Burgerlijk Wetboek Art. 2:175 BW – boek 8:54

netherlands-coat-armsBurgerlijk Wetboek Art
previous companies act
next companies act

Titel
6. Ongevallen

Afdeling
1. Aanvaring

Artikel 8:540

Aanvaring
is de aanraking van schepen met elkaar.

Artikel 8:541

Onder
voorbehoud van de Wet aansprakelijkheid olietankschepen vindt het in
deze afdeling omtrent aanvaring bepaalde eveneens toepassing indien
schade door een zeeschip is veroorzaakt zonder dat een aanvaring
plaats had.

Artikel 8:542

Indien
een zeeschip door een aanvaring schade heeft veroorzaakt, dan wel aan
een zeeschip, deszelfs opvarenden of de zaken aan boord daarvan door
een schip schade is veroorzaakt, wordt de aansprakelijkheid voor deze
schade geregeld door deze afdeling.

Artikel 8:543

Indien
de aanvaring is veroorzaakt door toeval, indien zij is toe te
schrijven aan overmacht of indien twijfel bestaat omtrent de oorzaken
der aanvaring, wordt de schade gedragen door hen, die haar hebben
geleden.

Artikel 8:544

Indien
de aanvaring is veroorzaakt door de schuld van één
schip, is de eigenaar van het schip, dat de schuld had, verplicht de
schade te vergoeden.

Artikel 8:545

1.
Indien twee of meer schepen gezamenlijk door hun schuld een aanvaring
hebben veroorzaakt, zijn de eigenaren daarvan zonder hoofdelijkheid
aansprakelijk voor de schade, toegebracht aan medeschuldige schepen
en aan goederen, die zich aan boord daarvan bevinden, en hoofdelijk
voor alle overige schade.

2. Is
de aansprakelijkheid niet hoofdelijk, dan zijn de eigenaren van de
schepen, die gezamenlijk door hun schuld de aanvaring hebben
veroorzaakt, tegenover de benadeelden aansprakelijk in verhouding tot
het gewicht van de schuld van hun schepen; indien echter de
omstandigheden meebrengen, dat die verhouding niet kan worden
vastgesteld of indien blijkt dat de schuld van deze schepen
gelijkwaardig is wordt de aansprakelijkheid in gelijke delen
verdeeld.

3. Is
de aansprakelijkheid hoofdelijk, dan moet elk der aansprakelijke
eigenaren zijn door het tweede lid van dit artikel vastgestelde
aandeel in de betaling aan de schuldeiser voor zijn rekening nemen.
Onder voorbehoud van artikel 364 en artikel 880 heeft hij, die meer
dan zijn aandeel heeft betaald, voor het overschot verhaal op zijn
medeschuldenaren, die minder dan hun aandeel hebben betaald.

Artikel 8:546

Er
bestaan geen wettelijke vermoedens van schuld met betrekking
tot de aansprakelijkheid voor aanvaring; het schip, dat in aanraking
komt met een andere, zo nodig behoorlijk verlichte, vaste of te
bekwamer plaatse vastgemaakte zaak, geen schip zijnde, is
aansprakelijk voor de schade, tenzij blijkt dat de aanraking niet is
veroorzaakt door schuld van het schip.

Artikel 8:547

De
krachtens deze afdeling bestaande aansprakelijkheid wordt niet
opgeheven ingeval de aanvaring is veroorzaakt door de schuld van een
loods, zelfs niet als het gebruik van deze verplicht is.

Afdeling
2. Hulpverlening

Artikel 8:550

Deze
afdeling geldt slechts onder voorbehoud van de
Astronautenovereenkomst (Trb. 1968, 134).

Artikel 8:551

In
deze afdeling wordt verstaan onder:

a.
hulpverlening: iedere daad of werkzaamheid, verricht om hulp te
verlenen aan een in bevaarbaar water of in welk ander water dan ook
in gevaar verkerend schip of andere zaak;

b.
schip: ieder schip of ander vaartuig, dan wel iedere constructie
waarmee kan worden gevaren;

c.
goederen: alle zaken die niet blijvend en opzettelijk aan de kust
zijn bevestigd en de in risico zijnde vracht;

d.
milieuschade: aanzienlijke fysieke schade aan de gezondheid van de
mens, aan de marine fauna of flora of aan hulpbronnen in kust- of
binnenwateren of daaraan grenzende gebieden, veroorzaakt door
verontreiniging, besmetting, brand, ontploffing of soortgelijke
ingrijpende gebeurtenissen;

e.
betaling: iedere krachtens deze afdeling verschuldigde beloning,
vergoeding of schadeloosstelling.

Artikel 8:552

Voor
de toepassing van deze afdeling worden de wateren genoemd in artikel
21 van de Wet op de strandvonderij beschouwd tot de zee, en de
stranden en oevers daarvan tot het zeestrand te behoren.

Artikel 8:553

Deze
afdeling is niet van toepassing in geval van hulpverlening aan:

a.
vaste of drijvende platforms of verplaatsbare boorinstallaties
wanneer die platforms of boorinstallaties op een lokatie in bedrijf
zijn voor de exploratie, exploitatie of winning van minerale
rijkdommen van de zeebodem;

b.
een maritiem cultuurgoed dat van prehistorisch, archeologisch of
historisch belang is en zich ten minste vijftig jaar op de zeebodem
bevindt.

Artikel 8:554

Deze
afdeling is mede van toepassing in geval van hulpverlening door of
aan een oorlogsschip of ander niet-handelsschip, dat toebehoort aan,
dan wel gebruikt of bevracht wordt door de Staat der Nederlanden of
enige andere Staat die het Internationaal Verdrag inzake
Hulpverlening, 1989 (Trb. 1990, 109), op die schepen van toepassing
heeft verklaard.

Artikel 8:555

De
bepalingen omtrent hulpverlening zijn van overeenkomstige toepassing
in geval van hulpverlening:

a.
aan op het vaste zeestrand of de oevers van bevaarbaar binnenwater
gezonken of aangespoelde zaken;

b.
door een schip aan een luchtvaartuig.

Artikel 8:556

1.
Een overeenkomst omtrent hulpverlening kan op verlangen
van een der partijen door de rechter geheel of gedeeltelijk worden
vernietigd of gewijzigd wanneer zij is tot stand gekomen door
misbruik van omstandigheden of onder invloed van gevaar en de
overeengekomen voorwaarden onbillijk zijn, of de overeengekomen
betaling buitensporig hoog of laag is in verhouding tot de
daadwerkelijk verleende diensten.

2.
Nietig is ieder beding waarbij van het bepaalde in het eerste lid
wordt afgeweken.

Artikel 8:557

1.
Hulp aan in gevaar verkerende schepen, aan zich aan boord daarvan
bevindende zaken of aan van een schip afkomstige driftige,
aangespoelde of gezonken zaken mag niet worden verleend tegen een
uitdrukkelijk en redelijk verbod van de reder of kapitein van het
schip in. Hulp aan andere in gevaar verkerende zaken mag niet worden
verleend tegen een uitdrukkelijk en redelijk verbod in van de
rechthebbende op de zaak.

2.
Een verbod tot hulpverlening kan steeds worden uitgevaardigd.

Artikel 8:558

1.
Het verlenen van hulp aan een schip, aan zich aan boord daarvan
bevindende zaken of aan van een schip afkomstige driftige,
aangespoelde of gezonken zaken staat onder leiding van de kapitein
en, wanneer er geen kapitein is of deze niet optreedt, onder leiding
van de rechthebbende op het schip of de zaak.

2.
Bij stranding of aanspoeling aan of op het vaste zeestrand berust de
leiding, wanneer kapitein noch rechthebbende optreedt, bij de
strandvonder.

3.
Indien het noodzakelijk is onverwijld maatregelen te treffen, geldt
het in dit artikel bepaalde niet, totdat de kapitein, de
rechthebbende of de strandvonder de leiding op zich heeft genomen.

Artikel 8:559

1.
Wanneer een schip door de bemanning is verlaten en door hulpverleners
of de strandvonder is overgenomen, staat het de kapitein steeds vrij
naar zijn schip terug te keren en het gezag daarover te hernemen, in
welk geval de hulpverleners of de strandvonder terstond het gezag aan
de kapitein moeten overdragen.

2.
Indien de kapitein of de rechthebbende bij de hulpverlening of ter
plaatse, waar de geredde zaken worden aangebracht, tegenwoordig is en
dit de hulpverlener of de strandvonder bekend is, moeten de
hulpverleners of de strandvonder, onverminderd artikel 571, die zaken
terstond te zijner beschikking stellen.

3. In
de gevallen, waarin de geredde zaken niet op grond van het vorige lid
terstond ter beschikking van de kapitein of van de rechthebbende
moeten worden gesteld, moeten zij, voor zover zij tijdens de
hulpverlening zich aan of op de buitengronden of het vaste zeestrand
bevinden, terstond ter beschikking worden gesteld van de
strandvonder.

Artikel 8:560

1. De
hulpverlener is jegens de reder van het schip of de rechthebbende op
andere in gevaar verkerende zaken verplicht:

a. de
hulpverlening met de nodige zorg uit te voeren;

b.
bij de nakoming van de in onderdeel a bedoelde verplichting de nodige
zorg te betrachten om milieuschade te voorkomen of te beperken;

c. in
alle gevallen, waarin de omstandigheden dit redelijkerwijze vereisen,
de bijstand in te roepen van andere hulpverleners; en

d. de
tussenkomst van andere hulpverleners te aanvaarden, wanneer hierom
redelijkerwijze wordt verzocht door de reder of de kapitein van het
schip of de rechthebbende op andere in gevaar verkerende zaken, met
dien verstande dat het bedrag van zijn beloning niet wordt
verminderd, indien mocht blijken dat het verzoek onredelijk was.

2. De
reder en de kapitein van het schip of de rechthebbende op andere in
gevaar verkerende zaken zijn jegens de hulpverlener verplicht:

a.
gedurende de hulpverlening volledig met hem samen te werken;

b.
daarbij de nodige zorg te betrachten om milieuschade te voorkomen of
te beperken; en

c.
wanneer het schip of de andere zaken in veiligheid zijn gebracht,
teruggave daarvan te aanvaarden wanneer zulks redelijkerwijze door de
hulpverlener wordt verzocht.

3.
Nietig is ieder beding, waarbij van onderdeel b van het eerste of
tweede lid wordt afgeweken.

Artikel 8:561

1.
Hulp die met gunstig gevolg is verleend geeft recht op hulploon.

2.
Behoudens artikel 564, is geen betaling krachtens deze afdeling
verschuldigd, wanneer de hulp geen gunstig gevolg heeft gehad.

3.
Hulp als omschreven in het eerste lid geeft recht op hulploon, ook al
is de tot hulploon gerechtigde of hij, die gerechtigd is de
vaststelling van het hulploon te vorderen, dezelfde persoon als hij
die hulploon verschuldigd is.

Artikel 8:562

Indien
een partij bij een overeenkomst omtrent hulpverlening door haar
wederpartij daarbij terzake van een bij de hulpverlening veroorzaakte
schade buiten overeenkomst wordt aangesproken, is zij jegens die
wederpartij niet verder aansprakelijk dan zij dit zou zijn op grond
van de door hen gesloten overeenkomst. De artikelen 365 en 366 zijn
van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8:563

1.
Het bedrag van het hulploon wordt vastgesteld bij overeenkomst tussen
partijen en bij gebreke daarvan door de rechter.

2.
Het hulploon wordt vastgesteld met het oog op het aanmoedigen van
hulpverlening, rekening houdend met de volgende criteria ongeacht de
volgorde waarin zij hieronder zijn opgesomd:

a. de
geredde waarde van het schip en de andere goederen;

b. de
vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het
voorkomen of beperken van schade aan het milieu;

c. de
mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag;

d. de
aard en ernst van het gevaar;

e. de
vakkundigheid en inspanningen betoond door de hulpverleners bij de
redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens;

f. de
door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden
verliezen;

g.
het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of
hun uitrusting gelopen risico’s;

h. de
snelheid van de verleende diensten;

i. de
beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere voor
hulpverlening bestemde uitrusting;

j. de
staat van gereedheid alsmede de doelmatigheid en de waarde van de
uitrusting van de hulpverleners;

3.
Voor hulp verleend aan een schip en de zaken aan boord daarvan is het
hulploon uitsluitend verschuldigd door de reder van het schip, met
dien verstande dat de reder een recht van verhaal heeft jegens de
andere belanghebbenden voor hun onderscheiden aandeel. Voor hulp
verleend aan andere zaken is het hulploon verschuldigd door de
rechthebbende op die zaken.

4.
Het hulploon, met uitzondering van rente en verhaalbare gerechtelijke
kosten, mag de geredde waarden van het schip en de andere goederen
niet overtreffen.

5.
Wanneer het hulploon mede strekt tot vergoeding van gemaakte kosten
en geleden schade geeft de rechter aan welke gemaakte kosten en
geleden schade dit betreft.

Artikel 8:564

1.
Indien een hulpverlener hulp heeft verleend aan een schip dat zelf of
wegens zijn lading schade dreigde toe te brengen aan het milieu en
hij geen hulploon heeft verkregen krachtens artikel 563 dat ten
minste gelijk is aan de volgens dit artikel vast te stellen
bijzondere vergoeding, heeft hij recht op een bijzondere vergoeding
van de zijde van de reder, gelijk aan de door hem gemaakte kosten
zoals in dit artikel omschreven.

2.
Indien de hulpverlener in de in het eerste lid bedoelde
omstandigheden door zijn hulpverleningswerkzaamheden schade aan het
milieu heeft voorkomen of heeft beperkt, kan de door de reder volgens
het eerste lid aan de hulpverlener te betalen bijzondere vergoeding
worden verhoogd met maximaal 30% van de door de hulpverlener gemaakte
kosten. Indien echter de rechter, rekening houdend met de in het
tweede lid van artikel 563 genoemde criteria, zulks billijk en
rechtvaardig acht, kan hij die bijzondere vergoeding verder verhogen,
maar de totale verhoging mag in geen geval meer bedragen dan 100% van
de door de hulpverlener gemaakte kosten.

3.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden onder kosten
van de hulpverlener verstaan de voorschotten die door de hulpverlener
redelijkerwijze zijn gedaan bij de hulpverlening en een billijk
tarief voor uitrusting en personeel die daadwerkelijk en
redelijkerwijze zijn ingezet tijdens de hulpverlening, in aanmerking
nemend de criteria genoemd in artikel 563, tweede lid, onderdelen h,
i en j.

4. De
totale bijzondere vergoeding krachtens dit artikel wordt slechts
betaald indien en voor zover deze vergoeding hoger is dan het
hulploon dat de hulpverlener krachtens artikel 563 kan ontvangen.

5.
Indien de hulpverlener nalatig is geweest en daardoor in gebreke is
gebleven schade aan het milieu te voorkomen of te beperken, kan de
rechter de krachtens dit artikel verschuldigde bijzondere vergoeding
geheel of gedeeltelijk ontzeggen.

6. De
rechter die een hulploon vaststelt als bedoeld in artikel 563 en een
bijzondere vergoeding bepaalt als bedoeld in het eerste lid, is niet
verplicht om het bedrag van het hulploon vast te stellen tot het
beloop van de maximale waarde van het schip en de andere geredde
goederen alvorens het bedrag van de bijzondere vergoeding te bepalen.

7.
Geen bepaling van dit artikel doet afbreuk aan enig recht van verhaal
van de reder van het schip.

Artikel 8:565

1.
Geen hulploon is verschuldigd door personen wier leven is gered.

2.
Niettegenstaande het in lid 1 bepaalde is voor de afzonderlijke
redding van opvarenden van een schip hulploon verschuldigd door de
reder.

3.
Degene die mensenlevens heeft gered en heeft deelgenomen aan de
werkzaamheden die zijn verricht ter gelegenheid van het ongeval dat
aanleiding heeft gegeven tot de hulpverlening, is gerechtigd tot een
billijk aandeel in de betaling die aan de hulpverlener is toegekend
voor de redding van het schip of andere zaken of voor het voorkomen
of beperken van schade aan het milieu.

Artikel 8:566

1.
Gerechtigd tot hulploon zijn die personen of groepen van personen,
die hulp hebben verleend.

2.
Indien de hulp is verleend door personen of groepen, die afhankelijk
van elkaar handelden, is aan deze groepen of personen gezamenlijk
slechts één bedrag als hulploon verschuldigd.

3.
Indien de hulp door een schip is verleend kunnen ook de leden der
bemanning, die geen hulp verleenden, tot hulploon gerechtigd zijn.

Artikel 8:567

Afstand,
jegens wie dan ook, door een lid der bemanning van zijn recht op een
aandeel in het door een schip te verdienen of verdiende hulploon is
nietig, tenzij het schip blijkens zijn constructie uitsluitend of in
hoofdzaak voor hulpverlening of sleepdienst is bestemd of de afstand
één bepaalde hulpverlening betreft.

Artikel 8:568

1.
Geen recht op betaling krachtens deze afdeling hebben zij, die hulp
verleenden niettegenstaande een uitdrukkelijk en redelijk verbod als
bedoeld in artikel 557, eerste lid.

2.
Opvarenden kunnen wegens hulp door hen verleend aan het schip, zich
aan boord daarvan bevindende zaken of daarvan afkomstige driftige,
aangespoelde of gezonken zaken, slechts recht op betaling hebben,
wanneer door hen diensten zijn bewezen, waartoe zij redelijkerwijs
niet zijn gehouden.

3.
Geen betaling is verschuldigd krachtens deze afdeling tenzij de
verleende diensten verder gaan dan wat redelijkerwijs kan worden
aangemerkt als een gebruikelijke uitvoering van een overeenkomst die
was gesloten voordat het gevaar ontstond.

4.
Indien de hulpverleners door hun schuld de hulpverlening hebben nodig
gemaakt of bemoeilijkt of zich hebben schuldig gemaakt aan diefstal,
verberging of andere bedriegelijke handelingen, kan de rechter de
krachtens deze afdeling verschuldigde betaling geheel of gedeeltelijk
ontzeggen.

Artikel 8:569

1.
Indien de hulp is verleend door onafhankelijk van elkaar handelende
personen of groepen van personen is ieder dezer personen bevoegd
vaststelling te vorderen van het hulploon of de bijzondere vergoeding
die hem of de groep, waarvan hij deel uitmaakte, toekomt.

2.
Indien de hulp is verleend door afhankelijk van elkaar handelende
personen of groepen van personen is ieder dezer personen bevoegd
vaststelling te vorderen van het hulploon of de bijzondere vergoeding
die aan deze personen of groepen gezamenlijk toekomt.

3.
Indien door een schip hulp is verleend, is uitsluitend de reder of de
kapitein bevoegd omtrent het hulploon of de bijzondere vergoeding
overeen te komen. De door hem gesloten overeenkomst bindt alle tot
het hulploon of de bijzondere vergoeding gerechtigden. Hij is
verplicht ieder van hen vóór de uitbetaling desverlangd
het bedrag van het hulploon of de bijzondere vergoeding schriftelijk
mede te delen. Bij gebreke van een overeenkomst is uitsluitend hij,
niet alleen gerechtigd, doch ook verplicht gerechtelijke vaststelling
van het hulploon of de bijzondere vergoeding te vorderen en dit te
innen.

4. In
het in artikel 561, derde lid, bedoelde geval is iedere tot hulploon
of bijzondere vergoeding gerechtigde bevoegd de vaststelling daarvan
door de rechter te vorderen, ook al mocht over het hulploon of de
bijzondere vergoeding een overeenkomst zijn gesloten.

Artikel 8:570

1. De
verdeling van een hulploon als bedoeld in artikel 563 tussen
hulpverleners geschiedt volgens de in dat artikel genoemde criteria.

2. De
verdeling van een bijzondere vergoeding als bedoeld in artikel 564
tussen hulpverleners geschiedt met in aanmerkingneming van de
criteria genoemd in artikel 563, tweede lid, onderdelen h, i en j.

3.
Bij geschillen omtrent de verdeling van het hulploon en de bijzondere
vergoeding tussen de daartoe gerechtigden wordt deze op vordering van
de meest gerede partij door de rechter vastgesteld.

Artikel 8:571

1.
Hij, die gerechtigd is vaststelling van het hulploon te vorderen,
heeft – behoudens artikel 559, eerste en derde lid –
jegens ieder, die daarvan afgifte verlangt, een retentierecht op de
schepen of zaken, waaraan hulp is verleend, alsmede op de schepen aan
welker zich aan boord bevindende zaken hulp is verleend, voor hetgeen
ter zake van hulploon is verschuldigd.

2.
Ter zake van de in artikel 564 bedoelde bijzondere vergoeding kan dit
retentierecht worden uitgeoefend op de schepen, waaraan hulp is
verleend.

3.
Dit retentierecht vervalt zodra is betaald het bedrag, waarover geen
geschil tussen partijen bestaat, en voldoende zekerheid is gesteld
voor de betaling van die bedragen, waaromtrent wel geschil bestaat of
welker hoogte nog niet kan worden vastgesteld.

Artikel 8:572

1.
Degene die krachtens deze afdeling een betaling verschuldigd is, moet
op verlangen van de hulpverlener voldoende zekerheid stellen voor
hetgeen hij terzake van die betaling verschuldigd is, met inbegrip
van rente en kosten.

2.
Het schip en de andere zaken waaraan de hulp is verleend mogen niet
zonder toestemming van de hulpverlener worden verwijderd van de
eerste haven of plaats waar zij na beëindiging van de
hulpverlening zijn aangekomen, totdat voldoende zekerheid is gesteld
voor de in het eerste lid bedoelde betaling.

Artikel 8:573

1. De
rechter kan, voordat hij het hulploon of de bijzondere vergoeding
vaststelt, bevelen dat aan degene die gerechtigd is de vaststelling
daarvan te vorderen, een naar billijkheid te bepalen bedrag bij wijze
van voorschot wordt betaald. De rechter kan aan dit bevel voorwaarden
verbinden die gezien de omstandigheden billijk zijn, daaronder
begrepen de voorwaarde dat voor de gehele of gedeeltelijke
terugbetaling van het voorschot zekerheid zal worden gesteld.

2. Is
krachtens artikel 572 zekerheid gesteld, dan wordt het bedrag van de
gestelde zekerheid verminderd met het bedrag van het betaalde
voorschot.

Artikel 8:574

1.
Indien de rechthebbende op de schepen of andere zaken waaraan hulp is
verleend, niet opkomt, is hij, die vaststelling van het hulploon of
de bijzondere vergoeding kan vorderen, gerechtigd deze voor rekening
en gevaar van de rechthebbende onder zich te houden dan wel bij een
derde op te slaan in een daarvoor geschikte bewaarplaats.

2. De
derde-bewaarnemer en de rechthebbende zijn jegens elkaar verbonden,
als ware de omtrent de bewaring gesloten overeenkomst mede tussen hen
aangegaan. De bewaarnemer is echter niet gerechtigd tot afgifte dan
na schriftelijke toestemming daartoe van hem, die de zaken in
bewaring gaf.

Artikel 8:575

1. In
geval van toepassing van artikel 574 kan hij, die gerechtigd is
vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding te
vorderen, de bewaarnemer dan wel de rechthebbende op de schepen of
zaken, op zijn verzoek door de rechter worden gemachtigd hen geheel
of gedeeltelijk op de door deze te bepalen wijze te verkopen.

2. De
bewaarnemer is verplicht degeen, die de zaken in bewaring gaf, zo
spoedig mogelijk van de voorgenomen verkoop op de hoogte te stellen;
degeen die de zaken in bewaring gaf of onder zich hield, heeft deze
verplichting jegens de hem bekende rechthebbenden op de zaken.

3.
De opbrengst van het verkochte wordt in de consignatiekas gestort,
voor zover zij niet strekt tot voldoening van de kosten van opslag en
verkoop alsmede, binnen de grenzen der redelijkheid, van de gemaakte
kosten. Tenzij op de zaken beslag is gelegd voor een geldvordering,
moet aan degeen, die de zaken in bewaring gaf, uit het in bewaring te
stellen bedrag worden voldaan hetgeen hem terzake van hulploon of
bijzondere vergoeding is verschuldigd; voor zover het hulploon of de
bijzondere vergoeding nog niet vaststaat, zal de opbrengst of een
gedeelte daarvan op door de rechter te bepalen wijze tot zekerheid
voor deze vordering strekken.

4. De
in de consignatiekas gestorte opbrengst treedt in de plaats van de
zaken.

Artikel 8:576

1.
Hij, die gerechtigd is tot hulploon of bijzondere vergoeding,
verkrijgt de eigendom van de zaak, waaraan hulp is verleend en
waarvoor geen rechthebbende is opgekomen, twee jaren na de
beëindiging van de hulpverlening, mits de zaak zich op dat
tijdstip nog in zijn macht bevindt en hij datgene heeft gedaan wat
redelijkerwijs van hem kan worden gevergd om de rechthebbende te
ontdekken en van het gevolg van de hulpverlening op de hoogte te
stellen.

2.
Het eerste lid vindt geen toepassing, wanneer de rechthebbende zich
binnen de in dat lid genoemde termijn bij hem, die vaststelling van
het hulploon of de bijzondere vergoeding kan vorderen, heeft
aangemeld en aan deze de kosten van bewaring en onderhoud en tot
opsporing van de rechthebbende heeft vergoed. Degeen
die vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding kan
vorderen is bevoegd de afgifte op te schorten totdat deze
verplichting is nagekomen. Indien de rechthebbende die de zaak
opeist, de verschuldigde kosten niet binnen een maand nadat ze hem
zijn opgegeven, heeft voldaan, wordt hij aangemerkt zijn recht op de
zaak te hebben prijsgegeven.

Artikel 8:577

De
wetsbepalingen omtrent zaakwaarneming vinden op hulpverlening geen
toepassing.

Afdeling
3. Avarij-grosse

Artikel 8:610

Er is
een avarij-grosse handeling, wanneer – en alleen wanneer – enige
buitengewone opoffering of uitgave opzettelijk en redelijkerwijs
wordt verricht of gedaan voor de gemeenschappelijke veiligheid met
het doel de goederen, betrokken bij een gemeenschappelijke met een
zeeschip uitgevoerde onderneming, voor gevaar – hoe of door wiens
toedoen dit ook zij ontstaan – te behoeden.

Artikel 8:611

Alleen
zodanige verliezen, schaden of onkosten, die het onmiddellijke gevolg
zijn van een avarij-grosse handeling, worden als avarij-grosse
toegelaten.

Artikel 8:612

1.
Avarij-grosse wordt aan hem, die haar leed, vergoed door de reder, de
belanghebbende bij verschuldigde vracht of passagegeld, de ontvanger
van de lading en de eigenaren van de overige zich aan boord
bevindende zaken, met uitzondering van brieven, andere poststukken of
postpakketten, van bagage en van persoonlijke zaken van opvarenden
die geen bagage zijn.

2. In
afwijking van het eerste lid draagt een motorrijtuig of schip, dat
door een vervoerder in verband met een overeenkomst van
personenvervoer aan boord van het schip wordt vervoerd, bij in de
avarij-grosse.

Artikel 8:613

De
vergoedingen in avarij-grosse en de dragende waarden der in de
avarij-grosse bijdragende belangen worden bovendien bepaald met
inachtneming van de York-Antwerp Rules, nader omschreven bij algemene
maatregel van bestuur.

Afdeling
4. Gevaarlijke stoffen aan boord van een zeeschip

Artikel 8:620

In
deze afdeling wordt verstaan onder:

a.
"gevaarlijke stof": een stof die als zodanig bij algemene
maatregel van bestuur is aangewezen; de aanwijzing kan worden beperkt
tot bepaalde concentraties van de stof, tot bepaalde in de algemene
maatregel van bestuur te omschrijven gevaren die aan de stof
verbonden zijn, en tot bepaalde daarin te omschrijven situaties
waarin de stof zich bevindt;

b.
"schip": zeeschip, niet zijnde een luchtkussenvoertuig;

c.
"schade":

1°.
schade veroorzaakt door dood of letsel van enige persoon veroorzaakt
door een gevaarlijke stof;

2°.
andere schade buiten het schip aan boord waarvan de gevaarlijke stof
zich bevindt, veroorzaakt door die gevaarlijke stof, met uitzondering
van verlies van of schade met betrekking tot andere schepen of
binnenschepen en zaken aan boord daarvan, indien die schepen of
binnenschepen deel uitmaken van een sleep, waarvan ook dit schip deel
uitmaakt, of hecht met dit schip in een eenheid zijn gekoppeld;

3°.
de kosten van preventieve maatregelen en verlies of schade
veroorzaakt door zulke maatregelen;

d.
"preventieve maatregel": iedere redelijke maatregel ter
voorkoming of beperking van schade door wie dan ook genomen met
uitzondering van de overeenkomstig deze afdeling aansprakelijke
persoon nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden;

e.
"gebeurtenis": elk feit of elke opeenvolging van feiten met
dezelfde oorzaak, waardoor schade ontstaat of waardoor een ernstige
en onmiddellijke dreiging van schade ontstaat;

f.
"reder": de persoon die in een register waarin het schip te
boek staat, als eigenaar van het schip is ingeschreven, of, bij
gebreke van enige teboekstelling, de persoon die het schip in
eigendom heeft.

Artikel 8:621

1.
Deze afdeling is niet van toepassing, indien de reder jegens degene
die de vordering instelt, aansprakelijk is uit hoofde van een
exploitatie-overeenkomst of jegens deze persoon een beroep op een
exploitatie-overeenkomst heeft.

2.
Deze afdeling is van toepassing op de periode waarin een gevaarlijke
stof zich aan boord van een schip bevindt, daaronder begrepen de
periode vanaf het begin van de inlading van de gevaarlijke stof in
het schip tot het einde van de lossing van die stof uit het schip.

3.
Deze afdeling is niet van toepassing op schade veroorzaakt wanneer
het schip uitsluitend wordt gebruikt in een niet voor publiek
toegankelijk gebied en zulk gebruik een onderdeel vormt van een in
dat gebied plaatsvindende bedrijfsuitoefening.

4. Op
zich overeenkomstig het tweede lid aan boord bevindende stoffen als
bedoeld in artikel 175 van Boek 6 is dat artikel niet van toepassing,
tenzij zich het geval van het derde lid voordoet.

Artikel 8:622

1.
Indien een gevaarlijke stof zich bevindt in een vervoermiddel dat
zich aan boord van een schip bevindt zonder dat de gevaarlijke stof
uit dit gestapelde vervoermiddel wordt gelost, zal de gevaarlijke
stof voor die periode geacht worden zich alleen aan boord van dat
schip te bevinden. In afwijking van het in de vorige zin bepaalde
zal, gedurende de handelingen bedoeld in artikel 623, vijfde lid,
onderdelen c, d en e, de gevaarlijke stof geacht worden zich alleen
aan boord van het gestapelde vervoermiddel te bevinden.

2.
Indien een gevaarlijke stof zich bevindt in een schip dat wordt
gesleept door een ander schip of door een binnenschip of wordt
voortbewogen door een ander schip of door een binnenschip, dat hecht
met dit schip in een eenheid gekoppeld is, zal de gevaarlijke stof
geacht worden zich alleen aan boord van eerstgenoemd schip te
bevinden.

Artikel 8:623

1.
Hij die ten tijde van een gebeurtenis reder is van een schip aan
boord waarvan zich een gevaarlijke stof bevindt, is aansprakelijk
voor de schade door die stof veroorzaakt ten gevolge van die
gebeurtenis. Bestaat de gebeurtenis uit een opeenvolging van feiten
met dezelfde oorzaak, dan rust de aansprakelijkheid op degene die ten
tijde van het eerste feit reder was.

2. De
reder is niet aansprakelijk indien:

a. de
schade is veroorzaakt door een oorlogshandeling, vijandelijkheden,
burgeroorlog, opstand of natuurgebeuren van uitzonderlijke,
onvermijdelijke en onweerstaanbare aard;

b. de
schade uitsluitend is veroorzaakt door een handelen of nalaten van
een derde, niet zijnde een persoon genoemd in het vijfde lid,
onderdeel a, geschied met het opzet de schade te veroorzaken;

c. de
afzender of enige andere persoon niet heeft voldaan aan zijn
verplichting hem in te lichten over de gevaarlijke aard van de stof,
en noch de reder noch de in het vijfde lid, onderdeel a, genoemde
personen wisten of hadden behoren te weten dat deze gevaarlijk was.

3.
Indien de reder bewijst dat de schade geheel of gedeeltelijk het
gevolg is van een handelen of nalaten van de persoon die de schade
heeft geleden, met het opzet de schade te veroorzaken, of van de
schuld van die persoon, kan hij geheel of gedeeltelijk worden
ontheven van zijn aansprakelijkheid tegenover die persoon.

4. De
reder kan voor schade slechts uit anderen hoofde dan deze afdeling
worden aangesproken in het geval van het tweede lid, onderdeel c,
alsmede in het geval dat hij uit hoofde van arbeidsovereenkomst kan
worden aangesproken.

5.
Behoudens de artikelen 624 en 625 zijn voor schade niet
aansprakelijk:

a. de
ondergeschikten, vertegenwoordigers of lasthebbers van de reder of de
leden van de bemanning,

b. de
loods en ieder ander die, zonder bemanningslid te zijn, ten behoeve
van het schip werkzaamheden verricht,

c.
zij die anders dan tegen een uitdrukkelijk en redelijk verbod vanwege
het schip in hulp verlenen aan het schip, de zich aan boord daarvan
bevindende zaken of de opvarenden,

d.
zij die op aanwijzing van een bevoegde overheidsinstantie hulp
verlenen aan het schip, de zich aan boord daarvan bevindende zaken of
de opvarenden,

e.
zij die preventieve maatregelen nemen met uitzondering van de reder,

f. de
ondergeschikten, vertegenwoordigers of lasthebbers van de in dit lid,
onderdelen b, c, d en e, van aansprakelijkheid vrijgestelde personen,
tenzij de schade is ontstaan uit hun eigen handelen of nalaten,
geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij
roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit
zou voortvloeien.

6. De
reder heeft, voor zover niet anders is overeengekomen, verhaal op de
in het vijfde lid bedoelde personen, doch uitsluitend indien dezen
ingevolge het slot van dit lid voor de schade kunnen worden
aangesproken.

Artikel 8:624

1.
Indien de reder bewijst dat de gevaarlijke stof tijdens de periode
bedoeld in artikel 621, tweede lid, is geladen of gelost onder de
uitsluitende verantwoordelijkheid van een door hem bij name genoemde
ander dan de reder of zijn ondergeschikte, vertegenwoordiger of
lasthebber, zoals de afzender of ontvanger, is de reder niet
aansprakelijk voor de schade als gevolg van een gebeurtenis tijdens
het laden of lossen van de gevaarlijke stof en is die ander voor deze
schade aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling.

2.
Indien echter de gevaarlijke stof tijdens de periode bedoeld in
artikel 621, tweede lid, is geladen of gelost onder de gezamenlijke
verantwoordelijkheid van de reder en een door de reder bij name
genoemde ander, zijn de reder en die ander hoofdelijk aansprakelijk
overeenkomstig deze afdeling voor de schade als gevolg van een
gebeurtenis tijdens het laden of lossen van de gevaarlijke stof.

3.
Indien is geladen of gelost door een persoon in opdracht of ten
behoeve van de vervoerder of een ander, zoals de afzender of de
ontvanger, is niet deze persoon, maar de vervoerder of die ander
aansprakelijk.

4.
Indien een ander dan de reder op grond van het eerste of het tweede
lid aansprakelijk is, kan die ander geen beroep doen op artikel 623,
vierde lid en vijfde lid, onderdeel b.

5.
Indien een ander dan de reder op grond van het eerste of het tweede
lid aansprakelijk is, zijn ten aanzien van die ander titel 7 alsmede
de artikelen 642a tot en met 642z van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat in geval van hoofdelijke aansprakelijkheid:

a. de
beperking van aansprakelijkheid krachtens titel 7 van het Wetboek van
Koophandel geldt voor het geheel der naar aanleiding van eenzelfde
gebeurtenis ontstane vorderingen gericht tegen beiden;

b.
een fonds gevormd door één van hen overeenkomstig
artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt
aangemerkt als door beiden te zijn gevormd en zulks ten aanzien van
de vorderingen waarvoor het fonds werd gesteld.

6. In
de onderlinge verhouding tussen de reder en de in het tweede lid van
dit artikel genoemde ander is de reder niet tot vergoeding verplicht
dan in geval van schuld van hemzelf of van zijn ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers.

7.
Dit artikel is niet van toepassing als tijdens de periode, bedoeld in
artikel 621, tweede lid, is geladen of gelost onder de uitsluitende
of gezamenlijke verantwoordelijkheid van een persoon, genoemd in
artikel 623, vijfde lid, onderdeel c, d of e.

Artikel 8:625

Indien
ingevolge artikel 623, tweede lid, onderdeel c, de reder niet
aansprakelijk is, is de afzender of andere persoon aansprakelijk
overeenkomstig deze afdeling en zijn te diens aanzien titel 7 alsmede
de artikelen 642a tot en met 642z van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De afzender of andere
persoon kan geen beroep doen op artikel 623, vierde lid.

Artikel 8:626

Indien
schade veroorzaakt door de gevaarlijke stof redelijkerwijs niet kan
worden gescheiden van schade anderszins veroorzaakt, zal de gehele
schade worden aangemerkt als schade in de zin van deze afdeling.

Artikel 8:627

1.
Wanneer door een gebeurtenis schade is veroorzaakt door gevaarlijke
stoffen aan boord van meer dan één schip, dan wel aan
boord van een schip en een binnenschip of een luchtkussenvoertuig,
zijn de reders en de eigenaar of exploitant van de daarbij betrokken
schepen, het binnenschip of het luchtkussenvoertuig, onverminderd het
in artikel 623, tweede en derde lid, en artikel 624, afdeling 4 van
titel 11 en afdeling 1 van titel 14 bepaalde, hoofdelijk
aansprakelijk voor alle schade waarvan redelijkerwijs niet kan worden
aangenomen dat zij veroorzaakt is door gevaarlijke stoffen aan boord
van één of meer bepaalde schepen, binnenschip of
luchtkussenvoertuig.

2.
Het bepaalde in het eerste lid laat onverlet het beroep op beperking
van aansprakelijkheid van de reder, eigenaar of exploitant krachtens
titel 7 of titel 12, dan wel de artikelen 1218 tot en met 1220, ieder
tot het voor hem geldende bedrag.

Titel
7. Beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen

Artikel 8:750

1. De
reder van een schip en de hulpverlener kunnen door het stellen van
één of meer fondsen als bedoeld in artikel 642c van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hun aansprakelijkheid
beperken voor de in artikel 752 genoemde vorderingen.

2.
Onder reder worden in deze titel mede verstaan de bevrachter, de
huurder of andere gebruiker van een schip met inbegrip van degene in
wiens handen de exploitatie van een schip is gelegd.

3.
Onder hulpverlener wordt in deze titel een ieder verstaan die
werkzaamheden verricht in onmiddellijk verband met hulpverlening,
waaronder in deze titel mede worden verstaan de in artikel 752,
eerste lid, onder d, e en f, genoemde werkzaamheden of maatregelen.

4.
Onder schip wordt in deze titel zeeschip verstaan. Een schip in
aanbouw wordt voor de toepassing van deze titel mede als schip
aangemerkt van het ogenblik af, dat de stapelloop aanvangt. Een
luchtkussenvoertuig wordt voor de toepassing van deze titel niet als
schip aangemerkt. Een platform dat is gebouwd ter exploratie of
exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de zeebodem of van de
ondergrond daarvan en dat kan drijven, wordt voor de toepassing van
deze titel niet als schip aangemerkt gedurende de tijd dat het op de
zeebodem rust.

Artikel 8:751

1.
Indien een vordering als genoemd in artikel 752 wordt gericht tegen
enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid de
reder of de hulpverlener in beginsel aansprakelijk is, heeft deze
persoon de in deze titel verleende bevoegdheid tot beperking van zijn
aansprakelijkheid.

2. De
verzekeraar van de aansprakelijkheid voor vorderingen, waarvoor op
grond van deze titel beperking van aansprakelijkheid mogelijk is, kan
zich in dezelfde mate als zijn verzekerde op die beperking beroepen.

Artikel 8:752

1.
Onder voorbehoud van de artikelen 753 en 754 bestaat de bevoegdheid
tot beperking van aansprakelijkheid voor de hierna genoemde
vorderingen ingesteld hetzij op grond van overeenkomst, hetzij buiten
overeenkomst en zelfs wanneer de aansprakelijkheid uitsluitend
voortvloeit uit eigendom of bezit van of een voorrecht op het schip
of uit het feit, dat dit onder hoede of toezicht is van hem die zich
op de beperking van aansprakelijkheid beroept:

a.
vorderingen terzake van dood of letsel, dan wel terzake van verlies
van of schade aan zaken (met inbegrip van schade aan kunstwerken van
havens, aan dokken, waterwegen of hulpmiddelen voor de scheepvaart),
opgekomen aan boord van het schip of in rechtstreeks verband met de
exploitatie van het schip of met werkzaamheden ter hulpverlening,
alsmede voor vorderingen terzake van schade tengevolge van een of
ander;

b.
vorderingen terzake van schade ontstaan door vertraging bij het
vervoer over zee van lading, reizigers of hun bagage;

c.
vorderingen terzake van andere schade ontstaan door inbreuk op enig
niet op overeenkomst gegrond vermogensrecht en opgekomen in
rechtstreeks verband met de exploitatie van het schip of met
werkzaamheden ter hulpverlening;

d.
vorderingen terzake van het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of
onschadelijk maken van een zee- of binnenschip dat is gezonken,
schipbreuk heeft geleden, gestrand of verlaten is, met inbegrip van
alles wat aan boord van zulk een schip is of is geweest;

e.
vorderingen terzake van het verwijderen, vernietigen of onschadelijk
maken van de lading van het schip;

f.
vorderingen van een persoon terzake van maatregelen genomen om schade
te voorkomen of te verminderen voor welke schade de daarvoor
aansprakelijke persoon zijn aansprakelijkheid op grond van deze titel
zou kunnen beperken, alsmede voor vorderingen terzake van verdere
schade door zulke maatregelen geleden, één en ander
echter met uitzondering van dusdanige vorderingen van deze
aansprakelijke persoon zelf.

2.
Aansprakelijkheid voor de in het eerste lid genoemde vorderingen kan
worden beperkt, ook indien deze, al dan niet op grond van een
overeenkomst, zijn ingesteld bij wijze van verhaal of vrijwaring. De
aansprakelijkheid voor de vorderingen in het eerste lid genoemd onder
d, e of f, kan echter niet worden beperkt voor zover deze vorderingen
betrekking hebben op een vergoeding verschuldigd op grond van een
overeenkomst met de aansprakelijke persoon.

Artikel 8:753

1.
Deze titel is niet van toepassing op:

a.
vorderingen uit hoofde van hulpverlening of bijdrage in avarijgrosse;

b.
vorderingen voor schade door verontreiniging door olie, zoals deze
zijn bedoeld in het op 29 november 1969 tot stand gekomen
Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor
schade door verontreiniging door olie of in enige kracht van wet
hebbende wijziging van dat Verdrag of Protocol daarbij;

c.
vorderingen onderworpen aan enig internationaal verdrag of enige wet,
die de beperking van aansprakelijkheid voor kernschade regelt of
verbiedt;

d.
vorderingen tegen de exploitant van een nucleair schip terzake van
kernschade;

e.
vorderingen uit hoofde van arbeidsovereenkomst tegen de reder of de
hulpverlener ingesteld door zijn ondergeschikten of hun
rechtverkrijgenden voor zover deze vorderingen werkzaamheden
betreffen in verband met het schip of de hulpverlening, al naar
gelang de aansprakelijkheid van de reder of de hulpverlener voor deze
vorderingen uit hoofde van de op de arbeidsovereenkomst toepasselijke
wet niet of slechts tot een hoger bedrag dan op grond van deze titel
het geval ware, kan worden beperkt.

2.
Wanneer iemand die op grond van deze titel bevoegd is zijn
aansprakelijkheid te beperken, gerechtigd is tegen een schuldeiser
een vordering geldend te maken, die voortkomt uit hetzelfde voorval,
zullen de respectieve vorderingen met elkaar worden verrekend en
wordt de beperking van aansprakelijkheid slechts toegepast op het
daarna mogelijkerwijs overblijvende saldo.

Artikel 8:754

Niemand
is gerechtigd zijn aansprakelijkheid te beperken, indien bewezen is
dat de schade is ontstaan door zijn eigen handeling of nalaten,
geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken hetzij
roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit
zou voortvloeien.

Artikel 8:755

1.
Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid uit hoofde van deze titel
voor niet in artikel 756 genoemde vorderingen, naar aanleiding van
éénzelfde voorval ontstaan, kan worden beperkt (het
bedrag van het fonds) beloopt:

a.
wanneer het vorderingen betreft ter zake van dood of letsel, die niet
zijn vorderingen als bedoeld in artikel 752, eerste lid, onder d of e
(personenfonds)

1°.
333 000 rekeneenheden voor een schip, waarvan de tonnage niet meer
dan 500 bedraagt;

2°.
voor een schip, waarvan de tonnage groter is dan 500, wordt het onder
1 genoemde bedrag vermeerderd met

– 500
rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met één
van 501 tot en met 3 000;

– 333
rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met één
van 3 001 tot en met 30 000;

– 250
rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met één
van 30 001 tot en met 70 000;

– 167
rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met één
boven de 70 000.

b.
wanneer het enige andere vordering betreft die niet is een vordering
als bedoeld in artikel 752, eerste lid, onder d of e (zakenfonds)

1°.
167 000 rekeneenheden voor een schip, waarvan de tonnage niet meer
dan 500 bedraagt;

2°.
voor een schip, waarvan de tonnage groter is dan 500, wordt het onder
1 genoemde bedrag vermeerderd met

– 167
rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met één
van 501 tot en met 30 000;

– 125
rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met één
van 30 001 tot en met 70 000;

– 83
rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met één
boven de 70 000.

c.
wanneer het vorderingen betreft als bedoeld in artikel 752, eerste
lid, onder d of e (wrakkenfonds)

1°.
262 000 rekeneenheden voor een schip, waarvan de tonnage niet meer
dan 500 bedraagt;

2°.
voor een schip, waarvan de tonnage groter is dan 500, wordt het onder
1 genoemde bedrag vermeerderd met

– 333
rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met één
van 501 tot en met 6 000;

– 125
rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met één
van 6 001 tot en met 70 000;

– 83
rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met één
boven de 70 000.

2.
Voor schepen, die blijkens hun constructie uitsluitend of in
hoofdzaak zijn bestemd tot het vervoer van personen en waarvan de
tonnage niet groter is dan 300, kan bij algemene maatregel van
bestuur het bedrag waartoe uit hoofde van deze titel de
aansprakelijkheid voor de in het eerste lid, aanhef en onder b,
bedoelde vorderingen kan worden beperkt, op een lager aantal
rekeneenheden worden gesteld dan genoemd in het eerste lid, onder b,
onder 1.

3.
Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van een hulpverlener aan een
schip die niet van een zee- of binnenschip uit werkzaamheden verricht
of die werkzaamheden uitsluitend verricht op het schip waaraan of met
betrekking waartoe hij hulp verleent, kan worden beperkt, wordt
berekend naar een tonnage van 1500 ton.

4.
Voor de toepassing van deze titel wordt onder tonnage van het schip
verstaan de bruto-tonnage van het schip berekend overeenkomstig de
voorschriften voor meting vervat in Bijlage I van het op 23 juni 1969
te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de
meting van schepen, 1969.

5. Op
verzoek van de eigenaar kan door de inspecteur-generaal van de
Inspectie Verkeer en Waterstaat een verklaring worden afgegeven
betreffende de bruto-tonnage van een schip, berekend overeenkomstig
de voorschriften voor meting vervat in Bijlage I van het op 23 juni
1969 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende
de meting van schepen, 1969.

6.
Deze verklaring wordt afgegeven tegen betaling van de kosten volgens
een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vast te stellen
tarief.

Artikel 8:756

1.
Wat betreft vorderingen ontstaan naar aanleiding van éénzelfde
voorval terzake van dood of letsel van reizigers van een schip
beloopt het bedrag waartoe de reder daarvan zijn aansprakelijkheid
kan beperken (passagiersfonds), even vele malen 46 666 rekeneenheden
als het schip volgens zijn veiligheidscertificaat gerechtigd is
reizigers te vervoeren, doch niet meer dan 25 000 000 rekeneenheden.

2.
Onder vorderingen terzake van dood of letsel van reizigers worden
voor de toepassing van dit artikel verstaan dergelijke vorderingen
ingediend naar aanleiding van een voorval overkomen aan enige persoon
vervoerd aan boord van het schip

a. op
grond van een overeenkomst tot het vervoer van reizigers;

b.
die met toestemming van de vervoerder een voertuig of levende dieren
vergezelt, die worden vervoerd op grond van een overeenkomst tot
goederenvervoer.

Artikel 8:757

Aan
de bedragen vermeld in de artikelen 755 en 756 wordt toegevoegd de
wettelijke rente berekend van de aanvang van de dag volgende op de
dag van het voorval, dat aanleiding gaf tot de vordering, tot de
aanvang van de dag volgende op de dag waarop hij, die een verzoek tot
beperking van zijn aansprakelijkheid indiende, voldeed aan een hem
krachtens artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering opgelegd bevel.

Artikel 8:758

1. De
beperking van aansprakelijkheid als vastgesteld in artikel 755 geldt
voor het geheel der naar aanleiding van éénzelfde
voorval ontstane vorderingen gericht tegen

a. de
persoon of personen genoemd in het tweede lid van artikel 750 en
enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid
dezen in beginsel aansprakelijk zijn, of

b. de
reder van een schip die van dat schip uit hulp verleent, en de
hulpverlener of hulpverleners die van dat schip uit hun werkzaamheden
verricht of verrichten en enige persoon voor wiens handeling,
onachtzaamheid of nalatigheid deze personen in beginsel aansprakelijk
zijn, of

c. de
hulpverlener of hulpverleners aan een schip die niet van een zee- of
binnenschip uit werkzaamheden verricht of verrichten of die
werkzaamheden verricht of verrichten uitsluitend op het schip waaraan
of met betrekking waartoe hulp wordt verleend, en enige persoon voor
wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid deze personen in
beginsel aansprakelijk zijn.

2. De
beperking van aansprakelijkheid als vastgesteld in artikel 756 geldt
voor het geheel der naar aanleiding van éénzelfde
voorval ontstane vorderingen gericht tegen de persoon of de personen
die in de in artikel 750, tweede lid, genoemde betrekking staan tot
het in artikel 756 bedoelde schip, en enige persoon voor wiens
handeling, onachtzaamheid of nalatigheid dezen in beginsel
aansprakelijk zijn.

Artikel 8:759

De
rekeneenheid, genoemd in de artikelen 755 en 756, is het bijzondere
trekkingsrecht, zoals dat is omschreven door het Internationale
Monetaire Fonds. De bedragen genoemd in de artikelen 755 en 756
worden omgerekend in Nederlands geld naar de koers van de dag waarop
de schuldenaar voldoet aan een ingevolge artikel 642c van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering gegeven bevel tot storting of andere
zekerheidsstelling. De waarde van het Nederlandse geld, uitgedrukt in
bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens de
waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds op de
dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en
transacties.

III.
Binnenvaartrecht

Titel
8. Het binnenschip en de zaken aan boord daarvan

Afdeling
1. Rederij van het binnenschip

Artikel 8:770

1.
Indien een binnenschip blijkens de openbare registers, bedoeld in
afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 aan twee of meer personen
gezamenlijk toebehoort, bestaat tussen hen een rederij. Wanneer de
eigenaren van het schip onder een gemeenschappelijke naam optreden
bestaat slechts een rederij, indien zulks uitdrukkelijk bij akte is
overeengekomen en deze akte in die registers is ingeschreven.

2. De
rederij is geen rechtspersoon.

Artikel 8:771

Afdeling
1 van titel 3 is op de rederij van een binnenschip van
overeenkomstige toepassing.

Afdeling
2. Rechten op binnenschepen

Artikel 8:780

1. In
de afdelingen 2 tot en met 6 van titel 8 worden onder schepen mede
verstaan schepen in aanbouw.

2.
Onder binnenschepen worden in de afdelingen 2 tot en met 6 van titel
8 mede verstaan draagvleugelboten, veerponten, alsmede baggermolens,
drijvende kranen, elevatoren en alle drijvende werktuigen, pontons of
materiaal van soortgelijke aard, die voldoen aan de in de artikelen 1
en 3 ten aanzien van binnenschepen vermelde vereisten.

3.
Indien een schip in aanbouw een schip in de zin van artikel 1 is
geworden, ontstaat daardoor niet een nieuw schip.

Artikel 8:781

In
deze afdeling wordt verstaan onder:

a.
het Verdrag van Genève: de op 25 januari 1965 te Genève
gesloten overeenkomst inzake inschrijving van binnenschepen, met
Protocollen (Trb. 1966, 228);

b.
verdragsstaat: een staat waarvoor het Verdrag van Genève van
kracht is;

c.
verdragsregister: een buiten Nederland in een verdragsstaat gehouden
register, als bedoeld in artikel 2 van het Verdrag van Genève;

d. de
openbare registers: de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van
Titel 1 van Boek 3.

Artikel 8:782

De in
deze afdeling aan de eigenaar opgelegde verplichtingen rusten, indien
het schip toebehoort aan meer personen, aan een vennootschap onder
firma, aan een commanditaire vennootschap of aan een rechtspersoon,
mede op iedere mede-eigenaar, beherende vennoot of bestuurder.

Artikel 8:783
Vervallen

Artikel 8:784

1.
Teboekstelling is slechts mogelijk


van een in aanbouw zijnd binnenschip: indien het in Nederland in
aanbouw is;


van een afgebouwd binnenschip: indien aan ten minste één
der volgende voorwaarden is voldaan:

a.
dat de plaats, van waaruit de exploitatie van het schip gewoonlijk
wordt geleid, in Nederland is gelegen;

b.
dat, wanneer de eigenaar van het schip een natuurlijke persoon is,
deze Nederlander is of zijn woonplaats in Nederland heeft;

c.
dat, wanneer de eigenaar van het schip een rechtspersoon of een
vennootschap is, zijn zetel of de plaats van waaruit hij zijn bedrijf
voornamelijk uitoefent, in Nederland is gelegen,

met
dien verstande, dat in geval van mede-eigendom van het binnenschip de
onder b en c genoemde voorwaarden niet als vervuld worden beschouwd,
wanneer niet het schip tenminste voor de helft in eigendom toebehoort
aan natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen, die aan
deze voorwaarden voldoen.

2.
Teboekstelling is niet mogelijk van een binnenschip dat reeds
teboekstaat in de openbare registers, hetzij als binnenschip hetzij
als zeeschip, of in een verdragsregister.

3. In
afwijking van het tweede lid is teboekstelling van een binnenschip
dat in een verdragsregister teboekstaat mogelijk, wanneer dit schip,
nadat de teboekstelling ervan in dat verdragsregister is doorgehaald,
volgens het eerste lid kan worden teboekgesteld. Deze teboekstelling
heeft evenwel slechts rechtsgevolg, wanneer zij is gevolgd door
aantekening in de openbare registers, dat de teboekstelling in het
verdragsregister is doorgehaald.

4. In
afwijking van het tweede lid is teboekstelling van een binnenschip
dat in een verdragsregister teboekstaat mogelijk, wanneer de
bewaarder van dat register uit hoofde van het tweede lid van artikel
22 van Protocol no. 2 bij het Verdrag van Genève weigert het
eigendomsrecht van de koper na gedwongen verkoop in te schrijven.

5. De
teboekstelling wordt verzocht door de eigenaar van het binnenschip.
Hij moet daarbij ter inschrijving overleggen een door hem
ondertekende verklaring, dat naar zijn beste weten het schip voor
teboekstelling als binnenschip vatbaar is.

6. De
teboekstelling in de openbare registers heeft geen rechtsgevolg,
wanneer aan de vereisten van de voorgaande leden van dit artikel niet
is voldaan.

7.
Bij het verzoek tot teboekstelling wordt woonplaats gekozen in
Nederland. Deze woonplaats wordt in het verzoek tot teboekstelling
vermeld en kan door een andere in Nederland gelegen woonplaats worden
vervangen.

Artikel 8:785

1. De
eigenaar van een binnenschip is verplicht de teboekstelling daarvan
te verzoeken. Aan deze verplichting moet worden voldaan binnen drie
maanden, nadat volgens artikel 784 teboekstelling mogelijk is.

2.
Geen verplichting tot teboekstelling bestaat

a.
ten aanzien van vrachtschepen met minder dan 20 tonnen van 1000
kilogram laadvermogen of andere binnenschepen met minder dan 10
kubieke meters verplaatsing, zijnde de in kubieke meters uitgedrukte
waterverplaatsing tussen het vlak van inzinking van het ledige
binnenschip in zoet water en het vlak van de grootste toegelaten
diepgang;

b.
ten aanzien van afgebouwde binnenschepen, die teboekstaan in het
register van een niet-verdragsstaat en in die staat voldoen aan
tenminste één der in het eerste lid van artikel 3 van
het Verdrag van Genève genoemde voorwaarden;

c.
ten aanzien van binnenschepen, die komen van een niet-verdragsstaat
en op weg zijn naar het land waar zij zullen moeten worden
teboekgesteld.

Artikel 8:786

1. De
teboekstelling wordt slechts doorgehaald

a. op
verzoek van degeen, die in de openbare registers als eigenaar vermeld
staat

1°.
als de teboekstelling niet of niet meer verplicht is;

2°.
als het schip in een verdragsregister teboekstaat onder voorwaarde
van doorhaling van de teboekstelling in de openbare registers;

3°.
als het schip in het register van een niet-verdragsstaat zal worden
te boekgesteld en in die staat zal voldoen aan tenminste één
der in het eerste lid van artikel 3 van het Verdrag van Genève
genoemde voorwaarden. In dit geval heeft de doorhaling slechts
rechtsgevolg, wanneer binnen 30 dagen daarna door de eigenaar wordt
overgelegd een door hem ondertekende verklaring, dat het schip in het
register van de genoemde staat teboekstaat en aldaar voldoet aan
tenminste één der in het eerste lid van artikel 3 van
het Verdrag van Genève genoemde voorwaarden.

b. op
aangifte van de eigenaar of ambtshalve

1°.
als het schip vergaan is, gesloopt is of blijvend ongeschikt voor
drijven is geworden;

2°.
als het schip door rovers of vijanden is genomen;

3°.
als het schip, indien het niet in de openbare registers teboek zou
staan, een zeeschip zou zijn in de zin van artikel 2 of een dergelijk
zeeschip in aanbouw;

4°.
als het schip niet of niet meer voldoet aan tenminste één
der in het eerste lid van artikel 784 voor teboekstelling genoemde
voorwaarden;

5°.
als het schip in een verdragsregister teboekstaat zonder dat daarbij
de voorwaarde van doorhaling van de teboekstelling in de openbare
registers is gesteld.

2. In
de in het eerste lid onder b genoemde gevallen is de eigenaar tot het
doen van aangifte verplicht binnen drie maanden nadat de reden tot
doorhaling zich heeft voorgedaan.

3.
Wanneer ten aanzien van het schip inschrijvingen of voorlopige
aantekeningen ten gunste van derden bestaan, geschiedt doorhaling
slechts, wanneer geen dezer derden zich daartegen verzet.

4.
Doorhaling geschiedt slechts na op verzoek van de meest gerede partij
verleende machtiging van de rechter.

Artikel 8:787

1.
Zolang de teboekstelling in de openbare registers niet is doorgehaald
heeft teboekstelling van een binnenschip in een register van een
niet-verdragsstaat of vestiging in een niet-verdragsstaat van rechten
daarop, voor vestiging waarvan in Nederland inschrijving in de
openbare registers vereist zou zijn geweest geen rechtsgevolg.

2. In
afwijking van het eerste lid wordt een teboekstelling of vestiging
van rechten als daar bedoeld erkend, wanneer deze geschiedde onder
voorwaarde van doorhaling van de teboekstelling in de openbare
registers binnen 30 dagen na de teboekstelling van het schip in het
buitenlandse register.

Artikel 8:788

De
enige zakelijke rechten, waarvan een in het register teboekstaand
binnenschip het voorwerp kan zijn, zijn de eigendom, de hypotheek,
het vruchtgebruik en de in artikel 821 en artikel 827 eerste lid
onder b genoemde voorrechten.

Artikel 8:789
Vervallen

Artikel 8:790

1.
Een in de openbare registers teboekstaand binnenschip is een
registergoed.

2.
Bij toepassing van artikel 301 van Boek 3 ter zake van akten die op
de voet van artikel 89 leden 1 en 4 van Boek 3 zijn bestemd voor de
levering van een zodanig binnenschip, kan de in het eerste genoemde
artikel bedoelde uitspraak van de Nederlandse rechter niet worden
ingeschreven, zolang zij niet in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 8:791

Eigendom,
hypotheek en vruchtgebruik op een teboekstaand binnenschip worden
door een bezitter te goeder trouw verkregen door een onafgebroken
bezit van vijf jaren.

Artikel 8:792

Onverminderd
het bepaalde in artikel 260, eerste lid, van Boek 3 wordt in de
notariële akte waarbij hypotheek wordt verleend op een
teboekstaand binnenschip of een recht waaraan een zodanig schip is
onderworpen, duidelijk vermeld:

a.
het aan de hypotheek onderworpen schip;

b. de
voorwaarden voor opeisbaarheid of een verwijzing naar een op het
kantoor van inschrijving ingeschreven document waarin de voorwaarden
voor opeisbaarheid zijn vastgelegd;

c. de
bedongen rente en het tijdstip of de tijdstippen waarop deze vervalt.

Artikel 8:793

Behoudens
afwijkende, uit de openbare registers blijkende, bedingen omvat de
hypotheek de zaken die uit hoofde van hun bestemming blijvend met het
schip zijn verbonden en die toebehoren aan de eigenaar van

Close Menu
×
×

Basket