Burgerlijk Wetboek Art. 2:175 BW – boek 8:1

netherlands-coat-armsBurgerlijk Wetboek Art
previous companies act
next companies act

Titel
11. Ongevallen

Afdeling
1. Aanvaring

Artikel 8:1000

Onder
binnenschepen worden in deze afdeling mede verstaan
draagvleugelboten, vlotten, veerponten, beweegbare delen van
schipbruggen, baggermolens, drijvende kranen, elevatoren en alle
drijvende
werktuigen, pontons of materiaal van soortgelijke aard, die voldoen
aan de in de artikelen 1 en 3 ten aanzien van binnenschepen vermelde
vereisten.

Artikel 8:1001

Aanvaring
is de aanraking van schepen met elkaar.

Artikel 8:1002

Het
in deze afdeling omtrent aanvaring bepaalde vindt – voor zover niet
afdeling 1 van titel 6 van toepassing is – eveneens toepassing indien
schade door een binnenschip is veroorzaakt zonder dat een aanvaring
plaatshad.

Artikel 8:1003

Indien
een binnenschip door een aanvaring schade heeft veroorzaakt, wordt de
aansprakelijkheid voor deze schade geregeld door deze afdeling, voor
zover althans niet afdeling 1 van titel 6 van toepassing is.

Artikel 8:1004

1.
Verplichting tot schadevergoeding op grond van deze afdeling bestaat
slechts indien de schade is veroorzaakt door schuld. Er bestaat geen
wettelijk vermoeden
van schuld terzake van een aanvaring, doch het schip, dat in
aanraking komt met een andere, zo nodig behoorlijk verlichte, vaste
of te bekwamer plaats vastgemaakte zaak, geen schip zijnde, is
aansprakelijk voor de schade, tenzij blijkt dat de schade niet is
veroorzaakt door schuld van het schip.

2.
Indien de schade is veroorzaakt door toeval, indien zij is toe te
schrijven aan overmacht of indien haar oorzaken niet kunnen worden
vastgesteld, wordt zij gedragen door hen, die haar hebben geleden.

3. In
geval van slepen is ieder binnenschip, dat deel uitmaakt van een
sleep, slechts aansprakelijk indien er schuld aan zijn zijde is.

Artikel 8:1005

Indien
de schade is veroorzaakt door de schuld van één
binnenschip,
is de eigenaar van dit schip verplicht de schade te vergoeden.

Artikel 8:1006

1.
Indien twee of meer binnenschepen gezamenlijk door hun schuld schade
hebben veroorzaakt, zijn de eigenaren daarvan zonder hoofdelijkheid
aansprakelijk voor de schade, toegebracht aan medeschuldige schepen
en aan goederen, die zich aan boord daarvan bevinden, en hoofdelijk
voor alle overige schade.

2. Is
de aansprakelijkheid niet hoofdelijk, dan zijn de eigenaren van de
schepen, die gezamenlijk door hun schuld de schade hebben
veroorzaakt, tegenover de benadeelden aansprakelijk in verhouding tot
het gewicht van de schuld van hun schepen; indien echter de
omstandigheden meebrengen, dat die verhouding niet kan worden
vastgesteld of indien blijkt dat de schuld van deze schepen
gelijkwaardig is, wordt de aansprakelijkheid in gelijke delen
verdeeld.

3.
Is de aansprakelijkheid hoofdelijk, dan moet elk der aansprakelijke
eigenaren zijn door het tweede lid van dit artikel vastgestelde
aandeel in de betaling aan de schuldeiser voor zijn rekening nemen.
Onder voorbehoud van de artikelen 880 en 364 heeft hij, die meer dan
zijn aandeel heeft betaald, voor het overschot verhaal op zijn
medeschuldenaren die minder dan hun aandeel hebben betaald. Verlies,
veroorzaakt door het onvermogen van een der eigenaren van de
medeschuldige schepen om te betalen, wordt over de andere eigenaren
omgeslagen in de door het tweede lid van dit artikel vastgestelde
verhouding.

Artikel 8:1007

De
krachtens deze afdeling bestaande aansprakelijkheid wordt niet
opgeheven ingeval de schade is veroorzaakt door de schuld van een
loods, zelfs niet als het gebruik van deze verplicht is.

Afdeling
2. Hulpverlening

Artikel 8:1010

De
hulpverlening door binnenschepen en de hulp aan binnenschepen, aan
zich aan boord daarvan bevindende zaken of aan van een binnenschip
afkomstige in bevaarbaar water of welk ander water dan ook driftige,
aangespoelde of gezonken zaken worden geregeld door afdeling 2 van
titel 6, met dien verstande dat hetgeen in die afdeling voor de reder
is bepaald, wanneer het een binnenschip betreft, geldt voor de
eigenaar daarvan en hetgeen voor de kapitein is bepaald, wanneer het
een binnenschip betreft, geldt voor de schipper daarvan.

Afdeling
3. Avarij-grosse

Artikel 8:1020

1.
Avarij-grosse zijn de opofferingen en uitgaven redelijkerwijs
verricht of gedaan bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden met
het doel een binnenschip
en de goederen aan boord daarvan uit een gemeenschappelijk gevaar,
hoe of door wiens toedoen dit ook zij ontstaan, te redden.

2.
Verlies van passagegeld is geen avarij-grosse.

Artikel 8:1021

1.
Avarij-grosse wordt aan hem, die haar leed, vergoed door de eigenaar
van het binnenschip, de belanghebbende bij de vracht, de ontvanger
van de lading en de eigenaren van de overige zich aan boord
bevindende zaken met uitzondering van postzendingen, mondvoorraden,
passagiersbagage, zelfs wanneer geregistreerd, en van persoonlijke
bezittingen.

2.
In afwijking van het eerste lid draagt een motorrijtuig of schip, dat
door een vervoerder in verband met een overeenkomst van
personenvervoer aan boord van het binnenschip wordt vervoerd, bij in
de avarij-grosse.

Artikel 8:1022

De
vergoedingen in avarij-grosse en de dragende waarden der in de
avarij-grosse bijdragende belangen worden bovendien bepaald met
inachtneming van de Rijnregels I.V.R, nader omschreven bij algemene
maatregel van bestuur.

Afdeling
4. Gevaarlijke stoffen aan boord van een binnenschip

Artikel 8:1030

In
deze afdeling wordt verstaan onder:

a.
"gevaarlijke stof": een stof die als zodanig bij algemene
maatregel van bestuur is aangewezen; de aanwijzing kan worden beperkt
tot bepaalde concentraties van de stof, tot bepaalde in de algemene
maatregel van bestuur te omschrijven gevaren die aan de stof
verbonden zijn, en tot bepaalde daarin te omschrijven situaties
waarin de stof zich bevindt;

b.
"schip": binnenschip, niet zijnde een luchtkussenvoertuig;

c.
"schade":

1°.
schade veroorzaakt door dood of letsel van enige persoon veroorzaakt
door een gevaarlijke stof;

2°.
andere schade buiten het schip aan boord waarvan de gevaarlijke stof
zich bevindt, veroorzaakt door die gevaarlijke stof, met uitzondering
van verlies van of schade met betrekking tot andere schepen of
zeeschepen en zaken aan boord daarvan, indien die schepen of
zeeschepen deel uitmaken van een sleep, waarvan ook dit schip deel
uitmaakt, of hecht met dit schip in een eenheid zijn gekoppeld;

3°.
de kosten van preventieve maatregelen en verlies of schade
veroorzaakt door zulke maatregelen;

d.
"preventieve maatregel": iedere redelijke maatregel ter
voorkoming of beperking van schade door wie dan ook genomen met
uitzondering van de overeenkomstig deze afdeling aansprakelijke
persoon nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden;

e.
"gebeurtenis": elk feit of elke opeenvolging van feiten met
dezelfde oorzaak, waardoor schade ontstaat of waardoor een ernstige
en onmiddellijke dreiging van schade ontstaat;

f.
"eigenaar": hij die de zeggenschap heeft over het gebruik
van het schip aan boord waarvan de gevaarlijke stof zich bevindt. De
persoon die in een register waarin het schip te boek staat, als
eigenaar van het schip is ingeschreven, of, bij gebreke van enige
teboekstelling, de persoon die het schip in eigendom heeft, wordt
aangemerkt als eigenaar, tenzij hij bewijst dat ten tijde van de
gebeurtenis een door hem bij name genoemde ander de zeggenschap over
het gebruik van het schip had of dat op dat tijdstip een ander zonder
zijn toestemming en zonder dat hij zulks redelijkerwijs kon voorkomen
de zeggenschap over het gebruik van het schip had.

Artikel 8:1031

1.
Deze afdeling is niet van toepassing, indien de eigenaar jegens
degene die de vordering instelt, aansprakelijk is uit hoofde van een
exploitatie-overeenkomst of jegens deze persoon een beroep op een
exploitatie-overeenkomst heeft.

2.
Deze afdeling is van toepassing op de periode waarin een gevaarlijke
stof zich aan boord van een schip bevindt, daaronder begrepen de
periode vanaf het begin van de inlading van de gevaarlijke stof in
het schip tot het einde van de lossing van die stof uit het schip.

3.
Deze afdeling is niet van toepassing op schade veroorzaakt wanneer
het schip uitsluitend wordt gebruikt in een niet voor publiek
toegankelijk gebied en zulk gebruik een onderdeel vormt van een in
dat gebied plaatsvindende bedrijfsuitoefening.

4. Op
zich overeenkomstig het tweede lid aan boord bevindende stoffen als
bedoeld in artikel 175 van Boek 6 is dat artikel niet van toepassing,
tenzij zich het geval van het derde lid voordoet.

Artikel 8:1032

1.
Indien een gevaarlijke stof zich bevindt in een vervoermiddel dat
zich aan boord van een schip bevindt zonder dat de gevaarlijke stof
uit dit gestapelde vervoermiddel wordt gelost, zal de gevaarlijke
stof voor die periode geacht worden zich alleen aan boord van genoemd
schip te bevinden.

2.
Indien een gevaarlijke stof zich bevindt in een schip dat wordt
gesleept door een ander schip of door een zeeschip of wordt
voortbewogen door een ander schip of door een zeeschip, dat hecht met
dit schip in een eenheid gekoppeld is, zal de gevaarlijke stof geacht
worden zich alleen aan boord van laatstgenoemd schip of zeeschip te
bevinden.

3.
Gedurende de handelingen bedoeld in artikel 1033, vijfde lid,
onderdelen c, d en e, zal de gevaarlijke stof geacht worden:

a. in
afwijking van het eerste lid, zich alleen aan boord van het
gestapelde vervoermiddel te bevinden;

b. in
afwijking van het tweede lid, zich alleen aan boord van eerstgenoemd
schip te bevinden.

Artikel 8:1033

1.
Hij die ten tijde van een gebeurtenis eigenaar is van een schip aan
boord waarvan zich een gevaarlijke stof bevindt, is aansprakelijk
voor de schade door die stof veroorzaakt ten gevolge van die
gebeurtenis.
Bestaat de gebeurtenis uit een opeenvolging van feiten met dezelfde
oorzaak, dan rust de aansprakelijkheid op degene die ten tijde van
het eerste feit eigenaar was.

2.
De eigenaar is niet aansprakelijk indien:

a.
de schade is veroorzaakt door een oorlogshandeling, vijandelijkheden,
burgeroorlog, opstand of natuurgebeuren van uitzonderlijke,
onvermijdelijke en onweerstaanbare aard;

b. de
schade uitsluitend is veroorzaakt door een handelen of nalaten van
een derde, niet zijnde een persoon genoemd in het vijfde lid,
onderdeel a, geschied met het opzet de schade te veroorzaken;

c. de
afzender of enige andere persoon niet heeft voldaan aan zijn
verplichting hem in te lichten over de gevaarlijke aard van de stof,
en noch de eigenaar, noch de in het vijfde lid, onderdeel a, genoemde
personen wisten of hadden behoren te weten dat deze gevaarlijk was.

3.
Indien de eigenaar bewijst dat de schade geheel of gedeeltelijk het
gevolg is van een handelen of nalaten van de persoon die de schade
heeft geleden, met het opzet de schade te veroorzaken, of van de
schuld van die persoon, kan hij geheel of gedeeltelijk worden
ontheven van zijn aansprakelijkheid tegenover die persoon.

4.
De eigenaar kan voor schade slechts uit anderen hoofde dan deze
afdeling worden aangesproken in het geval van het tweede lid,
onderdeel c, alsmede in het geval dat hij uit hoofde van
arbeidsovereenkomst kan worden aangesproken.

5.
Behoudens de artikelen 1034 en 1035 zijn voor schade niet
aansprakelijk:

a. de
ondergeschikten, vertegenwoordigers of lasthebbers van de eigenaar of
de leden van de bemanning,

b. de
loods en ieder ander die, zonder bemanningslid te zijn, ten behoeve
van het schip werkzaamheden verricht,

c.
zij die anders dan tegen een uitdrukkelijk en redelijk verbod vanwege
het schip in hulp verlenen aan het schip, de zich aan boord daarvan
bevindende zaken of de opvarenden,

d.
zij die op aanwijzing van een bevoegde overheidsinstantie hulp
verlenen aan het schip, de zich aan boord daarvan bevindende zaken of
de opvarenden,

e.
zij die preventieve maatregelen nemen met uitzondering van de
eigenaar,

f.
de ondergeschikten, vertegenwoordigers of lasthebbers van de in dit
lid, onderdelen b, c, d en e, van aansprakelijkheid vrijgestelde
personen, tenzij de schade is ontstaan uit hun eigen handelen of
nalaten, geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken,
hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er
waarschijnlijk uit zou voortvloeien.

6. De
eigenaar heeft, voor zover niet anders is overeengekomen, verhaal op
de in het vijfde lid bedoelde personen, doch uitsluitend indien dezen
ingevolge het slot van dit lid voor de schade kunnen worden
aangesproken.

Artikel 8:1034

1.
Indien de eigenaar bewijst dat de gevaarlijke
stof tijdens de periode bedoeld in artikel 1031, tweede lid, is
geladen of gelost onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van een
door hem bij name genoemde ander dan de eigenaar of zijn
ondergeschikte, vertegenwoordiger of lasthebber, zoals de afzender of
ontvanger, is de eigenaar niet aansprakelijk voor de schade als
gevolg van een gebeurtenis tijdens het laden of lossen van de
gevaarlijke stof en is die ander voor deze schade aansprakelijk
overeenkomstig deze afdeling.

2.
Indien echter de gevaarlijke stof tijdens de periode bedoeld in
artikel 1031, tweede lid, is geladen of gelost onder de gezamenlijke
verantwoordelijkheid van de eigenaar en een door de eigenaar bij name
genoemde ander, zijn de eigenaar en die ander hoofdelijk
aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling voor de schade als gevolg
van een gebeurtenis tijdens het laden of lossen van de gevaarlijke
stof.

3.
Indien is geladen of gelost door een persoon in opdracht of ten
behoeve van de vervoerder of een ander, zoals de afzender of de
ontvanger, is niet deze persoon, maar de vervoerder of die ander
aansprakelijk.

4.
Indien een ander dan de eigenaar op grond van het eerste of het
tweede lid aansprakelijk is, kan die ander geen beroep doen op
artikel 1033, vierde lid en vijfde lid, onderdeel b.

5.
Indien een ander dan de eigenaar op grond van het eerste of het
tweede lid aansprakelijk is, zijn ten aanzien van die ander titel 12
alsmede de artikelen 642a tot en met 642z van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat in geval van hoofdelijke aansprakelijkheid:

a. de
beperking van aansprakelijkheid krachtens titel 12 geldt voor het
geheel der naar aanleiding van eenzelfde gebeurtenis ontstane
vorderingen gericht tegen beiden;

b.
een fonds gevormd door één van hen overeenkomstig
artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt
aangemerkt als door beiden te zijn gevormd en zulks ten aanzien van
de vorderingen waarvoor het fonds werd gesteld.

6.
In de onderlinge verhouding tussen de eigenaar en de in het tweede
lid van dit artikel genoemde ander is de eigenaar niet tot vergoeding
verplicht dan in geval van schuld van hemzelf of van zijn
ondergeschikten, vertegenwoordigers of lasthebbers.

7.
Dit artikel is niet van toepassing als tijdens de periode, bedoeld in
artikel 1031, tweede lid, is geladen of gelost onder de uitsluitende
of gezamenlijke verantwoordelijkheid van een persoon, genoemd in
artikel 1033, vijfde lid, onderdeel c, d of e.

Artikel 8:1035

Indien
ingevolge artikel 1033, tweede lid, onderdeel c, de eigenaar niet
aansprakelijk
is, is de afzender of andere persoon aansprakelijk overeenkomstig
deze afdeling en zijn te diens aanzien titel 12 alsmede de artikelen
642a tot en met 642z van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
van overeenkomstige toepassing. De afzender of andere persoon kan
geen beroep doen op artikel 1033, vierde lid.

Artikel 8:1036

Indien
schade veroorzaakt door de gevaarlijke stof redelijkerwijs niet kan
worden gescheiden van schade anderszins veroorzaakt, zal de gehele
schade worden aangemerkt als schade in de zin van deze afdeling.

Artikel 8:1037

1.
Wanneer door een gebeurtenis schade is veroorzaakt door gevaarlijke
stoffen aan boord van meer dan één schip, dan wel aan
boord van een schip en een zeeschip of een luchtkussenvoertuig,
zijn de eigenaren en de reder of de exploitant van de daarbij
betrokken schepen, het zeeschip of het luchtkussenvoertuig,
onverminderd het in artikel 1033, tweede en derde lid, en artikel
1034, afdeling 4 van titel 6 en afdeling 1 van titel 14 bepaalde,
hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade waarvan redelijkerwijs niet
kan worden aangenomen dat zij veroorzaakt is door gevaarlijke stoffen
aan boord van één of meer bepaalde schepen, zeeschip of
luchtkussenvoertuig.

2.
Het bepaalde in het eerste lid laat onverlet het beroep op beperking
van aansprakelijkheid van de reder, eigenaar of exploitant krachtens
titel 7 of titel 12, dan wel de artikelen 1218 tot en met 1220, ieder
tot het voor hem geldende bedrag.

Titel
12. Beperking van aansprakelijkheid van eigenaren van binnenschepen

Artikel 8:1060

1.
De eigenaar van een binnenschip en de hulpverlener kunnen door het
stellen van één of meer fondsen als bedoeld in artikel
642c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hun
aansprakelijkheid beperken voor de in artikel 1062 genoemde
vorderingen.

2.
Onder eigenaar worden in deze titel mede verstaan de bevrachter, de
huurder en de beheerder van een binnenschip met inbegrip van degene
in wiens handen de exploitatie van een binnenschip is gelegd.

3.
Onder hulpverlener wordt in deze titel een ieder verstaan die
werkzaamheden verricht in onmiddellijk verband met hulpverlening,
waaronder in deze titel mede worden verstaan de in artikel 1062,
eerste lid, onder d, e en f, genoemde werkzaamheden of maatregelen.

4.
Onder binnenschepen worden in deze titel mede verstaan
draagvleugelboten, veerponten en kleine vaartuigen, baggermolens,
drijvende kranen, elevatoren en alle andere drijvende en
verplaatsbare werktuigen, pontons of materiaal van soortgelijke aard,
die voldoen aan de in de artikelen 1 en 3 van dit boek ten aanzien
van binnenschepen vermelde vereisten.

5.
Een binnenschip in aanbouw wordt voor de toepassing van deze titel
mede als binnenschip aangemerkt van het ogenblik af dat de stapelloop
aanvangt. Een luchtkussenvoertuig wordt voor de toepassing van deze
titel niet als binnenschip aangemerkt.

Artikel 8:1061

1.
Indien een vordering als genoemd in artikel 1062 wordt gericht tegen
enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid de
eigenaar of de hulpverlener in beginsel aansprakelijk is, heeft deze
persoon de in deze titel verleende bevoegdheid tot beperking van zijn
aansprakelijkheid.

2.
De verzekeraar van de aansprakelijkheid voor vorderingen, waarvoor op
grond van deze titel beperking van aansprakelijkheid mogelijk is, kan
zich in dezelfde mate als zijn verzekerde op die beperking beroepen.

Artikel 8:1062

1.
Onder voorbehoud van de artikelen 1063 en 1064 bestaat de bevoegdheid
tot beperking van aansprakelijkheid voor de hierna genoemde
vorderingen ingesteld hetzij op grond van overeenkomst, hetzij buiten
overeenkomst en zelfs wanneer de aansprakelijkheid uitsluitend
voortvloeit uit eigendom of bezit van of een voorrecht op het schip
of uit het feit, dat dit onder hoede of toezicht is van hem die zich
op de beperking van aansprakelijkheid beroept:

a.
vorderingen terzake van dood of letsel, dan wel terzake van verlies
van of schade aan zaken (met inbegrip van schade aan kunstwerken van
havens, aan dokken, waterwegen, sluizen, bruggen en hulpmiddelen voor
de scheepvaart), opgekomen aan boord van het binnenschip of in
rechtstreeks verband met de exploitatie van het binnenschip of met
werkzaamheden ter hulpverlening, alsmede voor vorderingen terzake van
schade tengevolge van een of ander;

b.
vorderingen terzake van schade ontstaan door vertraging bij het
vervoer van lading, reizigers of hun bagage;

c.
vorderingen terzake van andere schade ontstaan door inbreuk op enig
niet op overeenkomst gegrond vermogensrecht en opgekomen in
rechtstreeks verband met de exploitatie van het binnenschip of met
werkzaamheden ter hulpverlening;

d.
vorderingen terzake van het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of
onschadelijk maken van een zee- of binnenschip dat is gezonken,
schipbreuk heeft geleden, gestrand of verlaten is, met inbegrip van
alles wat aan boord van zulk een schip is of is geweest;

e.
vorderingen terzake van het verwijderen, vernietigen of onschadelijk
maken van de lading van het binnenschip;

f.
vorderingen van een persoon terzake van maatregelen genomen om schade
te voorkomen of te verminderen voor welke schade de daarvoor
aansprakelijke persoon zijn aansprakelijkheid op grond van deze titel
zou kunnen beperken, alsmede voor vorderingen terzake van verdere
schade door zulke maatregelen geleden, één en ander
echter met uitzondering van dusdanige vorderingen van deze
aansprakelijke persoon zelf.

2.
Aansprakelijkheid voor de in het eerste lid genoemde vorderingen kan
worden beperkt, ook indien deze, al dan niet op grond van een
overeenkomst, zijn ingesteld bij wijze van verhaal of vrijwaring. De
aansprakelijkheid voor de vorderingen in het eerste lid genoemd onder
d, e of f, kan echter niet worden beperkt voor zover deze vorderingen
betrekking hebben op een vergoeding verschuldigd op grond van een
overeenkomst met de aansprakelijke persoon.

Artikel 8:1063

1.
Deze titel is niet van toepassing op:

a.
vorderingen uit hoofde van hulpverlening of bijdrage in
avarij-grosse;

b.
vorderingen onderworpen aan enig internationaal verdrag of enige wet,
die de beperking van aansprakelijkheid voor kernschade regelt of
verbiedt;

c.
vorderingen tegen de exploitant van een nucleair binnenschip terzake
van kernschade;

d.
vorderingen uit hoofde van arbeidsovereenkomst tegen de eigenaar of
de hulpverlener ingesteld door zijn ondergeschikten of hun
rechtverkrijgenden voor zover deze vorderingen werkzaamheden
betreffen in verband met het binnenschip of de hulpverlening, al naar
gelang de aansprakelijkheid van de eigenaar of de hulpverlener voor
deze vorderingen uit hoofde van de op de arbeidsovereenkomst
toepasselijke wet niet of slechts tot een hoger bedrag dan op grond
van deze titel het geval ware, kan worden beperkt.

2.
Wanneer iemand die op grond van deze titel bevoegd is zijn
aansprakelijkheid te beperken, gerechtigd is tegen een schuldeiser
een vordering geldend te maken, die voortkomt uit hetzelfde voorval,
zullen de respectieve vorderingen met elkaar worden verrekend en
wordt de beperking van aansprakelijkheid slechts toegepast op het
daarna mogelijkerwijs overblijvende saldo.

Artikel 8:1064

Niemand
is gerechtigd zijn aansprakelijkheid te beperken, indien bewezen is
dat de schade is ontstaan door zijn eigen handeling of nalaten,
geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij
roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit
zou voortvloeien.

Artikel 8:1065

Het
bedrag waartoe de aansprakelijkheid uit hoofde van deze titel voor
vorderingen, naar aanleiding van éénzelfde voorval
ontstaan, kan worden beperkt (het bedrag van het fonds), wordt
berekend naar bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
maatstaven welke verschillend kunnen zijn voor verschillende soorten
schepen en voor een hulpverlener. Daarbij kunnen met betrekking tot
de in artikel 1062, eerste lid, bedoelde vorderingen verschillende
fondsen worden voorzien.

Artikel 8:1066

1. De
beperking van aansprakelijkheid als vastgesteld krachtens de in
artikel 1065 bedoelde algemene maatregel van bestuur geldt voor het
geheel der naar aanleiding van éénzelfde voorval
ontstane vorderingen, die niet zijn vorderingen als bedoeld in het
tweede lid, gericht tegen

a. de
persoon of personen genoemd in het tweede lid van artikel 1060 en
enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid
dezen in beginsel aansprakelijk zijn, of

b. de
eigenaar van een binnenschip die van dat schip uit hulp verleent, en
de hulpverlener of hulpverleners die van dat schip uit hun
werkzaamheden verricht of verrichten en enige persoon voor wiens
handeling, onachtzaamheid of nalatigheid deze personen in beginsel
aansprakelijk zijn, of

c. de
hulpverlener of hulpverleners aan een binnenschip die niet van een
zee- of binnenschip uit werkzaamheden verricht of verrichten of die
werkzaamheden verricht of verrichten uitsluitend op het binnenschip
waaraan of met betrekking waartoe hulp wordt verleend, en enige
persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid deze
personen in beginsel aansprakelijk zijn.

2.
De beperking van aansprakelijkheid als vastgesteld krachtens de in
artikel 1065 bedoelde algemene maatregel van bestuur voor vorderingen
terzake van dood of letsel van reizigers van een binnenschip geldt
voor het geheel der naar aanleiding van éénzelfde
voorval ontstane vorderingen gericht tegen de persoon of de personen
die in de in artikel 1060, tweede lid, genoemde betrekking staan tot
dat schip, en enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of
nalatigheid dezen in beginsel aansprakelijk zijn.

IV.
Wegvervoersrecht

Titel
13. Wegvervoer

Afdeling
1. Algemene bepalingen

Artikel 8:1080

1.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen zaken, die geen voertuigen
zijn, voor de toepassing van bepalingen van deze titel als voertuig
worden aangewezen, dan wel bepalingen van deze titel niet van
toepassing worden verklaard op zaken, die voertuigen zijn.

2.
Een takelwagen is niet een voertuig in de zin van deze titel.

3.
Een overeenkomst, waarbij de ene partij zich tegenover de andere
partij verbindt een voertuig te besturen, dat hem daartoe door die
andere partij ter beschikking is gesteld, is niet een overeenkomst
van vervoer in de zin van deze titel.

Artikel 8:1081

Op de
exploitatie van een voertuig zijn de artikelen 361 tot en met 366 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deze artikelen
eveneens van overeenkomstige toepassing zijn wanneer degene op wie
krachtens artikel 2 eerste en tweede lid van de Wet
Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen de verplichting tot
verzekering rust, de in artikel 6 dier wet bedoelde verzekeraar of
een ondergeschikte van een dezer buiten overeenkomst wordt
aangesproken. De artikelen 361 tot en met 366 zijn bovendien van
overeenkomstige toepassing, indien het Waarborgfonds Motorverkeer,
genoemd in artikel 23 van eerdervermelde wet, dan wel het bureau,
genoemd in het zesde lid van artikel 2 van die wet, of een
ondergeschikte van een dezer buiten overeenkomst wordt aangesproken.

Afdeling
2. Overeenkomst van goederenvervoer
over de weg

Artikel 8:1090

De
overeenkomst van goederenvervoer in de zin van deze titel is de
overeenkomst van goederenvervoer, al dan niet tijd- of
reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de vervoerder) zich
tegenover de andere partij (de afzender) verbindt door middel van een
voertuig zaken uitsluitend over de weg en anders dan over spoorwegen
te vervoeren.

Artikel 8:1091

Vervoer
over de weg van zaken omvat voor de toepassing van artikel 1098
tweede lid, in afwijking van het elders bepaalde, het tijdvak dat het
voertuig zich aan boord van een ander vervoermiddel en niet op de weg
bevindt, doch dit slechts ten aanzien van zaken die daarbij niet uit
dat voertuig werden uitgeladen.

Artikel 8:1092

Deze
afdeling is niet van toepassing op overeenkomsten tot lijkbezorging,
overeenkomsten tot het vervoeren van verhuisgoederen of
overeenkomsten tot het vervoeren van postzendingen door of in
opdracht van de houder van de concessie, bedoeld in de Postwet of
onder een internationale postovereenkomst. Onder voorbehoud van
artikel 1154 is deze afdeling niet van toepassing op overeenkomsten
tot het vervoeren van bagage.

Artikel 8:1093

1.
Tijd- of reisbevrachting in de zin van deze afdeling is de
overeenkomst van goederenvervoer,
waarbij de vervoerder zich verbindt tot vervoer door middel van een
voertuig, dat hij daartoe in zijn geheel met bestuurder en al dan
niet op tijdbasis (tijdbevrachting of reisbevrachting) ter
beschikking stelt van de afzender.

2.
Onder "vervrachter" is in deze afdeling de in het eerste
lid genoemde vervoerder, onder "bevrachter" de aldaar
genoemde afzender te verstaan.

Artikel 8:1094

De
wetsbepalingen omtrent huur, bewaarneming en bruikleen zijn op
terbeschikkingstelling van een voertuig met bestuurder, ten einde
door middel daarvan zaken te vervoeren, niet van toepassing.

Artikel 8:1095

De
vervoerder is verplicht ten vervoer ontvangen zaken ter bestemming af
te leveren en wel in de staat waarin hij hen heeft ontvangen.

Artikel 8:1096

Onverminderd
artikel 1095 is de vervoerder verplicht ten vervoer ontvangen zaken
zonder vertraging te vervoeren.

Artikel 8:1097

1. In
geval van bevrachting is de vervrachter verplicht de bestuurder
opdracht te geven binnen de grenzen door de overeenkomst gesteld de
orders van de bevrachter op te volgen. De vervrachter staat ervoor
in, dat de bestuurder de hem gegeven opdracht nakomt.

2.
De bevrachter staat in voor schade die de vervrachter lijdt door de
plaatselijke gesteldheid van de plekken, waarheen hij de bestuurder
van het voertuig op grond van het eerste lid ter inlading of lossing
beveelt te gaan en hij is slechts in zoverre voor die schade niet
aansprakelijk, als de bestuurder, door de hem gegeven orders op te
volgen, onredelijk handelde.

Artikel 8:1098

1.
De vervoerder is niet aansprakelijk voor schade ontstaan door een
beschadiging, voor zover deze is veroorzaakt
door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft
kunnen vermijden en voor zover zulk een vervoerder de gevolgen
daarvan niet heeft kunnen verhinderen.

2.
De vervoerder kan niet om zich van zijn aansprakelijkheid te
ontheffen beroep doen op de gebrekkigheid van het voertuig of van het
materiaal waarvan hij zich bedient, tenzij dit laatste door de
afzender, de geadresseerde of de ontvanger te zijner beschikking is
gesteld. Onder materiaal wordt niet begrepen een schip, luchtvaartuig
of spoorvoertuig, waarop het voertuig zich bevindt.

3.
Onder beschadiging worden mede verstaan geheel of gedeeltelijk
verlies van zaken, vertraging, alsmede ieder ander schade
veroorzakend feit.

Artikel 8:1099

Onverminderd
de artikelen 1100 en 1101 is de vervoerder, die de op hem uit hoofde
van de artikelen 1095 en 1096 rustende verplichtingen niet nakwam,
desalniettemin voor de daardoor ontstane schade niet aansprakelijk,
voor zover dit niet nakomen het gevolg is van de bijzondere risico’s
verbonden aan een of meer van de volgende omstandigheden:

a.
het vervoer van de zaken in een onoverdekt voertuig, wanneer dit
uitdrukkelijk is overeengekomen en op de vrachtbrief is vermeld;

b.
behandeling, lading, stuwing of lossing van de zaken door de
afzender, de geadresseerde of personen, die voor rekening van de
afzender of de geadresseerde handelen;

c.
de aard van bepaalde zaken zelf, die door met deze aard zelf
samenhangende oorzaken zijn blootgesteld aan geheel of gedeeltelijk
verlies of aan beschadiging, in het bijzonder door ontvlamming,
ontploffing, smelting, breuk, corrosie, bederf, uitdroging, lekkage,
normaal kwaliteitsverlies, of optreden van ongedierte of knaagdieren;

d.
hitte, koude, temperatuurverschillen of vochtigheid van de lucht,
doch slechts indien niet is overeengekomen dat het vervoer zal
plaatsvinden met een voertuig speciaal ingericht om de zaken aan
invloed daarvan te onttrekken;

e.
onvolledigheid of gebrekkigheid van de adressering, cijfers, letters
of merken der colli;

f.
het feit dat het vervoer een levend dier betreft.

Artikel 8:1100

1.
Wanneer de vervoerder bewijst dat, gelet op de omstandigheden van het
geval, het niet nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen
1095 en 1096 rustende verplichtingen een gevolg heeft kunnen zijn van
een of meer der in artikel 1099 genoemde bijzondere risico’s, wordt
vermoed, dat het niet nakomen daaruit voortvloeit. Degeen, die jegens
de vervoerder recht heeft op de zaken, kan evenwel
bewijzen, dat dit niet nakomen geheel of gedeeltelijk niet door een
van deze risico’s is veroorzaakt.

2.
Het hierboven genoemde vermoeden bestaat niet in het in artikel 1099
onder a genoemde geval, indien zich een ongewoon groot tekort
voordoet dan wel een ongewoon groot verlies van colli.

3.
Indien in overeenstemming met het door partijen overeengekomene het
vervoer plaatsvindt door middel van een voertuig, speciaal ingericht
om de zaken te onttrekken aan de invloed van hitte, koude,
temperatuurverschillen of vochtigheid van de lucht, kan de vervoerder
ter ontheffing van zijn aansprakelijkheid ten gevolge van deze
invloed slechts een beroep doen op artikel 1099 onder c, indien hij
bewijst, dat alle maatregelen waartoe hij, rekening houdende met de
omstandigheden, verplicht was, zijn genomen met betrekking tot de
keuze, het onderhoud en het gebruik van deze inrichtingen en dat hij
zich heeft gericht naar de bijzondere instructies bedoeld in het
vijfde lid.

4.
De vervoerder kan slechts beroep doen op artikel 1099 onder f, indien
hij bewijst dat alle maatregelen, waartoe hij normaliter, rekening
houdende met de omstandigheden, verplicht was, zijn genomen en dat
hij zich heeft gericht naar de bijzondere instructies bedoeld in het
vijfde lid.

5.
De bijzondere instructies, bedoeld in het derde en het vierde lid van
dit artikel, moeten aan de vervoerder vóór de aanvang
van het vervoer zijn gegeven, hij moet deze uitdrukkelijk hebben
aanvaard en zij moeten, indien voor dit vervoer een vrachtbrief is
afgegeven, daarop zijn vermeld. De enkele vermelding op de
vrachtbrief levert te dezer zake geen bewijs op.

Artikel 8:1101

Wanneer
de vervoerder de op hem uit hoofde van de artikelen 1095 en 1096
rustende verplichtingen niet nakwam, wordt ten aanzien van

a.
zaken, die onverpakt zijn, terwijl zij gelet op hun aard of de wijze
van vervoer, verpakt hadden behoren te zijn, dan wel zaken die, gelet
op hun aard of de wijze van vervoer, niet voldoende of niet doelmatig
zijn verpakt;

b.
onverpakte zaken, die niet vallen onder de omschrijving onder a
gegeven, indien de vervoerder bewijst, dat gelet op de omstandigheden
van het geval het niet nakomen een gevolg heeft kunnen zijn van het
bijzondere risico verbonden aan het onverpakt zijn,

vermoed
dat de vervoerder noch de omstandigheid, die het niet nakomen
veroorzaakte, heeft kunnen vermijden, noch de gevolgen daarvan heeft
kunnen verhinderen en dat het niet nakomen niet is ontstaan door een
of meer der in het tweede lid van artikel 1098 voor rekening van de
vervoerder gebrachte omstandigheden.

Artikel 8:1102

1.
Nietig is ieder beding, waarbij de ingevolge artikel 1095 op de
vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast op andere wijze
wordt vermeerderd of verminderd dan in deze afdeling is voorzien,
tenzij dit beding uitdrukkelijk en anders dan door een verwijzing
naar in een ander geschrift voorkomende bedingen, is aangegaan bij
een in het bijzonder ten aanzien van het voorgenomen vervoer
aangegane en in een afzonderlijk geschrift neergelegde overeenkomst.

2.
Bovendien is nietig ieder beding, waarbij de ingevolge artikel 1095
op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast op andere
wijze wordt vermeerderd of verminderd dan in deze afdeling is
voorzien, wanneer dit beding

a.
voorkomt in enig document, dat door een vermelding daarop is
aangeduid als transportbrief of

b.
tussen de vervoerder en de ontvanger is aangegaan bij de aflevering
van de zaak.

Artikel 8:1103

1.
Voor zover de vervoerder aansprakelijk is wegens niet nakomen van de
op hem uit hoofde van de artikelen 1095 en 1096 rustende
verplichtingen, heeft de afzender geen ander recht dan betaling te
vorderen van een bedrag, dat wordt berekend met inachtneming van de
waarde welke zaken als de ten vervoer ontvangene zouden hebben gehad
zoals, ten tijde waarop en ter plaatse waar zij zijn afgeleverd of
zij hadden moeten zijn afgeleverd.

2.
De in het eerste lid genoemde waarde wordt berekend naar de koers op
de goederenbeurs of, wanneer er geen dergelijke koers is, naar de
gangbare martkwaarde Tekstcorrectie: “martkwaarde” moet
zijn “marktwaarde” of, wanneer ook deze ontbreekt, naar
de normale waarde van zaken van dezelfde aard en hoedanigheid.

Artikel 8:1104

Indien
met betrekking tot een zaak een schadevergoeding uit hoofde van
artikel 1129 is verschuldigd, wordt deze aangemerkt als een
waardevermindering van die zaak.

Artikel 8:1105

Voor
zover de vervoerder aansprakelijk is wegens niet nakomen van de op
hem uit hoofde van de artikelen 1095 en 1096 rustende verplichtingen,
is hij niet aansprakelijk
boven bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen
bedragen.

Artikel 8:1106

1.
De afzender kan, mits de vervoerder hierin toestemt en tegen betaling
van een overeen te komen bedrag, op de vrachtbrief
een waarde van de zaken aangeven, die het maximum, vermeld in de in
artikel 1105 genoemde algemene maatregel van bestuur, overschrijdt.
In dat geval treedt het aangegeven bedrag in de plaats van dit
maximum.

2.
Nietig is ieder beding, ook indien het wordt aangegaan op de wijze
als voorzien in het eerste lid van artikel 1102, waarbij het aldus
aangegeven bedrag hoger wordt gesteld dan de in het eerste lid van
artikel 1103 genoemde waarde.

Artikel 8:1107

1. De
afzender kan, mits de vervoerder hierin toestemt en tegen betaling
van een overeen te komen bedrag, door vermelding op de vrachtbrief
het bedrag van een bijzonder belang bij de aflevering voor het geval
van verlies of beschadiging van vervoerde zaken en voor dat van
overschrijding van een overeengekomen termijn van aflevering daarvan,
vaststellen.

2.
Indien een bijzonder belang bij de aflevering is aangegeven, kan,
indien de vervoerder aansprakelijk is wegens niet nakomen van de op
hem uit hoofde van de artikelen 1095 en 1096 rustende verplichtingen,
onafhankelijk van de schadevergoedingen genoemd in de artikelen 1103
tot en met 1106 en tot ten hoogste eenmaal het bedrag van het
aangegeven belang, een schadevergoeding worden gevorderd gelijk aan
de bewezen bijkomende schade.

Artikel 8:1108

1.
De vervoerder kan zich niet beroepen op enige beperking van zijn
aansprakelijkheid,
voor zover de schade is ontstaan uit zijn eigen handeling of nalaten,
geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij
roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit
zou voortvloeien.

2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt afgeweken.

Artikel 8:1109

1. De
afzender is bevoegd de overeenkomst op te zeggen, wanneer hem door de
vervoerder is medegedeeld dat geen voertuig op de overeengekomen
plaats of tijd voor het vervoer aanwezig is of zal kunnen zijn.

2.
Hij kan deze bevoegdheid slechts uitoefenen terstond na ontvangst van
deze mededeling.

3.
Indien bij gebreke van de ontvangst van een mededeling, als bedoeld
in het eerste lid, het de afzender uit anderen hoofde bekend is, dat
het voertuig niet op de overeengekomen plaats of tijd voor het
vervoer aanwezig is of kan zijn, is hij, zonder dat enige
ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst op te zeggen,
doch slechts binnen een redelijke termijn nadat hem dit bekend was;
gelijke bevoegdheid komt hem toe, indien hem na ontvangst van een
mededeling, als bedoeld in het eerste lid, uit anderen hoofde bekend
wordt, dat het voertuig op grond van andere omstandigheden dan welke
de vervoerder tot zijn mededeling brachten, niet op de overeengekomen
plaats of tijd voor het vervoer aanwezig is of kan zijn.

4. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving
of enig ander bericht, waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is,
en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.

5.
Indien de vervoerder gehouden is de schade, die de afzender door de
opzegging lijdt, te vergoeden, zal deze vergoeding niet meer bedragen
dan de vracht voor het overeengekomen vervoer, of, in geval van
tijdbevrachting, voor terbeschikkingstelling van het voertuig
gedurende 24 uur.

Artikel 8:1110

De
afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die deze
lijdt doordat de overeengekomen zaken, door welke oorzaak dan ook,
niet op de overeengekomen
plaats en tijd te zijner beschikking zijn.

Artikel 8:1111

1.
Alvorens zaken ter beschikking van de vervoerder zijn gesteld is de
afzender bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Hij is verplicht aan
de vervoerder de vracht, die voor het vervoer van de zaken was
overeengekomen, te voldoen.

2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving
of enig ander bericht, waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is,
en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.

3.
Dit artikel is niet van toepassing ingeval van tijdbevrachting.

Artikel 8:1112

1.
Zijn bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de zaken ter
beschikking van de vervoerder moeten zijn gesteld, door welke oorzaak
dan ook, in het geheel geen zaken ter beschikking, dan is de
vervoerder, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de
overeenkomst op te zeggen. De afzender is verplicht hem de vracht,
die voor het vervoer van de zaken was overeengekomen, te voldoen.

2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving
of enig ander bericht, waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is,
en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.

3.
Dit artikel is niet van toepassing in geval van tijdbevrachting.

Artikel 8:1113

1.
Zijn bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de zaken ter
beschikking van de vervoerder moeten zijn gesteld, door welke oorzaak
dan ook, de overeengekomen zaken slechts gedeeltelijk ter beschikking
van de vervoerder, dan is deze, zonder dat enige ingebrekestelling is
vereist, bevoegd de overeenkomst op te zeggen, dan wel de reis te
aanvaarden.

2. De
afzender is op verlangen van de vervoerder in geval van opzegging van
de overeenkomst verplicht tot lossing van de reeds gestuwde zaken of,
in geval de vervoerder de reis aanvaardt en het vertrek van het
voertuig zonder herstuwing van de reeds gestuwde zaken niet mogelijk
is, tot deze herstuwing. Hij is verplicht de vervoerder de vracht,
die voor het vervoer van de niet ter beschikking zijnde of ten
gevolge van de opzegging niet vervoerde zaken was overeengekomen, te
voldoen en deze bovendien de schade te vergoeden, die hij lijdt ten
gevolge van de opzegging, van de aanvaarding van de reis, dan wel van
lossing of herstuwing van reeds ingenomen zaken.

3. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving
of enig ander bericht, waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is,
en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.

4.
Dit artikel is niet van toepassing in geval van tijdbevrachting.

Artikel 8:1114

1.
De afzender is verplicht de vervoerder omtrent de zaken alsmede
omtrent de behandeling daarvan tijdig al die opgaven
te doen, waartoe hij in staat is of behoort te zijn, en waarvan hij
weet of behoort te weten, dat zij voor de vervoerder van belang zijn,
tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder deze gegevens kent.

2. De
afzender is verplicht de gegevens, die hij volgens het eerste lid aan
de vervoerder moet verstrekken, zo mogelijk op of aan de te vervoeren
zaken of derzelver verpakking duidelijk aan te brengen en wel
zodanig, dat zij in normale omstandigheden tot het einde van het
vervoer leesbaar zullen blijven.

3. De
vervoerder is niet gehouden, doch wel gerechtigd, te onderzoeken of
de hem gedane opgaven juist en volledig zijn.

4.
Is bij het verstrijken van de tijd waarbinnen de zaken ter
beschikking van de vervoerder moeten zijn gesteld, door welke oorzaak
dan ook, niet of slechts gedeeltelijk voldaan aan de in het eerste of
tweede lid van dit artikel genoemde verplichtingen van de afzender,
dan zijn, behalve in het geval van tijdbevrachting, de artikelen 1112
en 1113 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8:1115

1.
De afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die
deze lijdt doordat, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren
aanwezig zijn de documenten
en inlichtingen, die van de zijde van de afzender vereist zijn voor
het vervoer dan wel ter voldoening aan vóór de
aflevering van de zaken te vervullen douane- en andere formaliteiten.

2.
De vervoerder is verplicht redelijke zorg aan te wenden, dat de
documenten, die in zijn handen zijn gesteld niet verloren gaan of
onjuist worden behandeld. Een door hem ter zake verschuldigde
schadevergoeding zal die, verschuldigd uit hoofde van de artikelen
1103 tot en met 1108 in geval van verlies van de zaken, niet
overschrijden.

3. De
vervoerder is niet gehouden, doch wel gerechtigd, te onderzoeken of
de hem gedane opgaven juist en volledig zijn.

4.
Zijn bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de in het eerste lid
genoemde documenten en inlichtingen aanwezig moeten zijn, deze, door
welke oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig, dan zijn, behalve
in het geval van tijdbevrachting, de artikelen 1112 en 1113 van
overeenkomstige toepassing.

Artikel 8:1116

1.
Wanneer vóór of bij de aanbieding van de zaken aan de
vervoerder omstandigheden
aan de zijde van een der partijen zich opdoen of naar voren komen,
die haar wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet
behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend waren
geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de
vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, is
deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen.

2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving
of enig ander bericht, waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is,
en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.

3.
Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na op
zegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor geleden schade
te vergoeden.

Artikel 8:1117

1.
De afzender is verplicht de vervoerder de buitengewone schade te
vergoeden,
die materiaal dat hij deze ter beschikking stelde of zaken die deze
ten vervoer ontving, dan wel de behandeling daarvan, de vervoerder
berokkenden, behalve voor zover deze schade is veroorzaakt door een
omstandigheid die voor rekening van de vervoerder komt; voor rekening
van de vervoerder komen die omstandigheden, die in geval van
beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn rekening komen.

2.
Dit artikel laat artikel 1118 onverlet.

Artikel 8:1118

1.
Zaken ten aanzien waarvan de afzender, door welke oorzaak dan ook,
niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van het eerste en tweede lid
van artikel 1114 voldeed, mogen door de vervoerder op ieder ogenblik
en op iedere plaats worden gelost, vernietigd of op andere wijze
onschadelijk gemaakt, doch dit slechts dan wanneer zij onmiddellijk
dreigend gevaar opleveren. De vervoerder is terzake geen enkele
schadevergoeding verschuldigd en de afzender is aansprakelijk voor
alle kosten
en schaden voor de vervoerder voortvloeiende uit de aanbieding ten
vervoer, uit het vervoer of uit deze maatregelen zelf.

2.
Indien de vervoerder op grond van het eerste lid gerechtigd is tot
lossen, vernietigen of op andere wijze onschadelijk maken van zaken,
is de afzender op verlangen van de vervoerder en wanneer hem dit
redelijkerwijs mogelijk is, verplicht deze maatregel te nemen.

3.
Door het treffen van de in het eerste of tweede lid bedoelde
maatregel eindigt de overeenkomst met betrekking tot de daar genoemde
zaken, doch, indien deze alsnog worden gelost, eerst na deze lossing.
De vervoerder verwittigt de afzender en zo mogelijk degeen aan wie de
zaken moeten worden afgeleverd. Dit lid is niet van toepassing met
betrekking tot zaken, die de vervoerder na het treffen van de in het
eerste lid bedoelde maatregel alsnog naar hun bestemming vervoert.

4. Op
de feitelijke aflevering is het tussen partijen overeengekomene als
mede het in deze afdeling nopens de aflevering van zaken bepaalde van
toepassing. De artikelen 1132, 1133, 1137 en 1138 zijn van
overeenkomstige toepassing.

5.
Nietig is ieder beding, waarbij van het eerste of het tweede lid van
dit artikel wordt afgeweken.

Artikel 8:1119

1.
Zowel de afzender als de vervoerder kunnen ter zake van het vervoer
een vrachtbrief opmaken en verlangen dat deze of een mogelijkerwijs
door hun wederpartij opgemaakte vrachtbrief door hun wederpartij
wordt getekend en aan hen wordt afgegeven. De ondertekening kan
worden gedrukt of door een stempel dan wel enig ander kenmerk van
oorsprong worden vervangen.

2.
Op de vrachtbrief worden volgens de daarop mogelijkerwijs voorkomende
aanwijzingen de volgende aanduidingen vermeld:

a. de
afzender, als hoedanig slechts één persoon kan worden
genoemd;

b. de
ten vervoer ontvangen zaken;

c. de
plaats waar de vervoerder de zaken ten vervoer heeft ontvangen;

d. de
plaats waarheen de vervoerder op zich neemt de zaken te vervoeren;

e. de
geadresseerde, als hoedanig slechts één persoon kan
worden genoemd;

f. de
vervoerder;

g. al
hetgeen overigens aan afzender en vervoerder gezamenlijk goeddunkt.

3.
De aanduidingen vermeld in het tweede lid onder a tot en met e worden
in de vrachtbrief opgenomen aan de hand van door de afzender te
verstrekken gegevens. De afzender staat in voor de juistheid, op het
ogenblik van inontvangstneming
van de zaken, van deze gegevens. De aanduiding van de vervoerder
wordt in de vrachtbrief opgenomen aan de hand van door deze te
verstrekken gegevens en de vervoerder staat in voor de juistheid
hiervan.

4.
Partijen zijn verplicht elkaar de schade te vergoeden, die zij lijden
door het ontbreken van in het tweede lid genoemde gegevens.

Artikel 8:1120

De
vervoerder is niet gehouden, doch vóór de afgifte van
de vrachtbrief aan de afzender wel gerechtigd, te onderzoeken of de
daarop omtrent de zaken vermelde gegevens juist, nauwkeurig en
volledig zijn. Hij is bevoegd zijn bevindingen ten aanzien van de
zaken op de vrachtbrief aan te tekenen.

Artikel 8:1121

Wanneer
de te vervoeren zaken moeten worden geladen in verschillende
voertuigen
of wanneer het verschillende soorten zaken of afzonderlijke partijen
betreft, hebben afzender zowel als vervoerder het recht te eisen, dat
er evenveel vrachtbrieven worden opgemaakt als er voertuigen moeten
worden gebruikt of als er soorten of partijen zaken zijn.

Artikel 8:1122

1.
Tenzij tussen hen een bevrachting is aangegaan, wordt op verlangen
van afzender of vervoerder, mits dit te kennen is gegeven alvorens
zaken ter beschikking van de vervoerder worden gesteld, de
vrachtbrief voor deze zaken opgesteld in de vorm van een
transportbrief. Aan de bovenvoorzijde van de vrachtbrief wordt alsdan
met duidelijk leesbare letters het woord "transportbrief"
geplaatst.

2.
De transportbrief wordt opgemaakt in overeenstemming met de vereisten
genoemd in artikel 1119 en artikel 1121.

3.
Verwijzingen in de transportbrief worden geacht slechts die bedingen
daarin in te voegen, die voor degeen, jegens wie daarop een beroep
wordt gedaan, duidelijk kenbaar zijn. Een dergelijk beroep is slechts
mogelijk voor hem, die op schriftelijk verlangen van degeen jegens
wie dit beroep kan worden gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld
die bedingen heeft doen toekomen.

4.
Indien beide partijen zulks verlangen, kan ook in geval van
bevrachting een transportbrief worden opgemaakt. Deze
moet dan voldoen aan de in dit artikel gestelde eisen.

5.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt afgeweken.

Artikel 8:1123

1.
Indien een transportbrief is afgegeven, wordt, onder voorbehoud van
het tweede lid van dit artikel, de rechtsverhouding tussen de
vervoerder enerzijds en de afzender of de geadresseerde anderzijds
beheerst door de bedingen van deze transportbrief.

2.
Indien een vervoerovereenkomst is gesloten en bovendien een
transportbrief is afgegeven, wordt de rechtsverhouding tussen de
vervoerder en de afzender door de bedingen van de vervoerovereenkomst
en niet door die van deze transportbrief beheerst. De transportbrief
strekt hun dan slechts, en dit onder voorbehoud van artikel 1124, tot
bewijs van de ontvangst der zaken door de vervoerder.

Artikel 8:1124

1. In
de vrachtbrief vervatte gegevens omtrent de ten vervoer ontvangen
zaken leveren geen bewijs op jegens de vervoerder, tenzij het
gegevens betreft waarvan een zorgvuldig vervoerder de juistheid kan
beoordelen.

2.
Bevat de vrachtbrief een door de vervoerder afzonderlijk ondertekende
verklaring dat hij de juistheid erkent van in die verklaring genoemde
gegevens omtrent de ten vervoer ontvangen zaken, dan wordt
tegenbewijs daartegen niet toegelaten.

3.
Een vrachtbrief, die de uiterlijk zichtbare staat of gesteldheid van
de zaak niet vermeldt, levert geen vermoeden op, dat de vervoerder
die zaak, voor zover uiterlijk zichtbaar, in goede staat of
gesteldheid heeft ontvangen.

4.
Door de vervoerder op de vrachtbrief geplaatste aantekeningen,
genoemd in artikel 1120, binden de afzender niet. Bevat echter de
vrachtbrief een door de afzender afzonderlijk ondertekende
verklaring, dat hij de juistheid van die aantekeningen erkent, dan
wordt tegenbewijs daartegen niet toegelaten.

Artikel 8:1125

1.
De afzender is bevoegd zichzelf of een ander als geadresseerde aan te
wijzen, een gegeven aanduiding van de geadresseerde te wijzigen,
orders omtrent de aflevering te geven of te wijzigen dan wel
aflevering vóór de aankomst ter bestemming van zonder
transportbrief ten vervoer ontvangen
zaken of, wanneer een transportbrief is afgegeven, van alle daarop
vermelde zaken, te verlangen.

2.
De uitvoering van deze instructies moet mogelijk zijn op het
ogenblik, dat de instructies de persoon, die deze moet uitvoeren,
bereiken en zij mag noch de normale bedrijfsuitvoering van de
vervoerder beletten, noch schade toebrengen aan de vervoerder of
belanghebbenden bij de overige lading. Doet zij dit laatste
desalniettemin, dan is de afzender verplicht de geleden schade te
vergoeden. Wanneer het voertuig naar een niet eerder overeengekomen
plaats is gereden, is hij verplicht de vervoerder terzake bovendien
een redelijke vergoeding te geven.

3.
Deze rechten van de afzender vervallen al naarmate de geadresseerde
op de losplaats zaken aanneemt of de geadresseerde van de vervoerder
schadevergoeding verlangt omdat deze zaken niet aflevert.

4.
Zaken, die ingevolge het eerste lid zijn afgeleverd, worden
aangemerkt als ter bestemming afgeleverde zaken en de bepalingen van
deze afdeling nopens de aflevering van zaken, alsmede de artikelen
1132, 1133, 1137 en 1138 zijn van toepassing.

Artikel 8:1126

Indien
aan de afzender een vrachtbrief is afgegeven, die een geadresseerde
vermeldt,
heeft ook deze geadresseerde jegens de vervoerder het recht
aflevering van zaken overeenkomstig de op de vervoerder rustende
verplichtingen te vorderen; daarbij zijn de artikelen 1103-1108 van
overeenkomstige toepassing.

Artikel 8:1127

De
ontvanger is verplicht terstond na de aflevering van de zaken een
ontvangstbewijs daarvoor af te geven.

Artikel 8:1128

1.
Vracht is – behalve in geval van tijdbevrachting – verschuldigd op
het ogenblik, dat de vervoerder de zaken ten vervoer ontvangt of,
wanneer een vrachtbrief
wordt afgegeven, bij het afgeven hiervan.

2.
Vracht, die vooruit te voldoen is of voldaan is, is en blijft –
behalve in geval van tijdbevrachting – in zijn geheel verschuldigd,
ook wanneer de zaken niet ter bestemming worden afgeleverd.

3.
Wanneer de afzender niet aan zijn uit dit artikel voortvloeiende
verplichtingen heeft voldaan, is de vervoerder bevoegd het vervoer
van de betrokken zaak op te schorten. Met toestemming van de rechter
is hij gerechtigd tot het nemen van de in de artikelen 1132 en 1133
genoemde maatregelen. Gaat hij hiertoe over, dan zijn deze artikelen
van toepassing.

Artikel 8:1129

Onverminderd
afdeling 1 van Titel 4 van Boek 6 zijn de afzender en de ontvanger
hoofdelijk verbonden de vervoerder de schade te vergoeden, geleden
doordat deze zich als zaakwaarnemer inliet met de behartiging van de
belangen van een rechthebbende
op ten vervoer ontvangen zaken.

Artikel 8:1130

1. De
vervoerder is verplicht de bedragen, die als rembours op de zaak
drukken, bij aflevering van de zaak van de ontvanger te innen en
vervolgens aan de afzender af te dragen. Wanneer hij aan deze
verplichting, door welke oorzaak dan ook, niet voldoet, is hij
verplicht het bedrag van het rembours aan de afzender te vergoeden,
doch indien deze geen of minder schade leed, ten hoogste tot op het
bedrag van de geleden schade.

2. De
ontvanger, die ten tijde van de aflevering weet dat een bedrag als
rembours op de zaak drukt, is verplicht aan de vervoerder het door
deze aan de afzender verschuldigde bedrag te voldoen.

Artikel 8:1131

1. De
vervoerder is gerechtigd afgifte van zaken of documenten, die hij in
verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, te weigeren aan
ieder, die uit anderen hoofde dan de vervoerovereenkomst recht heeft
op aflevering daarvan, tenzij daarop beslag is gelegd en uit de
vervolging van dit beslag een verplichting tot afgifte aan de
beslaglegger voortvloeit.

2. De
vervoerder kan het recht van retentie uitoefenen op zaken of
documenten, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich
heeft, voor hetgeen hem verschuldigd is of zal worden terzake van het
vervoer van die zaken. Hij kan dit recht tevens uitoefenen voor
hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt. Dit retentierecht
vervalt zodra aan de vervoerder is betaald het bedrag waarover geen
geschil bestaat en voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling
van die bedragen, waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte
nog niet kan worden vastgesteld. De vervoerder behoeft echter geen
zekerheid te aanvaarden voor hetgeen bij wijze van rembours op de
zaak drukt.

3. De
in dit artikel aan de vervoerder toegekende rechten komen hem niet
toe jegens een derde, indien hij op het tijdstip dat hij de zaak of
het document ten vervoer ontving, reden had te twijfelen aan de
bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem die zaak of dat
document ten vervoer ter beschikking te stellen.

Artikel 8:1132

1.
Voor zover hij die jegens de vervoerder recht heeft op aflevering van
vervoerde zaken niet opkomt, weigert deze te ontvangen of deze niet
met de vereiste spoed in ontvangst neemt, of voor zover op zaken
beslag is gelegd, is de vervoerder gerechtigd deze zaken voor
rekening en gevaar van de rechthebbende bij een derde op te slaan in
een daarvoor geschikte bewaarplaats. Op zijn verzoek kan de rechter
bepalen dat hij deze zaken, desgewenst ook in het voertuig, onder
zichzelf kan houden of andere maatregelen daarvoor kan treffen. Hij
is verplicht de afzender zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen.

2.
De derde-bewaarnemer en de ontvanger zijn jegens elkaar verbonden,
als ware de omtrent de bewaring gesloten overeenkomst mede tussen hen
aangegaan. De
bewaarnemer is echter niet gerechtigd tot afgifte dan na
schriftelijke toestemming daartoe van hem, die de zaken in bewaring
gaf.

Artikel 8:1133

1. In
geval van toepassing van artikel 1132, kan de vervoerder, de
bewaarnemer dan wel hij die jegens de vervoerder recht heeft op de
aflevering, op zijn verzoek door de rechter worden gemachtigd de
zaken geheel of gedeeltelijk op de door deze te bepalen wijze te
verkopen.

2.
De bewaarnemer is verplicht de vervoerder zo spoedig mogelijk van de
voorgenomen verkoop op de hoogte te stellen; de vervoerder heeft deze
verplichting jegens degeen, die jegens hem recht heeft op de
aflevering van de zaken.

3.
De opbrengst van het verkochte wordt in de consignatiekas gestort
voor zover zij niet strekt tot voldoening van de kosten van opslag en
verkoop alsmede, binnen de grenzen der redelijkheid, van de gemaakte
kosten. Tenzij op de zaken beslag is gelegd voor een geldvordering,
moet aan de vervoerder uit het in bewaring te stellen bedrag worden
voldaan hetgeen hem verschuldigd is ter zake van het vervoer of op
grond van een remboursbeding; voor zover deze vorderingen nog niet
vast staan, zal de opbrengst of een gedeelte daarvan op door de
rechter te bepalen wijze tot zekerheid voor deze vorderingen
strekken.

4. De
in de consignatiekas gestorte opbrengst treedt in de plaats van de
zaken.

Artikel 8:1134

Indien
er zekerheid of vermoeden bestaat, dat er verlies of schade i

Close Menu
×
×

Basket