrekening uitsluit of beperkt of de gebruiker een verdergaande
bevoegdheid tot verrekening verleent dan hem volgens de wet toekomt;

h.
dat als sanctie op bepaalde gedragingen van de wederpartij, nalaten
daaronder begrepen, verval stelt van haar toekomende rechten of van
de bevoegdheid bepaalde verweren te voeren, behoudens voor zover deze
gedragingen het verval van die rechten of verweren rechtvaardigen;

i.
dat voor het geval de overeenkomst wordt beëindigd anders dan op
grond van het feit dat de wederpartij in de nakoming van haar
verbintenis is tekort geschoten, de wederpartij verplicht een geldsom
te betalen, behoudens voor zover het betreft een redelijke vergoeding
voor door de gebruiker geleden verlies of gederfde winst;

j.
dat de wederpartij verplicht tot het sluiten van een overeenkomst met
de gebruiker of met een derde, tenzij dit, mede gelet op het verband
van die overeenkomst met de in dit artikel bedoelde overeenkomst,
redelijkerwijze van de wederpartij kan worden gevergd;

k.
dat voor een overeenkomst als bedoeld in artikel 236 onder j een duur
bepaalt van meer dan een jaar, tenzij de wederpartij de bevoegdheid
heeft de overeenkomst telkens na een jaar op te zeggen;

l.
dat de wederpartij aan een opzegtermijn bindt die langer is dan drie
maanden of langer dan de termijn waarop de gebruiker de overeenkomst
kan opzeggen;

m.
dat voor de geldigheid van een door de wederpartij te verrichten
verklaring een strengere vorm dan het vereiste van een onderhandse
akte stelt;

n.
dat bepaalt dat een door de wederpartij verleende volmacht
onherroepelijk is of niet eindigt door haar dood of
ondercuratelestelling, tenzij de volmacht strekt tot levering van een
registergoed.

Artikel 6:238

1.
Bij een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 236 en 237, kan
jegens de wederpartij geen beroep worden gedaan

a. op
het feit dat de overeenkomst in naam van een derde is gesloten,
indien dit beroep berust op het enkele feit dat een beding van deze
strekking in de algemene voorwaarden voorkomt;

b. op
het feit dat de algemene voorwaarden beperkingen bevatten van de
bevoegdheid van een gevolmachtigde van de gebruiker, die zo
ongebruikelijk zijn dat de wederpartij ze zonder het beding niet
behoefde te verwachten, tenzij zij ze kende.

2.
Bij een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 236 en 237 moeten de
bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. Bij twijfel over
de betekenis van een beding, prevaleert de voor de wederpartij
gunstigste uitleg.

Artikel 6:239

1.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de onderdelen a-n van
artikel 237 worden gewijzigd en kan hun toepassingsgebied worden
beperkt.

2.
Alvorens een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van
een maatregel als bedoeld in het eerste lid te doen, kan Onze
Minister van Justitie de naar zijn oordeel representatieve
organisaties van hen die bij het sluiten van de overeenkomsten waarop
de maatregel betrekking heeft, algemene voorwaarden plegen te
gebruiken en van hen die bij die overeenkomsten als hun wederpartij
plegen op te treden, horen.

3.
Een besluit als in het eerste lid bedoeld wordt zodra het is
vastgesteld toegezonden aan de voorzitters van de beide Kamers van de
Staten-Generaal. Een dergelijk besluit treedt niet in werking dan
nadat twee maanden zijn verstreken sinds de datum van uitgifte van
het Staatsblad waarin het is geplaatst.

Artikel 6:240

1. Op
vordering van een rechtspersoon als bedoeld in lid 3 kunnen bepaalde
bedingen in bepaalde algemene voorwaarden onredelijk bezwarend worden
verklaard; de artikelen 233 onder a , 236 en 237 zijn van
overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van de vorige zin
wordt een beding in algemene voorwaarden dat in strijd is met een
dwingende wetsbepaling, als onredelijk bezwarend aangemerkt. Bij de
beoordeling van een beding blijft de uitlegregel van artikel 238 lid
2, tweede zin, buiten toepassing.

2. De
vordering kan worden ingesteld tegen de gebruiker, alsmede tegen een
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die ten doel heeft de
behartiging van de belangen van personen die een beroep of bedrijf
uitoefenen, indien hij het gebruik van de algemene voorwaarden door
die personen bevordert.

3. De
vordering komt toe aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid
die ten doel hebben de behartiging van belangen van personen die een
beroep of bedrijf uitoefenen of van eindgebruikers van niet voor een
beroep of bedrijf bestemde goederen of diensten. Zij kan slechts
betrekking hebben op algemene voorwaarden die worden gebruikt of
bestemd zijn te worden gebruikt in overeenkomsten met personen wier
belangen door de rechtspersoon worden behartigd.

4. De
eiser is niet ontvankelijk indien niet blijkt dat hij, alvorens de
vordering in te stellen, de gebruiker of, in het geval bedoeld in
artikel 1003 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de
aldaar bedoelde vereniging, de gelegenheid heeft geboden om in
onderling overleg de algemene voorwaarden zodanig te wijzigen dat de
bezwaren die grond voor de vordering zouden opleveren, zijn
weggenomen. Een termijn van twee weken na de ontvangst van een
verzoek tot overleg onder vermelding van de bezwaren, is daartoe in
elk geval voldoende.

5.
Voor zover een rechtspersoon met het gebruik van bedingen in algemene
voorwaarden heeft ingestemd, komt hem geen vordering als bedoeld in
lid 1 toe.

6.
Met een rechtspersoon als bedoeld in lid 3 wordt gelijk gesteld een
organisatie of openbaar lichaam met zetel buiten Nederland welke
geplaatst is op de lijst, bedoeld in artikel 4 lid 3 van richtlijn
nr. 98/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 19 mei 1998 betreffende het doen staken van inbreuken in het
raam van de bescherming van consumentenbelangen (PbEG L 166), mits de
vordering betrekking heeft op algemene voorwaarden die worden
gebruikt of bestemd zijn te worden gebruikt in overeenkomsten met
personen die hun gewone verblijfplaats hebben in het land waar de
organisatie of het openbaar lichaam gezeteld is, en de organisatie
deze belangen ingevolge haar doelstelling behartigt of aan het
openbaar lichaam de behartiging van deze belangen is toevertrouwd.

Artikel 6:241

1.
Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage is bij uitsluiting bevoegd tot
kennisneming van vorderingen als in het vorige artikel bedoeld.

2. De
in het vorige artikel bedoelde rechtspersonen hebben de bevoegdheden,
geregeld in de artikelen 217 en 376 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering; artikel 379 van dat wetboek is niet van toepassing.

3. Op
vordering van de eiser kan aan de uitspraak worden verbonden

a.
een verbod van het gebruik van de door de uitspraak getroffen
bedingen of van het bevorderen daarvan;

b.
een gebod om een aanbeveling tot het gebruik van deze bedingen te
herroepen;

c.
een veroordeling tot het openbaar maken of laten openbaar maken van
de uitspraak, zulks op door de rechter te bepalen wijze en op kosten
van de door de rechter aan te geven partij of partijen.

4. De
rechter kan in zijn uitspraak aangeven op welke wijze het onredelijk
bezwarend karakter van de bedingen waarop de uitspraak betrekking
heeft, kan worden weggenomen.

5.
Geschillen terzake van de tenuitvoerlegging van de in lid 3 bedoelde
veroordelingen, alsmede van de veroordeling tot betaling van een
dwangsom, zo deze is opgelegd, worden bij uitsluiting door het
Gerechtshof te ‘s-Gravenhage beslist.

6.
Tot kennisneming van vorderingen in kort geding strekkende tot
veroordelingen als bedoeld in lid 3, ingesteld door rechtspersonen
als bedoeld in artikel 240 lid 3, is de voorzieningenrechter van de
rechtbank te ‘s-Gravenhage bij uitsluiting bevoegd. Lid 5, alsmede de
artikelen 62, 116 lid 2, 1003, 1005, 1006 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:242

1. Op
vordering van een of meer van degenen tegen wie de in artikel 240 lid
1 bedoelde uitspraak is gedaan, kan de rechter die uitspraak wijzigen
of opheffen op grond dat zij tengevolge van een wijziging in de
omstandigheden niet langer gerechtvaardigd is. De vordering wordt
ingesteld tegen de rechtspersoon op wiens vordering de uitspraak was
gedaan.

2.
Indien de rechtspersoon op wiens vordering de uitspraak was gedaan,
is ontbonden, wordt de zaak met een verzoekschrift ingeleid. Voor de
toepassing van artikel 279 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering worden rechtspersonen als bedoeld in artikel 240 lid
3 als belanghebbenden aangemerkt.

3.
Artikel 241 leden 1, 2, 3 onder c en 5 is van overeenkomstige
toepassing.

4. De
vorige leden zijn niet van toepassing voor zover de uitspraak
betrekking had op een beding dat door de wet als onredelijk bezwarend
wordt aangemerkt.

Artikel 6:243

Een
beding in algemene voorwaarden dat door degene jegens wie een verbod
tot gebruik ervan is uitgesproken, in strijd met het verbod in een
overeenkomst wordt opgenomen, is vernietigbaar. Artikel 235 is van
overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:244

1.
Een persoon die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf,
kan geen beroep doen op een beding in een overeenkomst met een partij
die terzake van de goederen of diensten waarop die overeenkomst
betrekking heeft, met gebruikmaking van algemene voorwaarden
overeenkomsten met haar afnemers heeft gesloten, voor zover een
beroep op dat beding onredelijk zou zijn wegens zijn nauwe samenhang
met een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat krachtens
deze afdeling is vernietigd of door een uitspraak als bedoeld in
artikel 240 lid 1 is getroffen.

2. Is
tegen de gebruiker een vordering als bedoeld in artikel 240 lid 1
ingesteld, dan is hij bevoegd die persoon in het geding te roepen
teneinde voor recht te horen verklaren dat een beroep als bedoeld in
het vorige lid onredelijk zou zijn. Artikel 241 leden 2, 3 onder c, 4
en 5 alsmede de artikelen 210, 211 en 215 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Op
de uitspraak is artikel 242 van overeenkomstige toepassing.

4. Op
eerdere overeenkomsten met betrekking tot de voormelde goederen en
diensten zijn de leden 1-3 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:245

Deze
afdeling is noch van toepassing op arbeidsovereenkomsten, noch op
collectieve arbeidsovereenkomsten.

Artikel 6:246

Noch
van de artikelen 231-244, noch van de bepalingen van de in artikel
239 lid 1 bedoelde algemene maatregelen van bestuur kan worden
afgeweken. De bevoegdheid om een beding krachtens deze afdeling door
een buitengerechtelijke verklaring te vernietigen, kan niet worden
uitgesloten.

Artikel 6:247

1. Op
overeenkomsten tussen partijen die handelen in de uitoefening van een
beroep of bedrijf en die beide in Nederland gevestigd zijn, is deze
afdeling van toepassing, ongeacht het recht dat de overeenkomst
beheerst.

2. Op
overeenkomsten tussen partijen die handelen in de uitoefening van een
beroep of bedrijf en die niet beide in Nederland gevestigd zijn, is
deze afdeling niet van toepassing, ongeacht het recht dat de
overeenkomst beheerst.

3.
Een partij is in de zin van de leden 1 en 2 in Nederland gevestigd,
indien haar hoofdvestiging, of, zo de prestatie volgens de
overeenkomst door een andere vestiging dan de hoofdvestiging moet
worden verricht, deze andere vestiging zich in Nederland bevindt.

4. Op
overeenkomsten tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk
persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf, is, indien de wederpartij haar gewone verblijfplaats in
Nederland heeft, deze afdeling van toepassing, ongeacht het recht dat
de overeenkomst beheerst.

Afdeling
4. Rechtsgevolgen van overeenkomsten

Artikel 6:248

1.
Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen
rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst,
uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid
voortvloeien.

2.
Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is
niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Artikel 6:249

De
rechtsgevolgen van een overeenkomst gelden mede voor de
rechtverkrijgenden onder algemene titel, tenzij uit de overeenkomst
iets anders voortvloeit. In het geval van verdeling van een
nalatenschap ingevolge artikel 13 van Boek 4 gelden de rechtsgevolgen
van de overeenkomst niet mede voor de kinderen van de erflater,
tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit.

Artikel 6:250

Bij
overeenkomst kan worden afgeweken van de volgende artikelen van deze
afdeling, met uitzondering van de artikelen 251 lid 3, 252 lid 2 voor
zover het de eis van een notariële akte betreft, en lid 3, 253
lid 1, 257, 258, 259 en 260.

Artikel 6:251

1.
Staat een uit een overeenkomst voortvloeiende, voor overgang vatbaar
recht in een zodanig verband met een aan de schuldeiser toebehorend
goed, dat hij bij dat recht slechts belang heeft, zolang hij het goed
behoudt, dan gaat dat recht over op degene die dat goed onder
bijzondere titel verkrijgt.

2. Is
voor het recht een tegenprestatie overeengekomen, dan gaat de
verplichting tot het verrichten van die tegenprestatie mede over,
voor zover deze betrekking heeft op de periode na de overgang. De
vervreemder blijft naast de verkrijger jegens de wederpartij
aansprakelijk, behoudens voor zover deze zich na de overgang in geval
van uitblijven van de tegenprestatie van haar verbintenis kan
bevrijden door ontbinding of beëindiging van de overeenkomst.

3.
Het in de vorige leden bepaalde geldt niet, indien de verkrijger van
het goed tot de wederpartij bij de overeenkomst een verklaring richt
dat hij de overgang van het recht niet aanvaardt.

4.
Uit de rechtshandeling waarbij het goed wordt overgedragen, kan
voortvloeien dat geen overgang plaatsvindt.

Artikel 6:252

1.
Bij een overeenkomst kan worden bedongen dat de verplichting van een
der partijen om iets te dulden of niet te doen ten aanzien van een
haar toebehorend registergoed, zal overgaan op degenen die het goed
onder bijzondere titel zullen verkrijgen, en dat mede gebonden zullen
zijn degenen die van de rechthebbende een recht tot gebruik van het
goed zullen verkrijgen.

2.
Voor de werking van het in lid 1 bedoelde beding is vereist dat van
de overeenkomst tussen partijen een notariële akte wordt
opgemaakt, gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare
registers. Degene jegens wie de verplichting bestaat, waarop het
beding betrekking heeft, moet in de akte ter zake van de inschrijving
woonplaats kiezen in Nederland.

3.
Ook na inschrijving heeft het beding geen werking:

a.
jegens hen die voor de inschrijving onder bijzondere titel een recht
op het goed of tot gebruik van het goed hebben verkregen;

b.
jegens een beslaglegger op het goed of een recht daarop, indien de
inschrijving op het tijdstip van de inschrijving van het
proces-verbaal van inbeslagneming nog niet had plaats gevonden;

c.
jegens hen die hun recht hebben verkregen van iemand die ingevolge
het onder a of b bepaalde niet aan de bedongen verplichting gebonden
was.

4. Is
voor de verplichting een tegenprestatie overeengekomen, dan gaat bij
de overgang van de verplichting het recht op de tegenprestatie mee
over, voor zover deze betrekking heeft op de periode na de overgang
en ook het beding omtrent deze tegenprestatie in de registers
ingeschreven is.

5.
Dit artikel is niet van toepassing op verplichtingen die een
rechthebbende beperken in zijn bevoegdheid het goed te vervreemden of
te bezwaren.

Artikel 6:253

1.
Een overeenkomst schept voor een derde het recht een prestatie van
een der partijen te vorderen of op andere wijze jegens een van hen
een beroep op de overeenkomst te doen, indien de overeenkomst een
beding van die strekking inhoudt en de derde dit beding aanvaardt.

2.
Tot de aanvaarding kan het beding door degene die het heeft gemaakt,
worden herroepen.

3.
Een aanvaarding of herroeping van het beding geschiedt door een
verklaring, gericht tot een van de beide andere betrokkenen.

4. Is
het beding onherroepelijk en jegens de derde om niet gemaakt, dan
geldt het als aanvaard, indien het ter kennis van de derde is gekomen
en door deze niet onverwijld is afgewezen.

Artikel 6:254

1.
Nadat de derde het beding heeft aanvaard, geldt hij als partij bij de
overeenkomst.

2.
Hij kan, indien dit met de strekking van het beding in
overeenstemming is, daaraan ook rechten ontlenen over de periode vóór
de aanvaarding.

Artikel 6:255

1.
Heeft een beding ten behoeve van een derde ten opzichte van die derde
geen gevolg, dan kan degene die het beding heeft gemaakt, hetzij
zichzelf, hetzij een andere derde als rechthebbende aanwijzen.

2.
Hij wordt geacht zichzelf als rechthebbende te hebben aangewezen,
wanneer hem door degene van wie de prestatie is bedongen, een
redelijke termijn voor de aanwijzing is gesteld en hij binnen deze
termijn geen aanwijzing heeft uitgebracht.

Artikel 6:256

De
partij die een beding ten behoeve van een derde heeft gemaakt, kan
nakoming jegens de derde vorderen, tenzij deze zich daartegen verzet.

Artikel 6:257

Kan
een partij bij een overeenkomst ter afwering van haar
aansprakelijkheid voor een gedraging van een aan haar ondergeschikte
aan de overeenkomst een verweermiddel jegens haar wederpartij
ontlenen, dan kan ook de ondergeschikte, indien hij op grond van deze
gedraging door de wederpartij wordt aangesproken, dit verweermiddel
inroepen, als ware hijzelf bij de overeenkomst partij.

Artikel 6:258

1. De
rechter kan op verlangen van een der partijen de gevolgen van een
overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op
grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de
wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.
Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden
verleend.

2.
Een wijziging of ontbinding wordt niet uitgesproken, voor zover de
omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het
verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich
erop beroept.

3.
Voor de toepassing van dit artikel staat degene op wie een recht of
een verplichting uit een overeenkomst is overgegaan, met een partij
bij die overeenkomst gelijk.

Artikel 6:259

1.
Indien een overeenkomst ertoe strekt een rechthebbende op of een
gebruiker van een registergoed als zodanig te verplichten tot een
prestatie die niet bestaat in of gepaard gaat met het dulden van
voortdurend houderschap, kan de rechter op zijn verlangen de gevolgen
van de overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk
ontbinden:

a.
indien ten minste tien jaren na het sluiten van de overeenkomst zijn
verlopen en het ongewijzigd voortduren van de verplichting in strijd
is met het algemeen belang;

b.
indien de schuldeiser bij de nakoming van de verplichting geen
redelijk belang meer heeft en het niet aannemelijk is dat dit belang
zal terugkeren.

2.
Voor de termijn vermeld in lid 1 onder a telt mee de gehele periode
waarin rechthebbende op of gebruikers van het goed aan een beding van
dezelfde strekking gebonden zijn geweest. De termijn geldt niet, voor
zover de strijd met het algemeen belang hierin bestaat dat het beding
een beletsel vormt voor verwerkelijking van een geldend
bestemmingsplan.

Artikel 6:260

1.
Een wijziging of ontbinding als bedoeld in de artikelen 258 en 259
kan worden uitgesproken onder door de rechter te stellen voorwaarden.

2.
Indien hij op grond van die artikelen de overeenkomst wijzigt of
gedeeltelijk ontbindt, kan hij bepalen dat een of meer der partijen
de overeenkomst binnen een bij de uitspraak vast te stellen termijn
door een schriftelijke verklaring geheel zal kunnen ontbinden. De
wijziging of gedeeltelijke ontbinding treedt niet in, voordat deze
termijn is verstreken.

3. Is
de overeenkomst die op grond van de artikelen 258 en 259 wordt
gewijzigd of geheel of gedeeltelijk ontbonden, ingeschreven in de
openbare registers, dan kan ook de uitspraak waarbij de wijziging of
ontbinding plaatsvond, daarin worden ingeschreven, mits deze
uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of uitvoerbaar bij
voorraad is.

4.
Wordt iemand te dier zake gedagvaard aan zijn overeenkomstig artikel
252 lid 2, eerste zin, gekozen woonplaats, dan zijn daarmee tevens
gedagvaard al zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving
hebben genomen. Artikel 29 lid 2 en lid 3, tweede tot en met vierde
zin, van Boek 3 zijn van overeenkomstige toepassing.

5.
Andere rechtsfeiten die een ingeschreven overeenkomst wijzigen of
beëindigen, zijn eveneens inschrijfbaar, voor zover het
rechterlijke uitspraken betreft mits zij in kracht van gewijsde zijn
gegaan of uitvoerbaar bij voorraad zijn.

Afdeling
5. Wederkerige overeenkomsten

Artikel 6:261

1.
Een overeenkomst is wederkerig, indien elk van beide partijen een
verbintenis op zich neemt ter verkrijging van de prestatie waartoe de
wederpartij zich daartegenover jegens haar verbindt.

2. De
bepalingen omtrent wederkerige overeenkomsten zijn van
overeenkomstige toepassing op andere rechtsbetrekkingen die strekken
tot het wederzijds verrichten van prestaties, voor zover de aard van
die rechtsbetrekkingen zich daartegen niet verzet.

Artikel 6:262

1.
Komt een der partijen haar verbintenis niet na, dan is de wederpartij
bevoegd de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op
te schorten.

2.
In geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming is
opschorting slechts toegelaten, voor zover de tekortkoming haar
rechtvaardigt.

Artikel 6:263

1. De
partij die verplicht is het eerst te presteren, is niettemin bevoegd
de nakoming van haar verbintenis op te schorten, indien na het
sluiten van de overeenkomst te harer kennis gekomen omstandigheden
haar goede grond geven te vrezen dat de wederpartij haar
daartegenover staande verplichtingen niet zal nakomen.

2. In
geval er goede grond bestaat te vrezen dat slechts gedeeltelijk of
niet behoorlijk zal worden nagekomen, is de opschorting slechts
toegelaten voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt.

Artikel 6:264

In
geval van opschorting op grond van de artikelen 262 en 263 zijn de
artikelen 54 onder b en c en 55 niet van toepassing.

Artikel 6:265

1.
Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar
verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de
overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden,
tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe
betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

2.
Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is,
ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in
verzuim is.

Artikel 6:266

1.
Geen ontbinding kan worden gegrond op een tekortkoming in de nakoming
van een verbintenis ten aanzien waarvan de schuldeiser zelf in
verzuim is.

2.
Wordt echter tijdens het verzuim van de schuldeiser behoorlijke
nakoming geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan kan de overeenkomst
ontbonden worden, indien door schuld van de schuldenaar of zijn
ondergeschikte is tekortgeschoten in de zorg die in de gegeven
omstandigheden van hem mocht worden gevergd.

Artikel 6:267

1. De
ontbinding vindt plaats door een schriftelijke verklaring van de
daartoe gerechtigde. Indien de overeenkomst langs elektronische weg
is totstandgekomen, kan deze tevens door een langs elektronische weg
uitgebrachte verklaring worden ontbonden. Artikel 227a lid 1 is van
overeenkomstige toepassing.

2.
Zij kan ook op zijn vordering door de rechter worden uitgesproken.

Artikel 6:268

De
bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding vervalt door verjaring
van de rechtsvordering tot ontbinding. De verjaring staat niet in de
weg aan gerechtelijke of buitengerechtelijke ontbinding ter afwering
van een op de overeenkomst steunende rechtsvordering of andere
rechtsmaatregel.

Artikel 6:269

De
ontbinding heeft geen terugwerkende kracht, behoudens dat een aanbod
tot nakoming, gedaan nadat de ontbinding is gevorderd, geen werking
heeft, indien de ontbinding wordt uitgesproken.

Artikel 6:270

Een
gedeeltelijke ontbinding houdt een evenredige vermindering in van de
wederzijdse prestaties in hoeveelheid of hoedanigheid.

Artikel 6:271

Een
ontbinding bevrijdt de partijen van de daardoor getroffen
verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de
rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen
een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen
prestaties.

Artikel 6:272

1.
Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt,
dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ten belope van haar
waarde op het tijdstip van de ontvangst.

2.
Heeft de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt deze
vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor
de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven omstandigheden werkelijk
heeft gehad.

Artikel 6:273

Een
partij die een prestatie heeft ontvangen, is vanaf het tijdstip dat
zij redelijkerwijze met een ontbinding rekening moet houden,
verplicht er als een zorgvuldig schuldenaar zorg voor te dragen dat
de ingevolge die ontbinding verschuldigde ongedaanmaking van de
prestatie mogelijk zal zijn. Artikel 78 is van overeenkomstige
toepassing.

Artikel 6:274

Heeft
een partij in weerwil van een dreigende ontbinding te kwader trouw
een prestatie ontvangen, dan wordt zij na de ontbinding geacht vanaf
de ontvangst van de prestatie in verzuim geweest te zijn.

Artikel 6:275

De
artikelen 120-124 van Boek 3 zijn van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot hetgeen daarin is bepaald omtrent de afgifte van
vruchten en de vergoeding van kosten en schade.

Artikel 6:276

Op de
onbekwame die een prestatie heeft ontvangen, rusten de in deze
afdeling omschreven verplichtingen slechts, voor zover het ontvangene
hem tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht van zijn
wettelijke vertegenwoordiger is gekomen.

Artikel 6:277

1.
Wordt een overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbonden, dan is de
partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd,
verplicht haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt,
doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst
plaatsvindt.

2.
Indien de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden
toegerekend, is het vorige lid slechts van toepassing binnen de
grenzen van het in artikel 78 bepaalde.

Artikel 6:278

1. De
partij die ontbinding kiest van een reeds uitgevoerde overeenkomst,
nadat de verhouding in waarde tussen hetgeen wederzijds bij
ongedaanmaking zou moeten worden verricht, zich te haren gunste heeft
gewijzigd, is verplicht door bijbetaling de oorspronkelijke
waardeverhouding te herstellen, indien aannemelijk is dat zij zonder
deze wijziging geen ontbinding zou hebben gekozen.

2.
Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ingeval de partij te
wier gunste de wijziging is ingetreden, op andere grond dan
ontbinding de stoot tot ongedaanmaking geeft en aannemelijk is dat
zij daartoe zonder deze wijziging niet zou zijn overgegaan.

Artikel 6:279

1. Op
overeenkomsten waaruit tussen meer dan twee partijen verbintenissen
voortvloeien, vinden de bepalingen betreffende wederkerige
overeenkomsten met inachtneming van de volgende leden overeenkomstige
toepassing, voor zover de aard van de overeenkomst zich daartegen
niet verzet.

2. De
partij die een verbintenis op zich heeft genomen ter verkrijging van
een daartegenover van een of meer der andere partijen bedongen
prestatie, kan haar recht op ontbinding gronden op een tekortkoming
in de nakoming van de verbintenis jegens haarzelf.

3.
Schiet een partij met samenhangende rechten en verplichtingen zelf
tekort in de nakoming van haar verbintenis, dan kunnen in ieder geval
de overige partijen gezamenlijk de overeenkomst ontbinden.

Close Menu
×
×

Basket