Burgerlijk Wetboek Art. 2:175 BW – boek 1:197

netherlands-coat-armsBurgerlijk Wetboek Art previous companies act next companies act

Artikel 1:184
t/m artikel 1:196 vervallen

Titel
11. Afstamming

Afdeling
1. Algemeen

Artikel 1:197

Een
kind, zijn ouders en hun bloedverwanten staan in familierechtelijke
betrekking
tot elkaar.

Artikel 1:198

Moeder
van een kind is de vrouw uit wie het kind is geboren of die het kind
heeft geadopteerd.

Artikel 1:199

Vader
van een kind is de man:

a.
die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie
het kind is geboren, is gehuwd, tenzij onderdeel b geldt;

b.
wiens huwelijk met de vrouw uit wie het kind is geboren, binnen 306
dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden,
zelfs indien de moeder was hertrouwd; indien echter de vrouw sedert
de 306de dag voor de geboorte van het kind was gescheiden van tafel
en bed of zij en haar echtgenoot sedert dat tijdstip gescheiden
hebben geleefd, kan de vrouw binnen een jaar na de geboorte van het
kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand
verklaren dat haar overleden echtgenoot niet de vader is van het
kind, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt; was de moeder op
het tijdstip van de geboorte hertrouwd dan is in dat geval de huidige
echtgenoot de vader van het kind;

c.
die het kind heeft erkend;

d.
wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld; of

e.
die het kind heeft geadopteerd.

Afdeling
2. Ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap

Artikel 1:200

1.
Het in artikel 199, onder a en b, bedoelde vaderschap kan, op de
grond dat de man niet de biologische vader van het kind is, worden
ontkend:

a.
door de vader of de moeder van het kind;

b.
door het kind zelf.

2.
De vader of moeder kan het in artikel 199, onder a en b, bedoelde
vaderschap niet ontkennen, indien de man vóór het
huwelijk heeft kennis gedragen van de zwangerschap.

3.
De vader of moeder kan het in artikel 199, onder a en b, bedoelde
vaderschap evenmin ontkennen, indien de man heeft ingestemd met een
daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad.

4.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing ten aanzien van de
vader, indien de moeder hem heeft bedrogen omtrent de verwekker.

5.
Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door de
moeder bij de rechtbank ingediend binnen een jaar na de geboorte van
het kind. Een zodanig verzoek wordt door de vader ingediend binnen
een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat hij
vermoedelijk niet de biologische vader is van het kind.

6.
Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door het
kind bij de rechtbank ingediend binnen drie jaren nadat het kind
bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn
biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn
minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot
uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden
ingediend.

Artikel 1:201

1.
Overlijdt de vader of de moeder voor de afloop van de in artikel 200,
vijfde lid, gestelde termijn, dan kan een afstammeling
van deze echtgenoot in de eerste graad of, bij gebreke van zodanige
afstammeling, een ouder van deze echtgenoot, de rechtbank verzoeken
de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Het verzoek
wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of nadat het
overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen.

2.
Overlijdt het kind voor de afloop van de in artikel 200, zesde lid,
gestelde termijn, dan kan een afstammeling in de eerste graad van het
kind de rechtbank verzoeken de ontkenning van het vaderschap gegrond
te verklaren. Indien het kind meerderjarig was ten tijde van het
overlijden, wordt het verzoek gedaan binnen een jaar na de dag van
overlijden of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van de
verzoeker is gekomen. Overleed het kind gedurende de minderjarigheid,
dan dient het verzoek te worden gedaan binnen een jaar nadat het
kind, in leven zijnde, zelfstandig het verzoek had kunnen doen, dan
wel, indien het overlijden op een later tijdstip ter kennis is
gekomen van de verzoeker binnen een jaar na die kennisneming.

Artikel 1:202

1.
Nadat de beschikking houdende gegrondverklaring van een ontkenning
van een door huwelijk ontstaan vaderschap in kracht van gewijsde is
gegaan, wordt het door huwelijk ontstane vaderschap geacht nimmer
gevolg te hebben gehad.

2. Te
goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans
niet geschaad.

3.
Door de gegrondverklaring van de ontkenning ontstaat geen vordering
tot teruggave van kosten van verzorging en opvoeding of van kosten
van levensonderhoud en studie noch tot teruggave van het krachtens
vruchtgenot genotene. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave
van genoten vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen
heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet
was gebaat.

Afdeling
3. Erkenning

Artikel 1:203

1.
Erkenning kan geschieden:

a.
bij een akte van erkenning, opgemaakt door een ambtenaar van de
burgerlijke stand;

b.
bij notariële akte.

2. De
erkenning heeft gevolg vanaf het tijdstip waarop zij is gedaan.

Artikel 1:204

1. De
erkenning is nietig, indien zij is gedaan:

a.
door een man die krachtens artikel 41 geen huwelijk met de moeder mag
sluiten;

b.
door een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren nog niet
heeft bereikt;

c.
indien het kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt,
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder;

d.
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het kind van twaalf
jaren of ouder;

e.
door een op het tijdstip van de erkenning met een andere vrouw gehuwd
man, tenzij de rechtbank heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat
tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in
voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te
stellen of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke
betrekking bestaat;

f.
terwijl er twee ouders zijn.

2. De
in het vorige lid onder c en d vereiste toestemming kan ook
geschieden ter gelegenheid van het opmaken van de akte van erkenning.

3.
De toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren
nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van
twaalf jaren of ouder, kan op verzoek van de man die het kind wil
erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen,
indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde
verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden,
en de man de verwekker is van het kind.

4.
Een man die wegens geestelijke stoornis onder curatele staat, mag
slechts erkennen nadat daartoe toestemming is verkregen van de
kantonrechter.

Artikel 1:205

1.
Een verzoek tot vernietiging van de erkenning kan, op de grond dat de
erkenner
niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden
ingediend:

a.
door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid
heeft plaatsgevonden;

b.
door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of,
tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden
daartoe is bewogen;

c.
door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of
tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden
bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.

2.
Het openbaar ministerie kan wegens strijd met de Nederlandse openbare
orde, indien de erkenner niet de biologische vader van het kind is,
vernietiging van de erkenning verzoeken.

3. In
geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden, wordt het
verzoek door de erkenner of door de moeder niet later ingediend dan
een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken en, in geval
van bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog
of de dwaling heeft ontdekt.

4.
Het verzoek wordt door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het
kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet
zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn
minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot
uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden
ingediend.

5.
Voor het geval de erkenner of de moeder overlijdt voor de afloop van
de in het derde lid gestelde termijn, is artikel 201, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing. Voor het geval het kind overlijdt voor de
afloop van de in het vierde lid gestelde termijn, is artikel 201,
tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:206

1.
Nadat de beschikking houdende vernietiging van de erkenning in kracht
van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning geacht nimmer gevolg te
hebben gehad.

2. Te
goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans
niet geschaad.

3.
Door de vernietiging ontstaat geen vordering tot teruggave van de
kosten van verzorging en opvoeding of van levensonderhoud en studie
noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene. Voorts
ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten
vermogensrechtelijke voordelen die uit de erkenning zijn
voortgevloeid, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van
het instellen van het verzoek daardoor niet was gebaat.

Afdeling
4. Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap

Artikel 1:207

1.
Het vaderschap van een man kan, ook indien deze is overleden, op de
grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat de man
als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de
verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de
rechtbank worden vastgesteld op verzoek van:

a. de
moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;

b.
het kind.

2.
Vaststelling van het vaderschap kan niet geschieden, indien:

a.
het kind twee ouders heeft;

b.
tussen de man en de moeder van het kind krachtens artikel 41 geen
huwelijk zou mogen worden gesloten; of

c. de
in de aanhef van het eerste lid bedoelde man een minderjarige is die
de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, tenzij hij
voordat hij deze leeftijd heeft bereikt is overleden.

3.
Het verzoek wordt door de moeder ingediend binnen vijf jaren na de
geboorte van het kind of, in geval van onbekendheid met de identiteit
van de vermoedelijke verwekker dan wel van onbekendheid met zijn
verblijfplaats, binnen vijf jaren na de dag waarop de identiteit en
de verblijfplaats aan de moeder bekend zijn geworden.

4.
Overlijdt het kind voordat vaststelling van het vaderschap heeft
kunnen plaatsvinden, dan kan een afstammeling van het kind in de
eerste graad de vaststelling van het vaderschap aan de rechtbank
verzoeken, mits de man bedoeld in het eerste lid, nog in leven is.
Het verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of
binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is
gekomen.

5. De
vaststelling van het vaderschap, mits de beschikking daartoe in
kracht van gewijsde is gegaan, werkt terug tot het moment van de
geboorte van het kind. Te goeder trouw door derden verkregen rechten
worden hierdoor nochtans niet geschaad. Voorts ontstaat geen
verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen, voor
zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het
verzoek daardoor niet was gebaat.

Artikel 1:208

Bij
de uitspraak waarbij het vaderschap wordt vastgesteld, kan de rechter
op een daartoe strekkend verzoek ten behoeve van het kind een
bijdrage toekennen in de kosten van verzorging en opvoeding als
bedoeld in artikel 404 of in de kosten van levensonderhoud en studie
als bedoeld in artikel 395a.

Afdeling
5. Inroeping of betwisting van staat

Artikel 1:209

Iemands
afstamming volgens zijn geboorteakte kan door een ander niet worden
betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft.

Artikel 1:210

Een
verzoek tot gegrondverklaring van de inroeping of betwisting van
staat is niet aan verjaring onderworpen.

Artikel 1:211

1.
Een verzoek tot gegrondverklaring van de inroeping van staat kan
worden ingediend:

a.
door het kind zelf;

b.
door de erfgenamen van het kind, indien het kind gedurende zijn
minderjarigheid of binnen drie jaren nadien is overleden.

2.
Indien het kind een verzoek als bedoeld in het eerste lid had
ingediend, kunnen zijn erfgenamen de procedure voortzetten.

Afdeling
6. De bijzondere curator

Artikel 1:212

In
zaken van afstamming wordt het minderjarige kind, optredende als
verzoeker of belanghebbende, vertegenwoordigd door een bijzondere
curator daartoe benoemd door de rechtbank die over de zaak beslist.

Artikel 1:213
t/m artikel 1:226 vervallen

Titel
12. Adoptie

Artikel 1:227

1.
Adoptie geschiedt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van
twee personen tezamen of op verzoek van één persoon
alleen. Twee personen tezamen kunnen geen verzoek tot adoptie doen,
indien zij krachtens artikel 41 geen huwelijk met elkaar zouden mogen
aangaan.

2.
Het verzoek door twee personen tezamen kan slechts worden gedaan,
indien zij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk
voorafgaande aan de indiening van het verzoek met elkaar hebben
samengeleefd. Het verzoek door de adoptant die echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder is, kan
slechts worden gedaan, indien hij ten minste drie aaneengesloten
jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met
die ouder heeft samengeleefd.

3.
Het verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het
kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot
adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is
dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid
van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in
artikel 228, wordt voldaan.

4.
Zijn de voornamen van het kind niet bekend, dan stelt de rechter,
nadat hij de adoptant of adoptanten en het kind, indien
dat twaalf jaren of ouder is, heeft gehoord, bij de
adoptiebeschikking tevens een of meer voornamen vast.

5.
In zaken van adoptie is de minderjarige ouder bekwaam in rechte op te
treden.

Artikel 1:228

1.
Voorwaarden voor adoptie zijn:

a.
dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat
het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder
is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen
toewijzing van het verzoek heeft doen blijken; hetzelfde geldt,
indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen toewijzing van het
verzoek van een minderjarige die op de dag van het verzoek de
leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan
worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter
zake;

b.
dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant;

c.
dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren
ouder dan het kind is;

d.
dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt;

e.
dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de
leeftijd van zestien jaren heeft bereikt;

f.
dat de adoptant het kind gedurende ten minste drie aaneengesloten
jaren heeft verzorgd en opgevoed of, in geval van adoptie door twee
personen tezamen, dat zij het kind gedurende ten minste een jaar
hebben verzorgd en opgevoed; indien de echtgenoot, geregistreerde
partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt
dat de adoptant en die ouder het kind gedurende ten minste een jaar
hebben verzorgd en opgevoed, tenzij het kind wordt geboren uit de
relatie van de moeder met een levensgezel van gelijk geslacht;

g.
dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind
hebben. Indien evenwel de echtgenoot, geregistreerde partner of
andere levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt dat deze
ouder alleen of samen met voornoemde echtgenoot, geregistreerde
partner of andere levensgezel het gezag heeft.

2.
Aan de tegenspraak van een ouder als bedoeld in het eerste lid, onder
d, kan worden voorbijgegaan:

a.
indien het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband
hebben samengeleefd; of

b.
indien de ouder het gezag over het kind heeft misbruikt of de
verzorging en opvoeding van het kind op grove wijze heeft
verwaarloosd; of

c.
indien de ouder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen
de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels
XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het
Wetboek van Strafrecht.

Artikel 1:229

1.
Door adoptie komen de geadopteerde, de adoptiefouder en zijn
bloedverwanten of de adoptiefouders en hun bloedverwanten in
familierechtelijke betrekking tot elkaar
te staan.

2.
Tegelijkertijd houdt de familierechtelijke betrekking tussen de
geadopteerde, zijn oorspronkelijke ouders en hun bloedverwanten op te
bestaan.

3.
In afwijking van het tweede lid blijft de familierechtelijke
betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en diens
bloedverwanten bestaan, indien de echtgenoot, geregistreerde partner
of andere levensgezel van die ouder het kind adopteert.

4.
Indien het kind op het tijdstip van de adoptie omgang heeft met een
ouder ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking ophoudt te
bestaan, kan de rechtbank bepalen dat zij gerechtigd blijven tot
omgang met elkaar. De artikelen 377a, tweede en derde lid, 377e en
377g zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:230

1. De
adoptie heeft haar gevolgen van de dag, waarop de uitspraak in kracht
van gewijsde is gegaan.

2.
De adoptie blijft haar gevolgen behouden, ook al zou blijken, dat de
rechter de door artikel 228 van dit boek gestelde voorwaarden ten
onrechte als vervuld zou hebben aangenomen.

Artikel 1:231

1.
De adoptie kan door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van de
geadopteerde
worden herroepen.

2.
Het verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de herroeping in het
kennelijk belang van de geadopteerde is, de rechter van de
redelijkheid der herroeping in gemoede overtuigd is, en het verzoek
is ingediend niet eerder dan twee jaren en niet later dan vijf jaren
na de dag, waarop de geadopteerde meerderjarig is geworden.

Artikel 1:232

1.
Door herroeping van de adoptie houdt de familierechtelijke betrekking
tussen de geadopteerde en zijn kinderen enerzijds en de adoptiefouder
of adoptiefouders en zijn bloedverwanten anderzijds op te bestaan.

2. De
familierechtelijke betrekking die door de adoptie opgehouden had te
bestaan, herleeft door de herroeping.

3.
Artikel 230 vindt ten aanzien van de herroeping overeenkomstige
toepassing.

Titel
13. Minderjarigheid

Afdeling
1. Algemene bepalingen

Artikel 1:233

Minderjarigen
zijn zij, die de ouderdom van achttien jaren niet hebben bereikt en
niet gehuwd of geregistreerd zijn dan wel gehuwd of geregistreerd
zijn geweest of met toepassing van artikel 253ha meerderjarig zijn
verklaard.

Artikel 1:234

1.
Een minderjarige is, mits hij met toestemming van zijn wettelijke
vertegenwoordiger handelt, bekwaam rechtshandelingen te verrichten,
voor zover de wet niet anders bepaalt.

2. De
toestemming kan slechts worden verleend voor een bepaalde
rechtshandeling of voor een bepaald doel.

3.
De toestemming wordt aan de minderjarige verondersteld te zijn
verleend, indien het een rechtshandeling betreft ten aanzien waarvan
in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van
zijn leeftijd deze zelfstandig verrichten.

Afdeling
2. Handlichting

Artikel 1:235

1.
Handlichting waarbij aan een minderjarige bepaalde bevoegdheden van
een meerderjarige worden toegekend, kan wanneer
de minderjarige de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, op zijn
verzoek door de kantonrechter worden verleend.

2.
Zij wordt niet verleend tegen de wil van de ouders voor zover deze
het gezag over de minderjarige uitoefenen, met inachtneming nochtans
van artikel 253a.

3.
Bij het verlenen van handlichting bepaalt de kantonrechter
uitdrukkelijk, welke bevoegdheden van een meerderjarige aan de
minderjarige worden toegekend. Deze bevoegdheden mogen zich niet
verder uitstrekken dan tot de gedeeltelijke of de gehele ontvangst
van zijn inkomsten en de beschikking daarover, het sluiten van
verhuringen en verpachtingen, het in een vennootschap deelnemen en
het uitoefenen van een beroep of bedrijf. De minderjarige wordt
echter door handlichting niet bekwaam tot het beschikken over
registergoederen, effecten, of door hypotheek gedekte vorderingen.

4.
Hij kan ter zake van de handlichting zelf en van handelingen, waartoe
hij krachtens de verkregen handlichting bekwaam is, eisende of
verwerende in rechte optreden. Artikel 12 lid 1 van dit boek geldt
voor die handelingen niet.

Artikel 1:236

1.
Een verleende handlichting kan door de rechtbank worden ingetrokken,
indien de minderjarige daarvan misbruik maakt of er gegronde vrees
bestaat dat hij dit zal doen.

2.
De intrekking geschiedt op verzoek van een van de ouders van de
minderjarige, voor zover deze het gezag over hem uitoefenen en met
inachtneming van artikel 253a, of op verzoek van de voogd.

Artikel 1:237

1.
Een beschikking waarbij handlichting is verleend of ingetrokken, moet
worden bekend gemaakt in de Staatscourant en in twee in de
beschikking aan te wijzen dagbladen.

2.
In de bekendmaking moet nauwkeurig worden vermeld hoedanig, en tot
welk einde zij is verleend. Vóór de bekendmaking werkt
zomin de handlichting als haar intrekking tegen derden die hiervan
onkundig waren.

Afdeling
3. De raad voor de kinderbescherming

Artikel 1:238

1.
Er is één raad voor de kinderbescherming.

2. De
wet bepaalt de taken en bevoegdheden van de raad voor de
kinderbescherming. Deze worden door de raad voor de kinderbescherming
namens onze Minister van Justitie uitgevoerd.

3.
Ten behoeve van de vervulling van zijn taak houdt de raad zich in
ieder geval op de hoogte van de ontwikkeling van de
kinderbescherming, bevordert hij de samenwerking met de instellingen
van kinderbescherming en jeugdhulpverlening en dient hij op verzoek
of uit eigen beweging autoriteiten en instellingen van advies.

4.
Zijn bemoeiingen laten de godsdienstige of levensbeschouwelijke
grondslag van de instellingen van kinderbescherming onverlet.

5.
Bij algemene maatregel van bestuur worden de zetel, de werkwijze,
voor zover het de samenwerking met de stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, betreft en de organisatie van
de raad geregeld.

Artikel 1:239

1. De
raad voor de kinderbescherming kan optreden ten behoeve van
minderjarigen die in Nederland hetzij hun woonplaats of laatste
woonplaats, hetzij hun werkelijk verblijf hebben. Eveneens kan de
raad optreden ten behoeve van Nederlandse minderjarigen die in
Nederland noch woonplaats, noch laatste woonplaats, noch werkelijk
verblijf hebben.

2.
Ten behoeve van de minderjarigen die binnen een arrondissement hetzij
hun woonplaats of laatste woonplaats, hetzij hun werkelijk verblijf
hebben, treden voor de raad voor de kinderbescherming de in dat
arrondissement aanwezige werkeenheden van de raad op.

3.
Indien op grond van het vorige lid meer werkeenheden in verschillende
arrondissementen bevoegd zouden zijn ten behoeve van een zelfde
minderjarige op te treden,
doet het optreden van een van deze werkeenheden de bevoegdheid van de
ander eindigen.

4.
Ten behoeve van Nederlandse minderjarigen, die in Nederland noch
woonplaats, noch laatste woonplaats, noch werkelijk verblijf hebben,
treden de werkeenheden van de raad in het arrondissement Amsterdam op
voor de raad voor de kinderbescherming.

5.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt de behandeling van klachten
ter zake van een bij de raad in behandeling zijnde of geweest zijnde
aangelegenheid van kinderbescherming geregeld.

Artikel 1:240

Degene
die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn ambt
of beroep tot geheimhouding is verplicht kan, zonder toestemming van
degene die het betreft, aan de raad voor de kinderbescherming
inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht
voor de uitoefening van de taken van de raad.

Artikel 1:241

1.
Indien de raad voor de kinderbescherming blijkt, dat een minderjarige
niet onder het wettelijk vereiste gezag staat, of dat dit gezag niet
over hem wordt uitgeoefend, verzoekt hij de rechter in de
gezagsuitoefening over deze minderjarige te voorzien.

2.
Indien dit ter voorkoming van ernstig gevaar voor de zedelijke of
geestelijke belangen of voor de gezondheid van zulk een minderjarige
dringend en onverwijld noodzakelijk is, kan de kinderrechter een
stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg, belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige.
De raad voor de kinderbescherming wendt zich in dit geval binnen zes
weken tot de rechter teneinde een voorziening in het gezag over deze
minderjarige te verkrijgen.

3. De
in het tweede lid bedoelde maatregel kan eveneens worden getroffen
indien een minderjarige, de leeftijd van zes maanden nog niet bereikt
hebbende en niet staande onder voogdij van een rechtspersoon, zonder
voorafgaande schriftelijke toestemming van de raad voor de
kinderbescherming als pleegkind is opgenomen.

4. De
kinderrechter beschikt op verzoek van de raad voor de
kinderbescherming of van de officier van justitie. Hij stelt vast
welke bevoegdheden ten aanzien van persoon en vermogen van deze
minderjarige worden toegekend en bepaalt de duur van de maatregel.

5.
De maatregel vervalt na verloop van zes weken na de dag van de
beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn om een
voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht. De
kinderrechter kan deze termijn op ten hoogste twaalf weken bepalen,
dit evenwel uitsluitend op de grond dat het in de eerste volzin
bedoelde verzoek aan de vereisten van artikel 278 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering zal kunnen voldoen.

6.
De maatregel kan worden ingetrokken of gewijzigd door de
kinderrechter die haar heeft bevolen tenzij een verzoek als bedoeld
in het vijfde lid is ingediend. In dat geval beslist de rechter bij
wie dit verzoek aanhangig is.

7.
In afwijking van het tweede lid, kan de rechter de voorlopige voogdij
over een minderjarige door of voor wie een aanvraag tot het verlenen
van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel
28 van de Vreemdelingenwet 2000 is ingediend, en in verband daarmee
in Nederland verblijft, alsmede over door Onze Minister van Justitie
aan te wijzen categorieën andere minderjarigen, opdragen aan een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid.

Artikel 1:241a

Op
de uitoefening van de voorlopige voogdij door een stichting als
bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg is artikel 243 van dit Boek
van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:242

De
raad voor de kinderbescherming stelt zich op de hoogte van alle
gevallen, waarin maatregelen met betrekking tot het gezag over
minderjarigen overwogen dienen te worden.

Artikel 1:243

1.
De colleges van burgemeester en wethouders en ambtenaren van de
burgerlijke stand verschaffen de raad voor de kinderbescherming
kosteloos alle inlichtingen, en verstrekken de raad kosteloos alle
afschriften en uittreksels uit hun registers,
die de raad ter uitvoering van zijn taak van hen vraagt. Wanneer de
raad voor de kinderbescherming een taak vervult of een bevoegdheid
uitoefent op grond van een van de bepalingen van deze titel of van de
titels 9, 10, 14, 15 en 17 van dit boek, alsmede op grond van de
daarmee verband houdende bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, verschaffen de bij algemene maatregel van bestuur
aan te wijzen instanties of personen de raad kosteloos die
inlichtingen die voor een goede uitoefening van hun taak noodzakelijk
zijn.

2.
Alle verzoeken die de raad voor de kinderbescherming ter uitvoering
van zijn taak tot de rechter richt, worden kosteloos behandeld; de
grossen, afschriften en uittreksels, die hij tot dat doel aanvraagt,
worden hem door de griffiers vrij van alle kosten uitgereikt.

3.
Exploiten door de deurwaarders ten verzoeke van de raad voor de
kinderbescherming uitgebracht, worden volgens het gewone tarief
vergoed. Procureurs kunnen voor hun aan de raad voor de
kinderbescherming bewezen diensten salaris in rekening brengen.

4.
Wanneer de raad voor de kinderbescherming op grond van een van de
bepalingen van deze titel, of van de titels 9, 10, 12, 14, 15 en 17
van dit boek in rechte optreedt, kan hij dit zonder procureur of
advocaat doen, behalve in gedingen die met een dagvaarding aanvangen.

Afdeling
4. Registers betreffende het over minderjarigen uitgeoefende gezag

Artikel 1:244

Bij
de rechtbanken berusten openbare registers, waarin aantekening
gehouden wordt van rechtsfeiten die op het over minderjarigen
uitgeoefende gezag betrekking hebben. Bij algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald welke rechtsfeiten aangetekend worden, en op
welke wijze deze aantekening geschiedt.

Titel
14. Het gezag over minderjarige kinderen

Afdeling
1. Algemeen

Artikel 1:245

1.
Minderjarigen staan onder gezag.

2.
Onder gezag wordt verstaan ouderlijk gezag dan wel voogdij.

3.
Ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door één
ouder uitgeoefend. Voogdij wordt door een ander dan een ouder
uitgeoefend.

4.
Het gezag heeft betrekking op de persoon van de minderjarige, het
bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke
handelingen, zowel in als buiten rechte.

5.
Het gezag van de ouder die dit krachtens artikel 253sa of krachtens
een rechterlijke beslissing overeenkomstig artikel 253t samen met een
ander dan een ouder uitoefent, wordt aangemerkt als ouderlijk gezag
dat door ouders gezamenlijk wordt uitgeoefend, tenzij uit een
wettelijke bepaling het tegendeel voortvloeit.

Artikel 1:246

Onbevoegd
tot het gezag zijn minderjarigen, zij die onder curatele zijn gesteld
en zij wier geestvermogens zodanig zijn gestoord, dat zij in de
onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen, tenzij deze
stoornis van tijdelijke aard is.

Artikel 1:246a
Vervallen

Artikel 1:247

1.
Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn
minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.

2.
Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de
verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van
het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn
persoonlijkheid.

Artikel 1:248

Het
tweede lid van artikel 247 van dit boek is van overeenkomstige
toepassing op de voogd en op degene die een minderjarige
verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag over die minderjarige
toekomt.

Artikel 1:249

De
minderjarige dient rekening te houden met de aan de ouder of voogd in
het kader van de uitoefening van het gezag toekomende bevoegdheden,
alsmede met de belangen van de overige leden van het gezin waarvan
hij deel uitmaakt.

Artikel 1:250

Wanneer
in aangelegenheden betreffende
diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de
minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of een
van hen dan wel van de voogd of de beide voogden in strijd zijn met
die van de minderjarige, benoemt de kantonrechter indien hij dit in
het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het
bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op
verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator
om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te
vertegenwoordigen.

Afdeling
2. Ouderlijk gezag

§
1. Het gezamenlijk gezag van ouders binnen en buiten huwelijk en het
gezag van één ouder na scheiding

Artikel 1:251

1.
Gedurende hun huwelijk oefenen de ouders het gezag gezamenlijk uit.

2. Na
ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding
van tafel en bed blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben,
dit gezag gezamenlijk uitoefenen, tenzij de rechter op verzoek van de
ouders of een van hen in het belang van het kind bepaalt dat het
gezag over een kind of de kinderen aan een van hen alleen toekomt.

3.
De beslissing op grond van het tweede lid wordt gegeven bij de
beschikking houdende scheiding van tafel en bed, echtscheiding dan
wel ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed of bij
latere beschikking. Totdat het gezag van één van beide
ouders aanvangt, komt dit toe aan degene die ook tijdens het geding
het gezag uitoefende, zulks met dezelfde bevoegdheden en onder
dezelfde verplichtingen als deze toen had.

4.
Indien een beslissing op grond van het tweede lid niet alle kinderen
der echtgenoten betrof, vult de rechtbank haar aan op verzoek van een
der ouders, van de raad voor de kinderbescherming of ambtshalve.

Artikel 1:251a

De
rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of
ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing
geven op de voet van artikel 251, tweede lid. Hetzelfde geldt indien
de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt,
maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn
belangen ter zake.

Artikel 1:252

1. De
ouders die niet met elkaar zijn gehuwd noch met elkaar gehuwd zijn
geweest en die nimmer het gezag over hun minderjarige kinderen
gezamenlijk hebben uitgeoefend, oefenen dit gezamenlijk uit, indien
zulks op hun beider verzoek in het in artikel 244 van dit boek
bedoelde register is aangetekend.

2. De
aantekening wordt door de griffier geweigerd, indien op het tijdstip
van het verzoek:

a.
één of beide ouders onbevoegd is tot het gezag; of

b.
één van beide ouders is ontheven of ontzet van het
gezag en de andere ouder het gezag uitoefent; of

c.
een voogd met het gezag over het kind is belast; of

d. de
voorziening in het gezag over het kind is komen te ontbreken; of

e. de
ouder die het gezag heeft, dit gezamenlijk met een ander dan een
ouder uitoefent.

3.
Tegen de weigering van de aantekening is alleen beroep mogelijk,
indien zij heeft plaatsgevonden op grond van onbevoegdheid van één
of beide ouders tot het gezag anders dan vanwege minderjarigheid of
ondercuratelestelling. Alsdan kan de kantonrechter worden verzocht de
aantekening te gelasten. Hij wijst het verzoek af, indien gegronde
vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden
worden verwaarloosd.

Artikel 1:253

1.
Indien gewezen echtgenoten met elkaar hertrouwen dan wel een
geregistreerd partnerschap aangegaan en onmiddellijk
daaraan voorafgaande één der echtgenoten het gezag over
de minderjarige kinderen uitoefende, herleeft van rechtswege het
gezamenlijk gezag, tenzij een der echtgenoten onbevoegd is tot dit
gezag of daarvan is ontheven of ontzet dan wel het gezag gezamenlijk
met een ander dan de ouder uitoefent.

2. De
echtgenoot voor wie het gezag niet is herleefd, kan de rechtbank
verzoeken hem daarmede te belasten. Dit verzoek wordt slechts
afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de
belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.

3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien
door verzoening van de echtgenoten een scheiding van tafel en bed
eindigt.

4.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien
gewezen geregistreerde partners die gezamenlijk gezag uitoefenden
over het kind, opnieuw met elkaar een geregistreerd partnerschap
aangaan dan wel met elkaar huwen.

Artikel 1:253a

Ingeval
van gezamenlijke gezagsuitoefening kunnen geschillen tussen de ouders
hieromtrent op verzoek van beiden of van een van hen aan de rechtbank
worden voorgelegd. Deze beproeft, alvorens te beslissen, een
vergelijk tussen de ouders. De rechtbank neemt een zodanige
beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Paragraaf
1a. Het gezamenlijk gezag van ouders binnen een geregistreerd
partnerschap

Artikel 1:253aa

1.
Over een staande een geregistreerd partnerschap geboren kind oefenen
de ouders gezamenlijk het gezag uit.

2. De
bepalingen met betrekking tot het gezamenlijk gezag van ouders zijn
hierop van toepassing, met uitzondering van de artikelen 251, tweede,
derde en vierde lid, en 251a.

§
2. Het gezag van één ouder anders dan na scheiding

Artikel 1:253b

1.
Indien ten aanzien van een kind alleen het moederschap vaststaat of
indien de ouders van een kind niet met elkaar gehuwd zijn dan wel
gehuwd zijn geweest en zij het gezag niet gezamenlijk uitoefenen,
oefent de moeder van rechtswege
het gezag over het kind alleen uit, tenzij zij bij haar bevalling
onbevoegd tot het gezag was.

2.
De in het eerste lid bedoelde moeder die ten tijde van haar bevalling
onbevoegd was tot het gezag, verkrijgt dit van rechtswege op het
tijdstip waarop zij daartoe bevoegd wordt, tenzij op dat tijdstip een
ander met het gezag is belast.

3.
Indien op bedoeld tijdstip een ander het gezag heeft, kan de tot het
gezag bevoegde ouder de kantonrechter verzoeken hem met het gezag
over het kind te belasten.

4.
Wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, wordt dit
verzoek slechts ingewilligd, indien de kantonrechter dit in het
belang van het kind wenselijk oordeelt.

5.
Wanneer een voogd het gezag over het kind uitoefent, wordt het
verzoek slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij
inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

Artikel 1:253c

1. De
tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag
gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, kan de kantonrechter
verzoeken hem met het gezag over het kind te belasten.

2.
Wanneer de moeder het gezag over het kind uitoefent, wordt dit
verzoek slechts ingewilligd, indien de kantonrechter dit in het
belang van het kind wenselijk oordeelt.

3.
Wanneer niet in het gezag is voorzien of wanneer een voogd het gezag
uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde vrees
bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd.

Artikel 1:253d

1.
Indien de voorziening in het gezag over een kind als bedoeld in
artikel 253b, eerste lid, van dit boek komt te ontbreken, kunnen
zowel zijn moeder als zijn vader dan wel beiden voor zover zij tot
het gezag bevoegd zijn – de kantonrechter verzoeken met het gezag
onderscheidenlijk gezamenlijk gezag te worden belast. Indien de
voorziening in het gezag komt te ontbreken ten gevolge van ontheffing
of ontzetting van het gezag, wordt het verzoek
tot de rechtbank gericht.

2.
Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt slechts afgewezen,
indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het
kind zouden worden verwaarloosd.

3.
Hebben beiden een verzoek ingediend anders dan tot gezamenlijke
gezagsuitoefening, dan willigt de rechter het verzoek in van degene
wiens gezag over het kind hij het meeste in het belang van het kind
oordeelt.

4.
Indien, voordat over het verzoek van één ouder is
beslist, de andere ouder van rechtswege het gezag over het kind
verkrijgt, willigt de rechter het verzoek slechts in, indien hij dit
in het belang van het kind wenselijk oordeelt.

Artikel 1:253e

Inwilliging
van het verzoek van een der ouders als bedoeld in de artikelen 253b,
253c en 253d van dit boek heeft, indien de ander het gezag tot
dusverre uitoefende, tot gevolg dat de laatste het gezag verliest.

Artikel 1:253f

Na de
dood van een der ouders oefent de overlevende ouder van rechtswege
het gezag over de kinderen uit, indien en voor zover hij op het
tijdstip van overlijden het gezag uitoefent.

Artikel 1:253g

1.
Indien van de ouders diegene overlijdt
die het gezag over hun minderjarige kinderen alleen uitoefent,
bepaalt de rechter dat de overlevende ouder of een derde met het
gezag over deze kinderen wordt belast.

2.
De rechter doet dit op verzoek van de raad voor de kinderbescherming,
de overlevende ouder of ambtshalve.

3.
Het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten wordt
slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging
de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.

4.
De bepaling van het voorgaande lid is mede van toepassing indien de
overleden ouder een voogd had aangewezen overeenkomstig artikel 292
van dit boek.

5.
Tot het geven van de in dit artikel bedoelde beslissingen is de
rechtbank bevoegd, indien:

a.
het betreft het overlijden van de ouder die na de gerechtelijke
ontbinding van het huwelijk of na scheiding van tafel en bed het
gezag alleen uitoefende of die na de uitoefening van het gezamenlijk
gezag als bedoeld in artikel 252, eerste lid, van dit boek alleen met
het gezag was belast;

b. de
overlevende ouder was ontheven of ontzet van het gezag en verzocht
wordt deze met het gezag te belasten.

In de
overige gevallen is de kantonrechter bevoegd.

Artikel 1:253h

1.
Indien na het overlijden van één der ouders een voogd
is benoemd, kan de rechter deze beslissing te allen tijde in dier
voege wijzigen, dat de overlevende ouder mits deze daartoe bevoegd
is, alsnog met het gezag wordt belast.

2.
Hij gaat hiertoe slechts over op verzoek van de overlevende ouder, en
niet dan op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat
bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens
is uitgegaan.

3.
Wanneer de andere ouder een voogd had aangewezen overeenkomstig
artikel 292 van dit boek en deze inmiddels is opgetreden, is dit
artikel van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat, mits
het verzoek van de overlevende ouder binnen één jaar na
het begin van de voogdij wordt gedaan, dit verzoek slechts wordt
afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de
belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.

4.
Het vijfde lid van artikel 253g van dit boek is van overeenkomstige
toepassing.

§
2a. Gezag na meerderjarigverklaring

Artikel 1:253ha

1.
De minderjarige vrouw die als degene die het gezag heeft, haar kind
wenst te verzorgen en op te voeden kan, indien zij de leeftijd van
zestien jaren heeft bereikt, de kinderrechter verzoeken haar
meerderjarig
te verklaren.

2.
Het verzoek kan ten behoeve van de vrouw ook worden gedaan door de
raad voor de kinderbescherming. Deze behoeft hiertoe haar
schriftelijke toestemming. Het verzoek vervalt, indien de vrouw haar
toestemming intrekt.

3.
Het verzoek kan ook voor de bevalling door of ten behoeve van de
vrouw worden gedaan, alsmede indien de vrouw eerst omstreeks het
tijdstip van haar bevalling de leeftijd van zestien jaren zal hebben
bereikt. In dat geval wordt op het verzoek niet eerder dan na de
bevalling of, indien de vrouw op dat tijdstip nog geen zestien jaar
is, nadat zij die leeftijd heeft bereikt, beslist.

4.
De kinderrechter willigt het verzoek slechts in, indien hij dit in
het belang van de moeder en haar kind wenselijk oordeelt. Indien een
ander met het gezag is belast, wordt de moeder daarmee belast.

5. De
minderjarige vrouw is bekwaam in rechte op te treden en tegen een
uitspraak beroep in te stellen.

§
3. Het bewind van de ouders

Artikel 1:253i

1.
Ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening voeren de ouders
gezamenlijk het bewind over het vermogen van het kind en
vertegenwoordigen zij gezamenlijk het kind in burgerlijke
handelingen, met dien verstande
dat een ouder alleen, mits niet van bezwaren van de andere ouder is
gebleken, hiertoe ook bevoegd is.

2.
Artikel 253a van dit boek is van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat in plaats van "de rechtbank" wordt gelezen
"de kantonrechter".

3.
Oefent een ouder het gezag alleen uit, dan wordt door die ouder het
bewind over het vermogen van het kind gevoerd en het kind in
burgerlijke handelingen vertegenwoordigd.

4.
Van het bepaalde in het eerste en derde lid kan worden afgeweken:

a.
indien de rechter bij de beschikking waarbij de uitoefening van het
gezag over het kind aan een van de ouders wordt opgedragen op
eensluidend verzoek van de ouders of op verzoek van één
van hen, mits de ander zich daartegen niet verzet, heeft bepaald dat
de ouder die niet het gezag over het kind zal uitoefenen, het bewind
over het vermogen van het kind zal voeren;

b.
ingevolge artikel 276, tweede lid, van dit boek, bij ontheffing of
ontzetting van het gezag;

c.
indien hij die een minderjarige goederen schenkt of vermaakt, bij de
gift, onderscheidenlijk bij de uiterste wilsbeschikking, heeft
bepaald dat een ander het bewind over die goederen zal voeren.

5.
In het laatstbedoelde geval zijn de ouders, of – indien een ouder het
gezag alleen uitoefent – die ouder, bevoegd van de bewindvoerder
rekening en verantwoording te vragen.

6.
Bij het vervallen van het door de schenker of erflater ingesteld
bewind zijn het eerste en tweede lid, onderscheidenlijk het derde
lid, van toepassing.

Artikel 1:253j

De
ouders of een ouder moeten het bewind over het vermogen van hun kind
als goede bewindvoerders voeren. Bij slecht bewind zijn zij voor de
daaraan te wijten schade aansprakelijk, behoudens voor de vruchten
van dat vermogen voor zover de wet hun het genot daarvan toekent.

Artikel 1:253k

Op
het bewind van de ouders of een ouder zijn de artikelen 342, tweede
lid, 344 tot en met 357 en 370 van dit boek van overeenkomstige
toepassing.

Artikel 1:253l

1.
Elke ouder die het gezag over zijn kind uitoefent, heeft het
vruchtgenot van diens vermogen. Indien het kind bij de ouder inwoont
en anders dan incidenteel inkomen uit arbeid geniet, is het verplicht
naar draagkracht bij te dragen in de kosten van de huishouding van
het gezin.

2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval de ouder
van het gezag is ontheven, tenzij de andere ouder het gezag
uitoefent.

3.
Aan bedoeld vruchtgenot zijn de lasten verbonden, die op
vruchtgebruikers rusten.

Artikel 1:253m

De
ouder heeft geen vruchtgenot van het vermogen, ten aanzien waarvan
bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is
bepaald dat de ouders daarvan
het vruchtgenot niet zullen hebben.

Afdeling
3. Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de gezagsuitoefening
door de ouders en de gezagsuitoefening door één van hen

Artikel 1:253n

1.
Op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen kan
de rechtbank het gezamenlijk gezag, bedoeld in de artikelen 251,
tweede lid, 252, eerste lid, 253q, vijfde lid, of 277, eerste lid,
beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of
bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens
is uitgegaan.
Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan in het
belang van het kind het gezag over ieder der minderjarige kinderen
toekomt.

2.
Het vierde lid van artikel 251 van dit boek is van overeenkomstige
toepassing.

Artikel 1:253o

1.
Beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast,
gegeven ingevolge het bepaalde in de paragrafen 1, 2 en 2a van deze
titel en het bepaalde in artikel 253n van dit boek kunnen op verzoek
van de ouders of van een van hen door de rechtbank worden gewijzigd
op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het
nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is
uitgegaan. Een verzoek
om alsnog gezamenlijk met het gezag over hun minderjarige kinderen te
worden belast, kan slechts van beide ouders afkomstig zijn.

2.
vervallen.

3.
Een verzoek tot wijziging van een gezagsbeslissing wordt aan de
kantonrechter gedaan, indien de te wijzigen beslissing door de
kantonrechter is gegeven.

Artikel 1:253p

1.
In de gevallen waarin door de rechter het gezag wordt opgedragen aan
beide ouders of aan een ouder alleen, neemt dit een aanvang zodra de
desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, of,
indien zij uitvoerbaar bij voorraad
is verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.

2.
Na de gerechtelijke ontbinding van het huwelijk of na scheiding van
tafel en bed begint het gezag nochtans niet voordat de beschikking
houdende ontbinding van het huwelijk is ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand of voordat de beschikking houdende scheiding
van tafel en bed is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister,
aangewezen in artikel 116.

3.
Indien een aantekening was gedaan als bedoeld in artikel 252, eerste
lid, van dit boek, begint het aan één der ouders
opgedragen gezag nochtans niet, dan nadat deze aantekening door de
griffier is doorgehaald. Van de doorhaling doet de griffier
schriftelijk mededeling aan beide ouders.

Artikel 1:253q

1.
Wanneer een van de ouders die gezamenlijk het gezag over hun
minderjarige kinderen uitoefenen, op een der in artikel 246 genoemde
gronden daartoe onbevoegd
is, oefent de andere ouder alleen het gezag over de kinderen uit.
Wanneer de grond van de onbevoegdheid is weggevallen, herleeft van
rechtswege het gezamenlijke gezag.

2.
Wanneer beide ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige
kinderen uitoefenen, daartoe op een der in artikel 246 genoemde
gronden onbevoegd zijn, benoemt de kantonrechter een voogd.

3.
Wanneer een ouder die alleen het gezag uitoefent, op een der in
artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, belast de
kantonrechter de andere ouder met het gezag, tenzij gegronde vrees
bestaat dat de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.
Alsdan benoemt hij een voogd.

4. De
in het tweede en derde lid bedoelde beslissingen worden gegeven op
verzoek van een ouder, bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de
raad voor de kinderbescherming of ambtshalve.

5.
Wanneer de grond van de onbevoegdheid van de in het derde lid
eerstgenoemde ouder is vervallen, wordt hij, op zijn verzoek, wederom
met het gezag belast, indien de kantonrechter overtuigd is dat het
kind wederom aan de ouder mag worden toevertrouwd. Indien de ouders
gezamenlijk met het gezag wensen te worden belast, dient het verzoek
daartoe van beiden afkomstig te zijn.

Artikel 1:253r

1.
Het bepaalde in artikel 253q van dit boek is van overeenkomstige
toepassing, indien:

a.
één of beide ouders al dan niet tijdelijk in de
onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen; of

b.
het bestaan of de verblijfplaats van één of beide
ouders onbekend is.

2.
Het gezag dat aan één of beide ouders toekomt, is
geschorst gedurende de tijd waarin een van de in het eerste lid
bedoelde omstandigheden zich voordoet.

Artikel 1:253s

1.
Indien het kind met instemming van zijn ouders die het gezag over hem
uitoefenen, gedurende ten minste een jaar door een of meer anderen
als behorende tot het gezin is verzorgd en opgevoed, kunnen de ouders
slechts met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op
zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van het kind brengen.

2.
Voor zover de volgens het vorige lid vereiste toestemmingen niet
worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de ouders door die van de
rechtbank worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts afgewezen,
indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het
kind zouden worden verwaarloosd.

3.
In geval van afwijzing van het verzoek is de beschikking van kracht
gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn, welke de duur van
zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter voor het einde van deze
termijn een verzoek tot ondertoezichtstelling van het kind, dan wel
tot ontheffing of ontzetting van een of beide ouders aanhangig
gemaakt, dan blijft de beschikking gelden, totdat op het verzoek bij
gewijsde is beslist.

Afdeling
3A. Gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een
ouder

Paragraaf
1. Het gezamenlijk gezag van rechtswege van een ouder tezamen met een
ander dan een ouder

Artikel 1:253sa

1.
Over een staande huwelijk of geregistreerd partnerschap geboren kind
oefenen een ouder en zijn echtgenoot of geregistreerde partner die
niet de ouder is, gezamenlijk het gezag uit, tenzij het kind tevens
in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder.

2.
De bepalingen met betrekking tot het gezamenlijk gezag van ouders
zijn hierop van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de
artikelen 251, tweede, derde en vierde lid, en 251a.

3.
Artikel 5, vierde, vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van het kind, over wie de ouder en zijn
geregistreerde partner die niet de ouder is, van rechtswege
gezamenlijk het gezag zullen uitoefenen of uitoefenen, met dien
verstande dat, indien de ouder en zijn partner niet uiterlijk ter
gelegenheid van de aangifte van de geboorte naamskeuze hebben gedaan,
de ambtenaar van de burgerlijke stand als geslachtsnaam van het kind
de geslachtsnaam van de moeder in de geboorteakte opneemt.

Paragraaf
2. Het gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een
ouder krachtens rechterlijke beslissing

Artikel 1:253t

1.
Indien het gezag over een kind bij één ouder berust,
kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste
ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke
betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het
kind belasten.

2.
In het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking
staat tot een andere ouder wordt het verzoek slechts toegewezen,
indien:

a.
de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste
een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan
het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en

b. de
ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten
minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag
belast is geweest.

3.
Het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen
van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de
belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

4.
Het gezamenlijk gezag, bedoeld in het eerste lid, kan niet worden
toegekend in de gevallen, bedoeld in artikel 253q, eerste lid, en
artikel 253r . Het staat niet open voor rechtspersonen.

5.
Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan vergezeld gaan van een
verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind in de
geslachtsnaam van de met het gezag belaste ouder of de ander. Een
zodanig verzoek wordt afgewezen, indien

a.
het kind van twaalf jaar of ouder ter gelegenheid van zijn verhoor
niet heeft ingestemd met het verzoek;

b.
het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt afgewezen; of

c.
het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.

Artikel 1:253u

Het
gezamenlijk gezag begint op de dag waarop de beslissing die de
benoeming inhoudt,
in kracht van gewijsde is gegaan, of, indien zij uitvoerbaar bij
voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of
verzonden.

Artikel 1:253v

1.
Op de gezamenlijke gezagsuitoefening door de ouder en de ander zijn
de artikelen
246, 247, 249, 250, 253a , 253j tot en met 253m , 253q, eerste lid,
alsmede 253r van overeenkomstige toepassing.

2.
Artikel 253i is van overeenkomstige toepassing, tenzij de met het
gezag belaste ouder het bewind niet voert ingevolge artikel 253i,
vierde lid, onder a of c .

3.
Artikel 253n is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de rechtbank een beslissing tot beëindiging van het
gezamenlijk gezag, bedoeld in artikel 253t , niet geeft dan nadat zij
de niet met het gezag belaste ouder dan wel beide ouders tezamen in
de gelegenheid heeft gesteld te verzoeken in het belang van het kind
onderscheidenlijk hem met het gezag over het kind te belasten of hen
gezamenlijk daarmee te belasten.

4.
Indien de rechtbank na beëindiging van het gezamenlijk gezag van
de ouder en de ander, deze ander met de voogdij heeft belast, kan zij
te allen tijde wegens wijziging van omstandigheden een ouder op diens
verzoek in het belang van het kind met het gezag belasten dan wel de
ouders die gezamenlijk het gezag hebben uitgeoefend, op hun beider
verzoek in het belang van het kind gezamenlijk met het gezag
belasten.

5.
Artikel 253q, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat de kantonrechter geen voogd benoemt dan nadat hij de
niet met het gezag belaste ouder in de gelegenheid heeft gesteld te
verzoeken in het belang van het kind hem met het gezag over het kind
te belasten. Het verzoek, bedoeld in artikel 253q, tweede lid, kan
tevens door de ander dan de ouder worden gedaan.

6.
De afdelingen 4 en 5 van deze titel zijn van overeenkomstige
toepassing op het gezamenlijk gezag van de ouder en de ander, met
dien verstande dat in geval van ontheffing of ontzetting van de ouder
die gezamenlijk met de ander het gezag uitoefent, de ander niet
alleen met het gezag wordt belast dan nadat de rechtbank de niet met
het gezag belaste ouder in de gelegenheid heeft gesteld te verzoeken
hem met het gezag over het kind te belasten.

Paragraaf
3. Gemeenschappelijke bepalingen inzake het gezamenlijk gezag van een
ouder tezamen met een ander dan een ouder

Artikel 1:253w

De
ander die met de ouder gezamenlijk het gezag uitoefent, is verplicht
tot het verstrekken van levensonderhoud jegens het kind dat onder
zijn gezag staat. Indien het gezamenlijk gezag door de
meerderjarigheid van het kind is geëindigd, duurt de
onderhoudsplicht voort totdat het kind de leeftijd van eenentwintig
jaren heeft bereikt. Nadat een rechterlijke beslissing tot
beëindiging van het gezamenlijk gezag in kracht van gewijsde is
gegaan of na het overlijden van de ouder met wie tot het tijdstip van
overlijden het gezag gezamenlijk werd uitgeoefend, blijft deze
onderhoudsplicht gedurende de termijn dat het gezamenlijk gezag heeft
geduurd, bestaan, tenzij de rechter in bijzondere omstandigheden op
verzoek van de ouder of de ander een langere termijn bepaalt. Zij
eindigt
uiterlijk op het tijdstip dat het kind de leeftijd van eenentwintig
jaren heeft bereikt. De artikelen 392, derde lid, 395a, eerste lid,
395b, 397, 398, 399, 400, 401, eerste, vierde en vijfde lid, 402,
402a, 403, 404, eerste lid, 406 en 408 zijn van overeenkomstige
toepassing.

Artikel 1:253x

1. Na
de dood van de ouder die tezamen met de ander het gezag uitoefende,
oefent die ander van rechtswege de voogdij over de kinderen uit.

2. De
rechtbank kan op verzoek van de overlevende ouder te allen tijde
bepalen dat deze, mits daartoe bevoegd, alsnog met het gezag wordt
belast.

3. De
artikelen 253g en h zijn niet van toepassing.

Artikel 1:253y

1.
Het gezamenlijk gezag, bedoeld in de artikelen 253sa en 253t, eindigt
op de dag waarop in kracht van gewijsde is gegaan de beschikking
waarbij aan de ouders gezamenlijk gezag is toegekend of het
gezamenlijk gezag van de ouder en de ander
is beëindigd.

2. Is
de beschikking, bedoeld in het eerste lid, uitvoerbaar bij voorraad
verklaard, dan eindigt het gezamenlijk gezag van de ouder en de ander
daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.

Afdeling
4. Ondertoezichtstelling van minderjarigen

Artikel 1:254

1.
Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of
geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en
andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald
of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder
toezicht stellen van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg.

2. De
kinderrechter kan een in het eerste lid bedoelde minderjarige door of
voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet
2000 is ingediend en die in verband daarmee in een opvangcentrum als
bedoeld in artikel 1, onder d, van de Wet Centraal Orgaan opvang
asielzoekers verblijft, onder toezicht stellen van een daartoe door
Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon.

3.
Onze Minister van Justitie kan voorwaarden stellen bij of
voorschriften verbinden aan de aanvaarding, bed

Close Menu
×
×

Basket